Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1193

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
BK-17/00525
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:2057, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[ Belanghebbende] stelt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd naar een te betalen bedrag. Hij voert daartoe aan dat [de Inspecteur] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij eerder ontvangen bedragen van de gemeente [Z] heeft moeten terugbetalen via verrekeningen met zijn uitkering van het UWV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1065
Viditax (FutD), 24-05-2018
FutD 2018-1425
V-N 2018/38.33.2
NTFR 2018/1439
NLF 2018/1160 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00525

Uitspraak van 13 maart 2018

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 23 februari 2017, nummer SGR 16/8551, betreffende navermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.049.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van 30 januari 2018, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 20 oktober 2017 aan belanghebbende op het adres [Y] te [Z] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie is de vorenbedoelde brief op 21 oktober 2017 aan belanghebbende uitgereikt.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.049.

3.2.

De Inspecteur heeft de aanslag over dat jaar opgelegd conform de aangifte, resulterend in een te betalen bedrag van € 1.290.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

“(…)

4. [ Belanghebbende] stelt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd naar een te betalen bedrag. Hij voert daartoe aan dat [de Inspecteur] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij eerder ontvangen bedragen van de gemeente [Z] heeft moeten terugbetalen via verrekeningen met zijn uitkering van het UWV.

5. Met betrekking tot hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende. Tot de stukken behoort een door [de Inspecteur] overgelegd “Overzicht inkomsten-verhoudingen per jaar” voor het jaar 2015 met vermelding van de Fiscale Loongegevens.

Op dit overzicht staat als Loonheffing een bedrag van € 2.820 vermeld, welk bedrag overeenkomt met het in de aangifte in de rubrieken 12 en 13 vermelde totaalbedrag ter zake van ”Ingehouden loonheffing”.

Zoals blijkt uit het aanslagbiljet is het hiervoor vermelde bedrag van € 2.820 ter zake van loonheffing in aftrek gebracht op het te betalen bedrag van € 4.110 ter zake van de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, zodat het (…) te betalen bedrag van € 1.290 resteert.

Dat het bedrag van de loonbelasting niet hoger is dan € 4.110 hetgeen zou resulteren in een teruggaaf van inkomstenbelasting komt door het volgende. Uit de stukken blijkt dat de door [belanghebbende] vermelde verrekeningen hebben plaatsgevonden op het bruto loon ofwel dat het UWV bij de berekening van de loonheffing reeds rekening heeft gehouden met de verrekeningen en daarover geen loonheffing heeft berekend.

6. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.

(…)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In geschil is of de Inspecteur de aanslag tot een juist bedrag heeft opgelegd.

5.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een niet nader genoemd bedrag.

6.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Naar aanleiding van de mededeling van belanghebbende dat hij niet in staat is het verschuldigde griffierecht te voldoen, dient te worden beoordeeld of belanghebbende voldoet aan de criteria die de Hoge Raad dienaangaande heeft neergelegd in zijn arrest van 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, BNB 2015/197. Belanghebbende heeft daartoe gegevens in het geding gebracht en die leiden tot het oordeel dat sprake is van een zodanige betalingsonmacht, zodat het verzoek tot ontheffing van de betaling van het voor deze zaak te betalen griffierecht dient te worden toegewezen. Het niet betalen van het griffierecht kan hem dus niet worden tegengeworpen. Een niet-ontvankelijkverklaring zal achterwege blijven en de zaak kan inhoudelijk beoordeeld worden.

7.2.

In de procedure voor de Rechtbank heeft belanghebbende aangevoerd dat hij begin 2015 van het UWV een ziekteuitkering genoot doch dat die uitkering in maart 2015 is

beëindigd. Belanghebbende heeft tegen die beslissing bezwaar aangetekend. Dat bezwaar is in september 2015 gegrond verklaard. In de periode maart 2015 tot en met september 2015 heeft belanghebbende een uitkering van de gemeente ontvangen. Na de gegrondverklaring van het bezwaar heeft belanghebbende van het UWV een nabetaling gekregen. Op die nabetaling is een bedrag ingehouden ten behoeve van de gemeentelijke sociale dienst van [Z] ter zake van de bedragen die belanghebbende in voormelde periode van de gemeente had ontvangen.

7.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende over het door hem in zijn aangifte over het onderhavige jaar vermelde bedrag aan inkomsten ad € 21.049, na aftrek van de heffingskortingen, een bedrag van € 4.110 aan inkomstenbelastingen en premies volksverzekeringen verschuldigd is. Op dit bedrag is een bedrag aan loonheffingen van € 2.820 in mindering gebracht, zodat per saldo een te betalen bedrag van € 1.290 resteert. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat uit de stukken van het geding blijkt dat de door belanghebbende vermelde verrekeningen hebben plaatsgevonden op het bruto loon ofwel dat het UWV bij de berekening van de loonheffing reeds rekening heeft gehouden met de verrekeningen en daarover geen loonheffing heeft berekend. Een en ander heeft de Rechtbank tot de conclusie geleid dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

7.4.

In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die een ander licht op de zaak werpen en evenmin zijn ambtshalve gronden aangetroffen die aanleiding geven tot een ander oordeel dan door de Rechtbank is gegeven.

Slotsom

7.5.

Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en S.A.W.J. Strik, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 13 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.