Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1191

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
200.214.639/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenleving. Gemeenschappelijke woning. Overeenkomst van geldlening. Betekenis goedschrift. Uitleg. Wilsgebreken. Overige vorderingen en teruggaven belastingdienst. Verjaring. Bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering (art. 6:131 BW). Zie dictum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.214.639/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/491719/HA ZA 15-1295

arrest d.d. 13 maart 2018

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.G. Mulder te Naaldwijk,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.C. Burger te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 3 november 2016 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2016, gewezen tussen de man als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar wat daarover onder ‘1’ in het bestreden vonnis is vermeld.

De vrouw heeft ter rolzitting van 18 juli 2017 een memorie van grieven ingediend. De vrouw heeft vijf grieven aangevoerd, de grondslag van haar vorderingen aangevuld en haar vorderingen vermeerderd. Bij de memorie van grieven heeft zij drie producties (A tot en met C) overgelegd.

De man heeft ter rolzitting van 10 oktober 2017 een memorie van antwoord ingediend en heeft daarbij zes producties overgelegd.

De man heeft pleidooi gevraagd. Dit is bepaald op 18 januari 2018.

Voorafgaand aan de zitting heeft de vrouw op 3 januari 2018 bij brief de producties D tot en met N overgelegd. Het hof zal deze beschouwen als te zijn ingediend bij akte op 18 januari 2018.

Ter zitting zijn verschenen:

- de vrouw en haar advocaat;

- de man en zijn advocaat.

Beide partijen hebben hun standpunt bepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof arrest zal wijzen op basis van het ter gelegenheid van het pleidooi door de man overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals deze door de rechtbank onder ‘2’ in het bestreden vonnis zijn weergegeven is geen grief gericht zodat het hof van deze feiten zal uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

- In conventie:

1. de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 85.000,-, te voldoen bij transport van de woning;

2. bepaald dat de man gerechtigd is de onder 1. bedoelde vordering te verrekenen met het aan de vrouw toekomende deel van de opbrengst van de woning;

3. de vrouw veroordeeld - ter voldoening van de helft van de netto hypotheeklast per 1 december 2015 tot 1 juni 2016 - tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.553,-;

4. de vrouw veroordeeld tot betaling – bij wijze van gebruiksvergoeding aan de man – van een maandelijks bedrag van € 207,29 per maand vanaf 1 december 2015, hetzij totdat de woning is verkocht en geleverd aan koper(s) hetzij tot het moment dat de vrouw de woning volledig zal hebben ontruimd;

5. het vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

6. het meer of anders gevorderde afgewezen.

- In reconventie:

de vorderingen afgewezen.

- In conventie en in reconventie:

de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

3. De vrouw vordert, uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover dit ziet op de veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 85.000,- en de afwijzing van de vordering in reconventie van de vrouw, alsmede de proceskostenveroordeling in conventie en in reconventie en, opnieuw rechtdoende:

De vordering van de man tot betaling van € 85.000,- alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren althans hem deze zal ontzeggen, althans te verrekenen als door de vrouw aangegeven;

In reconventie (bij gewijzigde eis):

De man zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 266.830,25 uit hoofde van nakoming van onbetaald gelaten facturen, althans het na verrekening van voornoemde vordering met de eventuele vordering van de man resterende bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van deze facturen, althans vanaf 14 februari 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

De man zal veroordelen tot betaling van de door hem ten onrechte op zijn eigen rekening(en) overgeboekte bedragen ad € 45.414,06, althans het na verrekening van voornoemde vordering met de eventuele vordering van de man resterende bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van overboeking van de onderscheidenlijke bedragen tot de dag van algehele voldoening;

De overeenkomst van 23 juni 2003 partieel te vernietigen voor zover het een geldlening en/of schuldbekentenis betreft die het bedrag van € 45.414,06 te boven gaat en opeisbaar is voor verkoop en transport van de gezamenlijke woning, althans

Voor zover vereist alsnog voor recht te verklaren dat de vrouw een beroep op verrekening toekomt van het door haar uit hoofde van de overeenkomst in conventie verschuldigde met de door de man verschuldigde (al dan niet verjaarde) bedragen van de tot op heden onbetaald gelaten facturen en/of onverschuldigd aan de man betaalde bedragen vanaf de gezamenlijke rekening, zodat de eventuele vordering van de man daarmee zal zijn voldaan;

De man te veroordelen in de volledige proceskosten aan de zijde van de vrouw in beide instanties, althans in de proceskosten.

4. De man concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar hoger beroep, althans tot afwijzing daarvan en tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

5. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben op 23 juni 2003 een (notariële) samenlevingsovereenkomst gesloten. Ook hebben zij op 23 juni 2003 een woning, gelegen aan [adres] , gekocht en ieder voor de onverdeelde helft in eigendom geleverd gekregen tegen een koopsom van € 350.000,-. Partijen hebben tezamen een overeenkomst van hypothecaire geldlening afgesloten ten bedrage van € 250.000,-. De vrouw en de man hebben voorts op 23 juni 2003 een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij de vrouw heeft verklaard de man ten titel van geldlening een bedrag van € 85.000,- schuldig te zijn. Dit bedrag had betrekking op gelden die de man mede ten behoeve van de vrouw uit eigen vermogen voor de aankoop van de woning zou hebben betaald. Partijen zijn in 2014 uit elkaar gegaan.

Met betrekking tot de financiële afwikkeling van hun relatie houden de volgende punten partijen in hoger beroep verdeeld:

- Is de vrouw een bedrag van € 85.000,- verschuldigd aan de man;

- Heeft de vrouw een vordering op de man ter zake van door de man onbetaald gelaten facturen van de vrouw aan hem;

- Heeft de vrouw een vordering op de man ter zake van belastingteruggaven, die de vrouw toekomen maar aan de man ten goede zijn gekomen;

- De proceskosten.

6. Het hof zal de eerste drie grieven gezamenlijk bespreken, nu deze alle het bedrag van € 85.000,- betreffen dat de vrouw in de overeenkomst van geldlening heeft verklaard aan de man verschuldigd te zijn.

7. In de eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte als feit heeft vastgesteld dat partijen op 23 juni 2003 een overeenkomst van geldlening hebben gesloten waarin de vrouw verklaart ten titel van geldlening een bedrag aan de man schuldig te zijn van € 85.000,-. In de tweede grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw niet heeft betwist dat zij bij geldleningovereenkomst een bedrag van € 85.000,- van de man heeft geleend en dat dit bedrag inmiddels opeisbaar is, zodat de vordering van de man toewijsbaar is. In de derde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden.

De vrouw voert ter toelichting op deze grieven het volgende aan:

- de vrouw erkent slechts een bedrag van € 45.414,06, zijnde de helft van het op de kwaliteitsrekening van de notaris conform de aflossingsnota betaalde bedrag van € 90.828,11 ter lening te hebben ontvangen. Een bedrag van € 39.585,94 heeft de vrouw nooit ontvangen. De vrouw heeft niet ingestemd met de werkzaamheden aan de woning die mede op haar kosten zijn uitgevoerd omdat deze grotendeels aan het kantoor van de eenmanszaak van de man ten goede zijn gekomen.

- Een handgeschreven goedschrift ontbreekt;

- De schuldbekentenis in de overeenkomst dient op basis van wilsgebreken althans dwaling te worden vernietigd;

- Het feit dat de overeenkomst van geldlening niet meer is aangepast kan niet aan de vrouw worden tegengeworpen maar moet ten laste komen van de man;

- Er is sprake van bedrog omdat de man opzettelijk voor de vrouw heeft verzwegen welke mogelijke gevolgen de overeenkomst zouden hebben; hij heeft haar er niet op gewezen dat hij de mogelijkheid had de schuld op te eisen zodra de samenleving van partijen zou eindigen;

- De overeenkomst is ook met betrekking tot de opeisbaarheid nietig;

- De vrouw bevond zich in de situatie dat zij afhankelijk was van de man voor financieel advies; zij werd pas bij de notaris geconfronteerd met het feit dat de man een bedrag van € 85.000,- wenste uit te lenen; de man heeft hier misbruik van gemaakt, zodat sprake is van misbruik van omstandigheden;

- Meer subsidiair heeft de vrouw gedwaald; zij is onjuist en onvolledig voorgelicht over de gevolgen van de overeenkomst van geldlening;

- De vrouw heeft nimmer de beschikking gehad over het resterende bedrag ad € 39.585,94;

- Pas in de onderhavige procedure is er voor het eerst over gesproken dat de overeenkomst van geldlening ook zou zien op de verbouwing.

8. De man voert tegen hetgeen de vrouw heeft gesteld en aangevoerd het volgende aan:

- De vrouw ziet over het hoofd dat de man ook de waarborgsom ad € 35.000,- aan de notaris heeft voldaan; de vrouw zou dus minimaal een schuld aan hem van € 62.914,06 moeten erkennen;

- De man heeft € 170.000,- meer in de woning geïnvesteerd dan de vrouw; bij aankoop was al bekend dat partijen verbouwingen aan de woning wensten uit te voeren; de man somt de aanpassingen aan de woning op;

- De aankoop van het meubilair ten behoeve van de door de man gedreven eenmanszaak is uitsluitend ten laste van de man gekomen;

- De overeenkomst geldt als bewijs;

- De vrouw gaat voorbij aan het bepaalde in artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst;

- De schuldbekentenis is besproken bij de notaris, partijen hebben daarvan een concept ontvangen en daarna is de schuldbekentenis in het bijzijn van de notaris ondertekend;

- De man ontkent dat hij de vrouw, toen de notaris de kamer even verliet, zou hebben gezegd dat het ondertekenen van de geldleningovereenkomst geen negatieve gevolgen voor de vrouw zou hebben; de notaris heeft de kamer niet verlaten; het betreft hier verder een overweging ten overvloede;

- Van misbruik van omstandigheden is geen sprake; de enkele omstandigheid dat de man tijdens de relatie de financiën voor zijn rekening nam is daartoe onvoldoende; de notaris heeft partijen voorgelicht over de inhoud van de samenlevingsovereenkomst en de geldleningovereenkomst en heeft hen voorafgaand aan de tweede bespreking een concept gezonden; het faxbericht is door partijen gezamenlijk opgesteld;

- Van dwaling is geen sprake; over de verbouwingen bestond overeenstemming met de vrouw.

9. Het hof overweegt als volgt.

In de “overeenkomst tot geldlening” is opgenomen dat de vrouw verklaart ten titel van geldlening aan de man een bedrag van € 85.000,- schuldig te zijn. In artikel 3 van de overeenkomst is opgenomen wanneer de geldlening onmiddellijk opeisbaar is. Dit is onder meer het geval zodra de gemeenschappelijke huishouding van partijen wordt beëindigd. De vrouw verklaart, tot slot, de schuldbekentenis onder de gemelde voorwaarden aan te nemen.

In de samenlevingsovereenkomst is in artikel 4, vierde lid, bepaald dat, indien door partijen een door hen gezamenlijk bewoonde woning gezamenlijk wordt verkregen, de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald, voor het meerdere een vordering zal hebben op de andere partij, welke vordering opeisbaar is bij, onder meer, de ontbinding van de samenlevingsovereenkomst.

Het hof is van oordeel dat het de vrouw duidelijk moet zijn geweest dat het bedrag ad € 85.000,- door haar verschuldigd is aan de man en opeisbaar is bij het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst, nu dit in beide genoemde stukken aldus is weergegeven. Overigens heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw het bedrag ad € 85.000,- dient te betalen bij het transport van de woning en ook dat dit bedrag dan door de man kan worden verrekend met de verkoopopbrengst. Tegen deze bepaling is niet gegriefd. Een opeisbaarheid van het verschuldigde bedrag bij het einde van de samenwoning van partijen is dan ook niet (langer) aan de orde.

10. Verder is het hof van oordeel dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hem een bedrag van € 85.000,- toekomt. De afrekening van de notaris, op basis waarvan partijen nog een bedrag van € 90.828,11 aan de notaris dienden te betalen, is niet het enige bedrag dat de man heeft betaald. De vrouw heeft niet betwist dat de man ook de waarborgsom ad € 35.000,- bij aankoop van de woning heeft betaald. Evenmin heeft de vrouw betwist dat partijen verbouwingen aan de woning hebben laten uitvoeren en dat partijen nog inboedel hebben aangeschaft. De vrouw stelt dat over de verbouwingen geen overeenstemming zou hebben bestaan maar het hof gaat aan die stelling voorbij. De verbouwingen zijn van invloed op de waarde van de woning en daarmee op de te realiseren verkoopopbrengst die ook aan de vrouw ten goede zal komen. Ook de stelling dat de inboedel niet in dit bedrag mag worden begrepen omdat dit geen investering in de woning betreft, gaat niet op. In de schuldbekentenis is niet nader aangegeven waarvoor het bedrag was bestemd. Ook ten aanzien van de inboedel heeft de vrouw niet betwist dat de man de inboedelzaken uit eigen vermogen heeft betaald. Dat facturen van de gezamenlijke rekening zijn voldaan is niet relevant. De vrouw heeft niet betwist dat de gelden op die rekening voor genoemde uitgaven van de man afkomstig waren.

11. De omstandigheid dat een goedschrift ontbreekt heeft slechts tot gevolg dat de akte vrije bewijskracht heeft, maar maakt de beoordeling van wat hiervoor is overwogen niet anders en doet daaraan dus ook niet af.

12. Het hof gaat voorbij aan de door de vrouw aangevoerde wilsgebreken. De omstandigheid, dat zowel in de samenlevingsovereenkomst als in de overeenkomst van geldlening is bepaald dat de schuld opeisbaar is bij einde samenleving, maakt dat de man dit niet opzettelijk kan hebben verzwegen. Van bedrog is dan ook geen sprake.

Het hof verwerpt ook het beroep op misbruik van omstandigheden. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden, zie artikel 3:44 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW), waardoor iemand wordt bewogen tot een rechtshandeling. De enkele omstandigheid dat de man alle financiële zaken regelde, de vrouw, althans zoals zij stelt, voor financieel advies afhankelijk was van de man en de vrouw pas bij de notaris zou hebben vernomen dat zij een bedrag van € 85.000,- verschuldigd zou zijn aan de man, zijn niet zodanig bijzondere omstandigheden.

Ook aan het subsidiaire beroep van de vrouw op dwaling gaat het hof voorbij. De vrouw onderbouwt niet hoe en door wie zij onjuist zou zijn voorgelicht over de gevolgen van de overeenkomst. Partijen hebben de overeenkomst van geldlening ondertekend in het bijzijn van de notaris. Dat de notaris partijen niet zou hebben voorgelicht is gesteld noch gebleken.

13. Op grond van wat hiervoor is overwogen passeert het hof de eerste drie grieven van de vrouw.

Kan de vrouw aanspraak maken op betaling door de man van facturen die op haar naam aan de man zijn gericht en zo ja, kan zij het door de man verschuldigde dan verrekenen met het bedrag dat zij aan de man is verschuldigd?

14. De vrouw voert verder aan dat zij in de periode van 2003 tot en met 2013 werkzaamheden heeft verricht voor de onderneming van de man, waar tegenover een afgesproken, althans vastgestelde, vergoeding stond. De man heeft deze facturen namens de vrouw opgesteld en aan zichzelf verzonden. Deze facturen zijn grotendeels onbetaald gebleven. Tot en met september 2004 heeft de man de facturen op de privérekening van de vrouw betaald. Uit de gezamenlijke bankrekening nadien volgt niet dat de man betalingen heeft verricht. Voor zover de man wel betalingen heeft verricht hadden die op de bankrekening van de vrouw moeten worden gestort en behoorden die volledig aan haar ten goede te komen. In eerste aanleg vorderde de vrouw dat de man haar een bedrag van € 75.000,- zou betalen, zijnde de helft van het saldo van de spaarrekening Money You. Dit omdat de facturen niet aan de vrouw waren uitbetaald maar door de man aan zichzelf waren uitgekeerd. Nu die vordering is afgewezen wijzigt de vrouw de grondslag van haar vordering, vermeerdert deze en vordert zij de betaling van die facturen. De man heeft ter zitting in eerste aanleg in strijd met de waarheid verklaard dat de vrouw is betaald voor haar werkzaamheden op de gezamenlijke bankrekening van partijen.

15. De man voert aan dat partijen eind 2004 hebben afgesproken dat de man de aan de vrouw te betalen bedragen zou storten op de gezamenlijke bankrekening, als haar bijdrage in de kosten van de huishouding. De vrouw is op haar eigen rekening haar salaris uit dienstverband blijven ontvangen. De man heeft de facturen daadwerkelijk betaald, middels de stortingen op de gezamenlijke rekening. Mede daarvan werden de vaste lasten van partijen voldaan. De vrouw had volledig toegang tot de gezamenlijke rekening.

16. Het hof overweegt dat vast staat dat de man de facturen aanvankelijk op de bankrekening van de vrouw heeft betaald. Reeds vanaf 2005 zijn de betalingen verricht op de gezamenlijke rekening. Dit moet de vrouw, nu de betalingen aldus jarenlang hebben plaatsgevonden, terwijl zij eerst nog zelf die gelden ontving, duidelijk zijn geweest. Het komt het hof aannemelijk voor dat partijen dit zo hebben afgesproken. In het andere geval zou de vrouw veel eerder aan de bel hebben getrokken om een betaling af te dwingen. De toelichting van de man, dat hij de betaling van de facturen op de gezamenlijke rekening heeft verricht omdat dit dan de bijdrage van de vrouw vormde aan de kosten van de gezamenlijke huishouding, strookt met wat partijen in de samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen. Partijen verplichten zich, zo is bepaald in artikel 1 van die overeenkomst, om naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Dat de vrouw, zoals zij aanvoert, door de betaling van de facturen op die rekening, teveel zou hebben bijgedragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, is niet relevant. De vrouw heeft eerst bij pleidooi een vordering op deze grondslag benoemd. Het hof merkt dit aan als een wijziging van eis, die in strijd is met de beginselen van een goede procesorde en buiten beschouwing wordt gelaten. Een vordering uit hoofde van de afrekening van de kosten van de huishouding betreft een geheel andere grondslag met een eigen wijze van berekening.

Teruggaven van de belastingdienst op naam van de vrouw

17. In de vierde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt, het onvoldoende aannemelijk te achten dat de door de man behaalde fiscale voordelen niet aan beide partijen ten goede zijn gekomen. De man heeft dit namelijk op geen enkele wijze met feiten en verificatoire stukken onderbouwd, terwijl de bewijslast hiervoor op hem rust. De vrouw wijzigt haar eis in reconventie in die zin dat zij niet langer de betaling vordert van de helft van het saldo van de spaarrekening bij Money You, waaraan zij mede ten grondslag had gelegd de niet aan haar ten goede gekomen teruggaven Inkomstenbelasting, maar zij vordert nu het bedrag van de teruggaven Inkomstenbelasting die op haar naam zijn gesteld. Ter zitting heeft zij haar vordering hieromtrent verminderd tot een bedrag van € 33.000,-. De man heeft zelf aangevoerd dat de vrouw, door de betaling door de man van de facturen op de gezamenlijke rekening, heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Een beroep door de man op verjaring staat niet in de weg aan verrekening van door de vrouw aan de man te betalen bedragen. De vrouw doet uitdrukkelijk een beroep op verrekening.

18. De man voert aan dat tot 2009 de belastingteruggaven steeds op de privérekening van de vrouw werden overgemaakt, maar vanaf dat jaar niet alleen de belastingaanslagen van de en/of betaalrekening werden voldaan maar ook de belastingteruggaven op deze rekening werden overgemaakt. Nu de vrouw nagenoeg niet bijdroeg op die en/of rekening, welke dus vooral door de man werd gevoed, had de man het recht op de teruggaven die van de fiscus ontvangen werden. De man heeft dan ook geen onverschuldigde overboekingen aan zich zelf gedaan. Verder doet de man een beroep op verjaring op grond van artikel 3:309 BW.

19. Het hof overweegt het volgende. Vast staat dat de fiscus aanslagen inkomstenbelasting heeft vastgesteld op grond waarvan de vrouw (telkens) een aanspraak had op teruggave van bedragen aan inkomstenbelasting van de fiscus. Verder staat als onbetwist vast dat de man deze aan de vrouw toekomende teruggaven vanaf 2009 grotendeels van de en/of rekening naar zijn eigen bankrekening heeft overgemaakt; de man heeft dit erkend. De man zegt dat dit ook zo behoorde te gebeuren omdat de vrouw niet bijdroeg aan de gezamenlijke rekening. Het hof acht dit echter in tegenspraak met wat de man heeft gesteld over de facturen die de man op naam van de vrouw aan zich zelf uitschreef en welke bedragen hij op de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt. Deze door de man overgemaakte bedragen betroffen immers de bijdragen die de vrouw daardoor heeft geleverd aan de kosten voor de gezamenlijke huishouding. Het hof heeft daarover overwogen en geoordeeld in punt 16 van dit arrest. Dat de man daarnaast ook nog aanspraak kon doen gelden op de teruggaven inkomstenbelasting van de vrouw in verband met kosten van de huishouding is geenszins komen vast te staan. De (hoogte van de) kosten van de huishouding is door de man in deze procedure niet aan de orde gesteld. Het hof stelt dan ook vast dat de teruggaven inkomstenbelasting de vrouw toekomen.

20. Voor wat betreft het beroep door de man op verjaring overweegt het hof als volgt. De vordering ter zake van teruggaven inkomstenbelasting, die voor 9 maart 2011 door de man naar zijn rekening zijn overgeboekt, is verjaard. Het hof is van oordeel dat de vrouw reeds in en vanaf 2009 bekend was met het feit dat de man de teruggaven naar zijn eigen rekening overboekte, nu zij toegang had tot de gezamenlijke bankrekening.

21. De vrouw heeft zich echter beroepen op artikel 6:131 BW waarin is bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. Aan de vrouw kwam de bevoegdheid tot verrekening toe op het moment van betaling door de man aan zichzelf van de teruggaven inkomstenbelasting. Deze bevoegdheid is niet geëindigd door verjaring van de rechtsvordering. Het totale bedrag van de teruggaven inkomstenbelasting die door de man naar zijn eigen rekening zijn overgeboekt - het overzicht is voor wat betreft de door de vrouw vermelde bedragen ter zake van de teruggaven inkomstenbelasting niet door de man betwist - bedraagt € 33.000,-. Dit bedrag kan de vrouw daarom verrekenen met wat zij aan de man is verschuldigd.

22. De vrouw heeft de wettelijke rente over de door de man overgeboekte bedragen gevorderd. Daar de vordering van de vrouw ten aanzien van alle door de man naar zijn eigen rekening overgemaakte bedragen is verjaard, zal het hof deze vordering afwijzen.

23. Aan het bewijsaanbod van de vrouw gaat het hof voorbij, nu dit, wat daar verder ook van zij, niet voldoet aan de aan een bewijsaanbod te stellen eisen.

24. Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren, nu partijen ieder op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in aanvulling daarop:

bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 33.000,- kan verrekenen met het bedrag dat zij aan de man is verschuldigd, tot het beloop van beide vorderingen;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, C.M. Warnaar en R.L.M.C. Janssen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.