Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1177

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
22-004735-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in een door hem gehuurde woning een hennepkwekerij gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004735-17

Parketnummer: 09-753198-11

Datum uitspraak: 22 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 17 december 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1959,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 februari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij inleidende dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 12.696,31 met wettelijke rente en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is op 28 december 2012 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.


Bij arrest van dit hof van 24 april 2014 is het vonnis waarvan beroep vernietigd, is de verdachte vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde en is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 9.227,74 met wettelijke rente en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is op 7 mei 2014 tegen bovengenoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 1 september 2015 heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof van 24 april 2014 voor zover aan zijn oordeel onderworpen vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Vervolgens is de verdachte bij arrest van dit hof van 17 februari 2016 ter zake het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 12.696,31 met wettelijke rente en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is op 24 februari 2016 tegen bovengenoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 17 oktober 2017 heeft de Hoge Raad ook laatstgenoemd arrest van dit hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 ten laste gelegde en de strafoplegging, en de zaak teruggewezen naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van de zaak

Gelet op voormelde procesgang stelt het hof vast dat de bij voornoemd arrest van dit hof van 24 april 2014 uitgesproken vrijspraak van het tenlastegelegde onder 4 onherroepelijk is en dat aan het oordeel van het hof thans nog slechts is onderworpen de strafoplegging voor hetgeen in voornoemd arrest van dit hof van 17 februari 2016 onherroepelijk is bewezenverklaard als:

1:
hij in of omstreeks de periode van 2 februari 2010 tot en met 27 september 2010 te Hillegom opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoevelheid van ongeveer 436, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij in of omstreeks de periode van 2 februari 2010 tot en met 27 september 2010 te Hillegom opzettelijk en wederrechtelijk twee slaapkamers en een meterkast (van een woning aan de [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk in elk van die kamers een hennepkwekerij op te zetten en daartoe:

- zeil over de vloerbedekking heen te bevestigen en/of

- plastic tegen muren te nieten tot een hoogte van ongeveer 2 meter en/of

- gipsplaten op een kozijn en/of een aluminiumframe te schroeven en/of

- panelen tegen muren te schroeven en/of

- gaten in een muur te maken van de elektriciteitskast naar een slaapkamer en/of daar een elektriciteitskabel doorheen te trekken naar de andere slaapkamer en/of

- gaten in beide plafonds te maken en/of

- aan de plafonds afzuigboxen en luchtslangen te plaatsen;

3:
hij in of omstreeks de periode van 2 februari 2010 tot en met 27 september 2010 te Hillegom met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (ter waarde van 6.152,80 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door één of meer zegel(s) van een hoofdaansluitkast te (laten) verbreken en/of aan de zekerhouders een (illegale) elektriciteitsaansluiting te (laten) maken (waardoor de afgenomen elektriciteit niet via elektriciteitsmeter werd geregistreerd);

en is gekwalificeerd als:

1.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

3.

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

en strafbaar is verklaard en waarvoor de verdachte strafbaar is verklaard.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het thans bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis en voorts dat de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd voor wat betreft het thans toegewezen bedrag van € 12.696,31.

Strafbepaling

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op 8 februari 2018.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in een door hem gehuurde woning een hennepkwekerij gehad. Met het opzetten van de hennepkwekerij heeft de verdachte twee slaapkamers en een meterkast in die woning onbruikbaar gemaakt. Voorts heeft de verdachte ten behoeve van de hennepkwekerij de benodigde elektriciteit gestolen.

De uit hennepplanten verkregen stof kan bij gebruik niet alleen schadelijk zijn voor de volksgezondheid, maar is daarnaast veelal direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Met kwekerijen zoals door de verdachte opgezet en in stand gehouden, wordt het criminele circuit waarin hennep in illegale kwekerijen wordt geproduceerd en waar winst wordt gemaakt met de handel daarin, in stand gehouden. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij uit winstbejag daaraan heeft bijgedragen.

Voorts is diefstal van elektriciteit niet alleen in financiële zin schadelijk; de onveilige wijze waarop wijzigingen in elektriciteitsinstallaties worden aangebracht om hennep te kunnen telen levert tevens gevaar op voor lekkages, kortsluiting en brandgevaar voor de omliggende woningen.

Door twee slaapkamers en een meterkast onbruikbaar te maken heeft de verdachte veel overlast en schade veroorzaakt voor de benadeelden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze schade, althans het daardoor geleden financiële nadeel, nog steeds niet door de verdachte is hersteld.

Het hof zal bij het bepalen van de straf als uitgangspunt nemen de straf die is opgelegd door dit hof bij arrest van 24 april 2014, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Het hof acht die straf immers passend bij de bewezen verklaarde feiten in de onderhavige zaak.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte sinds de onderhavige feiten niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie.

Gelet hierop en op de ouderdom van de feiten acht het hof enkel een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen in beginsel een passende en geboden reactie.

Het hof is tot slot van oordeel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden nu tussen aanvang van de berechting in eerste aanleg op 27 september 2010 en het eindvonnis op 17 december 2012 ongeveer 2 jaar en 2,5 maand is verstreken. Dit maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer 2,5 maand is overschreden. Gelet op de omvang van de overschrijding zal het hof de overwogen taakstraf met 5% reduceren.

De redelijke termijn is voorts overschreden nu tussen het aanvangen van de termijn van de berechting in hoger beroep op 28 december 2012 en het eindarrest op 22 februari 2018 ongeveer 5 jaar en 2 maanden is verstreken. Dit maakt dat de redelijke termijn met ongeveer 3 jaar en 2 maanden is overschreden, hetgeen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Gelet op de omvang van de overschrijding zal het hof de overwogen taakstraf met nog eens 20% reduceren.

Gelet op het vorenstaande zal het hof in plaats van de overwogen taakstraf voor de duur van 120 uur (subsidiair 60 dagen hechtenis), een taakstraf voor de duur van 90 uur (subsidiair 45 dagen hechtenis) aan de verdachte opleggen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Het hof overweegt tegen de achtergrond van HR 27 februari 1996, NJ 1996/478 dat het dictum van het cassatiearrest voor zover luidende “en de strafoplegging” niet onmiskenbaar duidelijk maakt of de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in de vernietiging van het in cassatie bestreden arrest is betrokken. Enerzijds duidt het woord “straf” immers niet ook op een maatregel, maar anderzijds heeft de terugwijzingsopdracht onmiskenbaar tot doel dat het hof opnieuw beraadslaagt “over de oplegging van straf of maatregel” zoals bedoeld in het slot van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof zal de terugwijzingsopdracht “in zoverre” dan ook zekerheidshalve zodanig ruim opvatten dat daaronder tevens valt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof stelt vast dat bij het arrest van dit hof van 17 februari 2016 de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte is vastgesteld door de inmiddels onherroepelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 12.696,31.

Artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht brengt mee dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd voor zover de civielrechtelijke aansprakelijkheid is vastgesteld. Reeds daaruit vloeit voort dat bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel, de civielrechtelijke aansprakelijkheid niet alsnog aan de orde kan worden gesteld, zodat het daarop gebaseerde pleidooi namens de verdachte wordt gepasseerd. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel voor een lager bedrag op te leggen.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 12.696,31 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Doet in de zaak - voor zover zij weer aan het oordeel van het hof is onderworpen - opnieuw recht.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.696,31 (twaalfduizend zeshonderdzesennegentig euro en eenendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 98 (achtennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.


Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 februari 2018.