Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1174

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
22-004714-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging. Hij heeft aangeefster lastiggevallen door haar een groot aantal, steeds bedreigender, sms-berichten te sturen, terwijl zij duidelijk kenbaar maakte daarvan niet gediend te zijn.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004714-17

Parketnummers: 09-145673-17 en 09-820051-14 (TUL)

Datum uitspraak: 1 mei 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op

[geboortejaar] 1987,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

17 april 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, onder de bijzondere voorwaarden van - kort gezegd - een meldplicht en een behandelverplichting. Voorts is de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2017 tot en met 1 augustus 2017 te 's-Gravenhage en/of Delft, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, een groot aantal (350) sms-berichten en/of whatsapp-berichten vestuurd aan die [aangeefster] en/of zonder toestemming de woning van die [aangeefster] betreden;

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018 overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde. Aan dat standpunt heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat met de intrekking van de klacht door aangeefster op 8 augustus 2017 niet langer is voldaan aan artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Nu door aangeefster op 9 augustus 2017 geen aanvullende gegevens zijn verstrekt, kan op de kennelijke mededeling van aangeefster dat zij spijt zou hebben gekregen van de mededeling die zij op 8 augustus 2017 had gedaan, namelijk de intrekking van de klacht, in het geheel geen acht worden geslagen. De klacht is en blijft door aangeefster definitief ingetrokken.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018 geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier blijkt dat aangeefster op 1 augustus 2017 een klacht heeft ingediend bij de hulpofficier van justitie. Later, op 8 augustus 2017, binnen de door artikel 67 van het Wetboek van Strafrecht gestelde termijn van acht dagen, heeft aangeefster op het politiebureau verklaard dat zij afstand doet van het verzoek tot strafvervolging. Dat doet zij echter niet bij de (hulp)officier van justitie (artikel 166 van het Wetboek van Strafvordering), maar tegenover een buitengewoon opsporingsambtenaar. Op 9 augustus 2017 meldt aangeefster zich wederom bij het politiebureau en geeft zij aan spijt te hebben van haar intrekking. Voorts geeft zij aan dat zij nog steeds lastig gevallen werd door de verdachte. Dit doet zij tegenover dezelfde buitengewoon opsporingsambtenaar en derhalve niet bij een (hulp)officier van justitie, doch wel binnen de intrekkingstermijn. Aangeefster is hierna niet meer op het politiebureau teruggekomen. Tot slot blijkt uit het dossier niet dat de intrekking van de eerste klacht aan de verdachte is medegedeeld.

Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken leidt het hof af dat de intrekking van de klacht niet overeenkomstig de formele vereisten is geschied. Gelet hierop en nu aangeefster binnen de intrekkingstermijn heeft aangegeven spijt te hebben van de door haar gedane intrekking van de klacht, alsmede gelet op het feit dat de verdachte niet op de hoogte is gesteld van de intrekking van de klacht, is het hof van oordeel dat voor de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging beslissend is of uit het dossier blijkt dat de bedoeling van aangeefster was dat vervolging wordt ingesteld. Het hof is van oordeel dat uit de geschetste gang van zaken blijkt dat het de wens van aangeefster, klager, is geweest dat naar aanleiding van haar aangifte een vervolging zou worden ingesteld. Het Openbaar Ministerie is mitsdien ontvankelijk in de vervolging.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaar, en onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2017 tot en met 1 augustus 2017 te 's-Gravenhage en/of Delft, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, een groot aantal (350) sms-berichten en/of whatsapp-berichten verstuurd aan die [aangeefster] en/of zonder toestemming de woning van die [aangeefster] betreden;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging. Hij heeft [aangeefster] lastiggevallen door haar een groot aantal, steeds bedreigender, sms-berichten te sturen, terwijl zij duidelijk kenbaar maakte daarvan niet gediend te zijn. Hij heeft zodoende inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

29 maart 2018.

Het hof houdt rekening met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft inmiddels een vast contract en hij en aangeefster hebben samen het ouderlijk gezag over hun kind geregeld en samen een omgangsregeling met het kind afgesproken, die zonder problemen wordt nagekomen. Tevens heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat hij heeft ingezien dat hij verkeerd bezig is geweest en dat hij had moeten respecteren dat aangeefster afstand wilde. Op het hof komt deze spijtbetuiging authentiek over.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2015 onder parketnummer 09-820051-14 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat het voorwaardelijk deel van die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er echter geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering, nu verdachte zijn leven op orde heeft en het hof de baan van de verdachte niet op het spel wil zetten door toewijzing van de vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Den Haag van 4 augustus 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2015, parketnummer 09-820051-14, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen met een proeftijd van 2 jaren.

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt,

mr. S. Verheijen en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 mei 2018.