Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1169

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
22-003835-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met ernstig letsel tot gevolg en openlijke geweldpleging tegen een persoon en goederen. Na met een groep vrienden fietsen in het water te hebben gegooid en een mobiel toilet te hebben omgegooid, werden verdachte en zijn vrienden op hun gedrag aangesproken door de aangevers. Zij hebben daarop hun gedrag niet gestaakt, maar geweld gepleegd tegen de aangevers, waarbij het slachtoffer

door verdachte met een bierfles tegen het hoofd is geslagen, ten gevolge waaraan hij blijvend ernstig letsel heeft overgehouden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest. Vorderingen van beide benadeelde partijen zijn toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003835-17

Parketnummer: 10-712009-15

Datum uitspraak: 12 april 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1995,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 29 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest en is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als vermeld in het vonnis waarvan beroep en is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:
hij, op of omstreeks 08 februari 2015 te Hellevoetsluis, op of aan de openbare weg, Kerkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit het (meermalen):

- dicht op en/of om die [benadeelde partij] heen gaan staan en/of (vervolgens) duwen en/of trekken aan die [benadeelde partij] en/of

- slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [benadeelde partij] en/of

- met een bierfles op/tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [benadeelde partij] slaan (waardoor die [benadeelde partij] op de grond is gevallen) en/of (vervolgens) op die [benadeelde partij] gaan zitten,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten een beschadiging aan het hoornvlies van het (rechter)oog en/of een of meer littekens in het gezicht), althans enig lichamelijk letsel voor die [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair:

hij op of omstreeks 8 februari 2015 te Hellevoetsluis [benadeelde partij] heeft mishandeld door

- dicht op en/of om die [benadeelde partij] heen te gaan staan en/of (vervolgens) te duwen en/of te trekken aan die [benadeelde partij] en/of

-hem te slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of

- met een bierfles op/tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [benadeelde partij] te slaan (waardoor die [benadeelde partij] op de grond is gevallen) en/of (vervolgens) op die [benadeelde partij] te gaan zitten,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een beschadiging aan het hoornvlies en/of een of meer littekens in het gezicht ten gevolge heeft gehad;

2:
hij, op of omstreeks 08 februari 2015 te Hellevoetsluis, op of aan de openbare weg, Kerkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit het (meermalen):

- dicht op en/of om die [benadeelde partij 2] heen gaan staan en/of (vervolgens) duwen en/of trekken aan die [benadeelde partij 2] en/of

- slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [benadeelde partij 2] en/of

- met een bierfles op/tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [benadeelde partij 2] slaan,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten zwellingen en/of schrammen in het gezicht en/of een dichtgeslagen oog en/of een kloppend/zwaar gevoel in het oog) voor die [benadeelde partij 2] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair:

hij op 8 februari 2015 te Hellevoetsluis [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door

-dicht op en/of om die [benadeelde partij 2] heen te gaan staan en/of (vervolgens) te duwen en/of trekken aan die [benadeelde partij 2] en/of

- te slaan en/of te stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [benadeelde partij 2] en/of

- met een bierfles op/tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [benadeelde partij 2] te slaan;

3:
hij, op of omstreeks 08 februari 2015 te Hellevoetsluis, op of aan de openbare weg, Kerkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen 5, althans een of meer, fietsen en/of een mobiele toilet, welk geweld bestond uit het in het water gooien van die fietsen en/of omgooien van dat mobiele toilet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsverweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen.

De verdediging is van mening dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [benadeelde partij] met een fles heeft geslagen. De raadsman is voorts van mening dat er met betrekking tot [benadeelde partij 2] geen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de anderen uit zijn groep.

Het hof overweegt als volgt.

[benadeelde partij 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 8 februari 2015 te Hellevoetsluis met zijn neef (het hof begrijpt: [benadeelde partij]), diens vrouw en een vriendin, een groep jongens een Dixie-toilet zag omgooien. Hij heeft er toen op een rustige wijze wat van gezegd, waarna hij op agressieve wijze werd uitgescholden. Eén van de jongens kwam dicht op hem staan en [benadeelde partij 2] heeft toen gezegd dat hij 112 ging bellen. Op dat moment kreeg hij een klap op zijn linkeroog en linkerslaap. Hij zag dat de jongen, in zijn woorden “een kleine blonde gozer”, in zijn rechter hand een bierflesje vasthield. Hij zag daarna zijn neef voorbij vliegen en hij zag dat zijn neef een bierflesje op zijn hoofd kreeg dat uit elkaar spatte. Hij zag daarna dat er allemaal gasten op hem kwamen afgelopen die met hem begonnen te vechten en dat hij opnieuw op zijn hoofd en oog werd geslagen. Hij had daarna zwellingen en schrammen in zijn gezicht en zijn oog was dicht geslagen.

[benadeelde partij] heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn neef en hij een groep jongens aanspraken op het in het water gooien van fietsen en het omgooien van een mobiel toilet en dat de groep heel dicht om hen heen kwam staan. Hij zag dat een klein mannetje met blond haar met zijn rechter arm een klap gaf tegen [benadeelde partij 2] (het hof begrijpt: [benadeelde partij 2]). [benadeelde partij] rende naar de jongen toe die [benadeelde partij 2] had geslagen en drukte met de binnenkant van zijn arm tegen de nek van de blonde jongen om hem zo weg te duwen. Opeens voelde hij een harde klap tegen zijn rechter voorhoofd/slaap. Door de pijn zakte hij door zijn knieën. Daarna zat hij helemaal onder het bloed. Bij de huisartsenpost werden groene glassplinters uit de wond gehaald. Hij heeft zelf een glassplinter uit zijn oog kunnen verwijderen. Een dag later werd er bij de huisartsenpost nog een glassplinter uit zijn oog verwijderd. Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij] verklaard dat hij met een bierfles is geslagen.

In het dossier bevindt zich medische informatie en foto’s van het letsel van beide aangevers.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [benadeelde partij] met een bierflesje op zijn hoofd werd geslagen en dat hij vervolgens helemaal onder het bloed zat.

De getuige [getuige 2] heeft – tegenover de politie - verklaard dat zij op een gewone manier werden aangesproken op het omgooien van de fietsen en het toilet door het andere groepje en dat hij [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) met die mensen heeft zien praten en vervolgens glasgerinkel van een brekend flesje hoorde.

De verdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij net als één van de anderen een fiets in het water gooide en een Dixie omgooide. Zij werden door een groepje aangesproken en hij zag dat [verdachte] en één van die gasten elkaar vastpakten. Vervolgens zag hij dat [verdachte] een bierfles op het hoofd van de gozer met het bruine haar sloeg en dat de bierfles uit elkaar spatte en dat die gozer helemaal onder het bloed zat. [medeverdachte] verklaarde dat het vervolgens escaleerde en vechten geblazen werd tussen zijn groepje en de andere personen en dat hij ook heeft geslagen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in de nacht van 8 februari 2015 te Hellevoetsluis onderweg een fiets in het water gooide en dat hij beide aangevers heeft geslagen. Hij verklaarde dat hij schrok toen hij een klap kreeg en toen met de fles heeft geslagen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte zijn excuses aan de aanwezige [benadeelde partij] aangeboden en verklaard dat hij liever met een plastic flesje had geslagen, opdat de gevolgen dan niet zo ernstig waren geweest.

Het hof stelt voorop dat verdachte noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de aldaar steeds aanwezige aangever [benadeelde partij] niet de persoon is geweest die hij met een bierflesje op het hoofd heeft geslagen, ook niet nadat de raadsman uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld verdachte op dit punt te bevragen.

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep nadrukkelijk zijn excuses voor het gebeurde gemaakt aan [benadeelde partij]. Het verweer wordt derhalve niet gedragen door een verklaring van de verdachte zelf.

Het hof leidt – anders dan de raadsman – uit de afgelegde verklaringen af dat de verdachte eerst [benadeelde partij 2] heeft geslagen en dat [benadeelde partij] vervolgens op de verdachte is afgegaan en met zijn arm probeerde de verdachte van [benadeelde partij 2] weg te duwen en dat hij vervolgens door de verdachte met een bierfles op zijn hoofd is geslagen. Deze gang van zaken vindt bevestiging in beide aangiften. Getuige [getuige 1] verklaart te hebben gezien dat [benadeelde partij] met een bierfles op zijn hoofd werd geslagen. Bij [benadeelde partij] is daarna een glassplinter in zijn oog aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier aanwezig dat er enig ander bierflesje uit elkaar is gespat dan het flesje dat op het hoofd van [benadeelde partij] terecht is gekomen. De redenering op grond waarvan de raadsman van mening is dat niet [benadeelde partij] maar [benadeelde partij 2] met een bierfles is geslagen, acht het hof niet aannemelijk geworden.

[benadeelde partij] heeft door het handelen van de verdachte ernstig letsel opgelopen en hij heeft verklaard dat de littekens blijvend zichtbaar zijn en dat hij een troebele lijn ziet in zijn gezichtsveld die naar verwachting niet meer zal verdwijnen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [benadeelde partij] verklaard dat hij nog een neusoperatie zal moeten ondergaan. Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich ten aanzien van [benadeelde partij] schuldig heeft gemaakt aan mishandeling met ernstig letsel tot gevolg, op de hierna bewezen verklaarde wijze.

Het hof is voorts van oordeel dat op basis van de verklaringen en de medische informatie wettig en overtuigend bewezen kan worden dat openlijk en in vereniging geweld is gepleegd tegen aangever [benadeelde partij 2] door de verdachte en één of meer mededaders. Het hof is van oordeel dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd en de groep getalsmatig heeft versterkt. De verdachte heeft zelf ook verklaard beide aangevers te hebben geslagen. [benadeelde partij 2] is vervolgens nog een keer geslagen vanuit de groep en [medeverdachte] heeft verklaard dat er gevochten is tussen beide groepen en dat hij ook heeft geslagen. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde partij 2], terwijl dat door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

De verdachte heeft het onder 3 tenlastegelegde bekend en ten aanzien van dat feit is geen vrijspraak bepleit, zodat het hof van oordeel is dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
dat hij op of omstreeks 8 februari 2015 te Hellevoetsluis [benadeelde partij] heeft mishandeld door

- dicht op en/of om die [benadeelde partij] heen te gaan staan en/of (vervolgens) te duwen en/of te trekken aan die [benadeelde partij] en/of

- hem te slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of

-met een bierfles op/tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [benadeelde partij] te slaan (waardoor die [benadeelde partij] op de grond is gevallen) en/of (vervolgens) op die [benadeelde partij] te gaan zitten,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een beschadiging aan het hoornvlies en/of een of meer littekens in het gezicht ten gevolge heeft gehad.

2 primair:
hij, op of omstreeks 08 februari 2015 te Hellevoetsluis, op of aan de openbare weg, Kerkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit het (meermalen):

- dicht op en/of om die [benadeelde partij 2] heen gaan staan en/of (vervolgens) duwen en/of trekken aan die [benadeelde partij 2] en/of

- slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [benadeelde partij 2] en/of

- met een bierfles op/tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [benadeelde partij 2] slaan,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel (te weten zwellingen en/of schrammen in het gezicht en/of een dichtgeslagen oog en/of een kloppend/zwaar gevoel in het oog) voor die [benadeelde partij 2] ten gevolge heeft gehad.

3:
hij, op of omstreeks 08 februari 2015 te Hellevoetsluis, op of aan de openbare weg, Kerkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen 5, althans een of meer, fietsen en/of een mobiele toilet, welk geweld bestond uit het in het water gooien van die fietsen en/of het omgooien van dat mobiele toilet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Beroep op noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Op basis van het dossier kan enkel en alleen worden vastgesteld dat de verdachte [benadeelde partij 2] heeft geslagen, terwijl de verdachte een fles in zijn handen had, nadat hij zelf was geslagen, en dat [benadeelde partij] de verdachte toen heeft aangevallen waarop de verdachte heeft gereageerd met een enkele droge klap.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het dossier stelt het hof vast dat [benadeelde partij] reageerde op een wederrechtelijke aanranding van zijn neef [benadeelde partij 2], die door de verdachte werd geslagen. [benadeelde partij] heeft toen de verdachte een duw gegeven om hem weg te krijgen van zijn neef. Het hof is van oordeel dat die duw, die de verdachte kennelijk als een klap ervaren heeft, onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was en dat er derhalve geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [benadeelde partij]. Het hof acht voorts niet aannemelijk dat de verdachte eerst door [benadeelde partij 2] werd geslagen. Reeds om die reden wordt het beroep op noodweer verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met ernstig letsel tot gevolg en openlijke geweldpleging tegen een persoon en goederen, zoals bewezenverklaard. Na met een groep vrienden fietsen in het water te hebben gegooid en een mobiel toilet te hebben omgegooid, werden verdachte en zijn vrienden op hun gedrag aangesproken door de aangevers. Zij hebben daarop hun gedrag niet gestaakt, maar geweld gepleegd tegen de aangevers, waarbij het slachtoffer [benadeelde partij] door verdachte met een bierfles tegen het hoofd is geslagen, ten gevolge waaraan hij blijvend ernstig letsel heeft overgehouden en nog steeds de psychische gevolgen daarvan ondervindt. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die [benadeelde partij] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.

Daarnaast is [benadeelde partij 2] slachtoffer geworden van het geweld en heeft hij daardoor letsel opgelopen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het hof acht het verwerpelijk dat burgers die anderen aanspreken op laakbaar gedrag dit moeten bekopen met tegen hen gericht gewelddadig gedrag en lichamelijk letsel. In zoverre vormt de zaak een voorbeeld van zinloos geweld. De verdachte heeft zich voorts samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen.

Het hof rekent dit gedrag de verdachte ernstig aan. Feiten als de onderhavige versterken in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat.

Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders er tevens blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans bezittingen en de rechthebbende(n) overlast bezorgd. Bovendien hebben zij door hun handelwijze inbreuk gemaakt op de openbare orde.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij deze stand van zaken en gelet op de duur van gevangenisstraffen die het hof in vergelijkbare gevallen pleegt op te leggen, doet de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht aan de aard en ernst van de gepleegde feiten. Het hof zal derhalve – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Redelijke termijn van berechting

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat tijdens de berechting in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).

Het hof stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM, nu de zaak tijdens de berechting in eerste aanleg niet binnen twee jaar is afgedaan, maar dat voorts de zaak in hoger beroep wel voortvarend is afgedaan. Het hof is van oordeel dat met deze vaststelling kan worden volstaan.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.705,81.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 5.559,91, overeenkomstig de nader toegezonden stukken van de raadsvrouw van de benadeelde partij, bij het hof binnengekomen op 22 maart 2018.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.559,91 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.530,95.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 1.530,95.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.530,95 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.559,91 (vijfduizend vijfhonderdnegenenvijftig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 3.059,91 (drieduizend negenenvijftig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 februari 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.559,91 (vijfduizend vijfhonderdnegenenvijftig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 3.059,91 (drieduizend negenenvijftig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 februari 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.530,95 (duizend vijfhonderddertig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 930,95 (negenhonderddertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 februari 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.530,95 (duizend vijfhonderddertig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 930,95 (negenhonderddertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 februari 2015.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. K. Kiela.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 april 2018.