Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1168

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
22-003432-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding. De ontuchtige handelingen vonden plaats in het bedrijf van de verdachte waar het slachtoffer als schoonmaakster werkzaam was.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts veroordeelt het hof de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003432-17

Parketnummer: 10-702065-16

Datum uitspraak: 18 april 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1961,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 4 april 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 augustus 2015 te Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het (meermalen)

- betasten van en/of strelen over haar rug en/of

- plaatsen en/of duwen van zijn onderlichaam/schaam-streek/penis tegen haar onderlichaam/schaamstreek,

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (meermalen) (onverhoeds)

- vastpakken van haar arm(en) en/of schouder(s) en/of

- vastpakken van en/of duwen tegen en/of trekken aan haar lichaam (waardoor zij tegen een muur te staan en/of

- ( vervolgens) plaatsen van zijn arm(en) tegen een muur, aan weerskanten van haar (waardoor zij niet weg kon) en/of

- plaatsen en/of duwen van zijn onderlichaam/schaamstreek tegen haar onderlichaam/schaamstreek en/of

- maken van misbruik van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 25 augustus 2015 te Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het (meermalen)

- betasten van en/of strelen over haar rug en/of

- plaatsen en/of duwen van zijn onderlichaam/schaam-streek/penis tegen haar onderlichaam/schaamstreek,

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (meermalen) (onverhoeds)

- vastpakken van haar arm(en) en/of schouder(s) en/of

- vastpakken van en/of duwen tegen en/of trekken aan haar lichaam (waardoor zij tegen een muur kwam te staan en/of

- (vervolgens) plaatsen van zijn arm(en) tegen een muur, aan weerskanten van haar (waardoor zij niet weg kon) en/of

- plaatsen en/of duwen van zijn onderlichaam/schaamstreek tegen haar onderlichaam/schaamstreek en/of

- maken van misbruik van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep –overeenkomstig de overgelegde pleitnotities- op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, nu de verklaringen van de aangeefster niet ondersteund worden met objectieve bewijsmiddelen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verklaringen van aangeefster vinden bevestiging in andere bewijsmiddelen. De moeder en zuster van aangeefster hebben verklaard dat aangeefster direct na het incident haar moeder heeft gebeld en vervolgens naar het huis van moeder is gegaan, waar ook haar zus aanwezig was. Blijkens de verklaringen van haar moeder en zuster huilde ze en was ze geschrokken. Diezelfde avond heeft ze ook haar baas gebeld en hem van het gebeuren in kennis gesteld. Niet aannemelijk is dat aangeefster zich zo zou hebben gedragen als niet méér was voorgevallen dan dat verdachte uit belangstelling voor haar gezondheid zijn arm om haar schouder had geslagen, zoals hij zelf heeft verklaard.

Verder heeft op 26 augustus 2015, daags na het gebeuren, naar aanleiding daarvan een gesprek plaatsgevonden tussen aangeefster, haar zus [zus] en de verdachte.

Dat gesprek is opgenomen. Een weergave daarvan is uitgewerkt en bevindt zich in het dossier. Het geluids-fragment is ook op de zitting in hoger beroep afgespeeld. In het bijzonder de excuses die de verdachte blijkens die opname direct en bij herhaling aan aangeefster aanbiedt naar aanleiding van hetgeen daags daarvoor had plaats-gevonden stroken naar het oordeel van het hof volstrekt niet met zijn verklaring dat hij niet méér had gedaan dan zijn arm om haar schouders te slaan, en passen veeleer bij een kennelijk gevoelde noodzaak zich te veront-schuldigen voor gedrag zoals hem dat is ten laste gelegd.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan aanranding. De ontuchtige handelingen vonden plaats in het bedrijf van de verdachte waar het slachtoffer als schoonmaakster werkzaam was.

Door aldus te handelen heeft de verdachte zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de seksuele integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. De verdachte heeft hierdoor een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat bij slachtoffers van zedenmisdrijven gedurende lange tijd gevoelens van onrust en onveiligheid kunnen blijven bestaan.

Het hof heeft bij de op te leggen straffen rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Anderzijds neemt het hof het de verdachte kwalijk dat hij aangeefster niet als slachtoffer heeft erkend en op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen.

Het slachtoffer mocht immers vertrouwen op een veilige werkomgeving, maar de verdachte heeft hier op grove

wijze inbreuk op gemaakt. In zijn functie als directeur van het bedrijf waar zij –in dienst van een schoonmaak-bedrijf- werkte was hij de eerst aangewezene om die veiligheid te waarborgen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.067,49.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.067,49.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250,- ter zake van immateriële schade, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 750,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 750,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 augustus 2015.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[aangeefster], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 augustus 2015.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. M.J.J. van den Honert en mr. Th.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 april 2018.