Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1157

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
200.202.539-01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatig strafvorderlijk beslag en vernietiging? Begaclaim-jurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.202.539/01

Zaak-/rolnummer : C/09/481524 / HA ZA 15-105

Arrest van 29 mei 2018

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:


SENSI SEED B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
appellante in het principaal appel,
verweerster in het voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna: Sensi Seed,
advocaat: mr. J.G.M. de Koning te Amsterdam,

tegen:

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelende te Den Haag,
geïntimeerde in het principaal appel,
appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.


Het geding

Bij exploot van 9 september 2016 is Sensi Seed in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 15 juni 2016. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Sensi Seed vijf grieven aangevoerd. (De vijfde grief is per abuis ook grief 4 genoemd. Het hof zal ten aanzien van laatstbedoelde grief verder over grief 5 spreken). De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden en van zijn kant voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. De Staat heeft daarbij een grief aangevoerd. Sensi Seed heeft hiertegen verweer gevoerd bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel. Vervolgens hebben partijen hun zaak mondeling bepleit op 12 april 2018. Daarna is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

  1. De door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis van 15 juni 2016 vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

  2. Het gaat in deze zaak om de volgende feiten.
    (2.1) Sensi Seed is exploitant van een aantal winkels dat onder meer hennepzaden verkoopt aan particulieren. Sensi Seed maakt deel uit van een groter concern, waarbinnen onder meer een cannabisplantencollectie wordt beheerd en een Marihuana Museum wordt geëxploiteerd. In het verleden hield Sensi Seed zich ook bezig met het telen van hennep. De heer [de bestuurder] (hierna: [de bestuurder] ) is bestuurder van Sensi Seed.
    (2.2) Op 31 augustus 1995 is de politie volgens een door haar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 1995 binnengetreden “ter controle op eventuele overtredingen van de Opiumwet” in de kas op de [adres 1] , welke kas aan Sensi Seed en/of aan een van haar zustervennootschappen toebehoorde. In de kas trof de politie hennepplanten aan. De heer [naam 1] , aldaar aanwezig, verklaarde “dat zijn baas hennepplanten kweekte ter verkrijging van zaad.” Voorts verklaarde [naam 1] “dat de oogst volgens hem verwacht (werd) over 2,5 a 3 maanden”.
    (2.3) Op 2 en 3 oktober 1995 heeft er onder leiding van de rechter-commissaris in strafzaken, verbonden aan de rechtbank Den Haag, een huiszoeking (thans: doorzoeking) plaatsgevonden bij Sensi Seed, althans bij een (van haar) zustervennootschap(pen). Daarbij zijn de kassen aan de [adres 2] en [adres 1] doorzocht. In de kassen zijn hennepplanten aangetroffen.
    (2.4) Hennepteelt bedoeld voor de winning van zaad uit hennepplanten was ten tijde van het strafrechtelijk onderzoek waarbinnen ook de huiszoeking plaatsvond, niet strafbaar, ingevolge het Besluit van 18 oktober 1976 (Stb. 1976,509). Voor teelt met dat doel gold een ontheffing.
    (2.5) Het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris onder wiens leiding genoemde huiszoeking plaatsvond, vermeldt, voor zover relevant:
    Op 2 en 3 oktober 1995 heeft in twee warenhuizen, een groot en een klein warenhuis, gelegen aan het adres [adres 2] en [adres 1] huiszoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden (…), naar aanleiding van een mondelinge vordering van de officier van justitie, onder meer behelzende de mededeling dat gebleken is dat op genoemde adressen hennepplanten worden geteeld die oogstrijp zijn en dat (onbevoegde) derden op het punt staan deze planten te oogsten.
    (…)
    Tijdens de huiszoeking heeft de verdachte (hof: [naam 2] ) zich bekend gemaakt als de teler en de eigenaar van de planten. Hij heeft verklaard dat hij zich met het telen van hennep niet schuldig maakt aan een strafbaar feit omdat het hem om het zaad te doen is. Zijn doel is het winnen van zaad.
    De Politie-materiedeskundige, [de politie-materiedeskundige] , is tot de conclusie gekomen dat de teelt van de hennep niet kennelijk bestemd is voor de winning van zaad. Hij baseert dit onder meer op het aantal mannelijke planten dat te klein is in verhouding tot het aantal vrouwelijke planten, hoewel zij over het hoogtepunt van de bloei zijn, nauwelijks tot geen zaad bevatten en dat andere planten eveneens zeer weinig zaad bevatten. Volgens de materie-deskundige wordt de hennep gekweekt voor de productie van THC, een stof die in overvloed aanwezig is in de planten en die bestemd is om als drug geconsumeerd te worden. Van de bevindingen van de politiedeskundige wordt apart proces-verbaal opgemaakt.
    De rechter-commissaris heeft een onafhankelijke deskundige aangezocht die evenwel niet kon worden geraadpleegd omdat hij volgens zijn verklaring bang was voor represailles.
    Van de in de warenhuizen aanwezige planten zijn ten behoeve van het onderzoek diverse monsters inbeslaggenomen.
    Op 6 oktober 1995 is een brief binnengekomen van de verdachte, onder meer gericht aan de rechter-commissaris, waarin de verdachte meedeelt de hennepplanten op korte termijn uit de warenhuizen te zullen verwijderen. Deze brief is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht.
    De rechter-commissaris is vervolgens bijgestaan door de griffier op 9 oktober 1995, vergezeld van twee hieronder vermelde onafhankelijke deskundigen, met toestemming en in aanwezigheid van voornoemde verdachte, overgegaan tot een schouw in genoemde warenhuizen. (…)
    Alvorens hun werkzaamheden aan te vangen hebben de deskundigen ten overstaan van de rechter-commissaris opgegeven te zijn genaamd:
    [de onderzoeker 1] , oud 57 jaar, van beroep landbouw-wetenschapper, met name onderzoeker in plantenveredeling en hoofd sectie industriële gewassen - thans voor een periode van ongeveer anderhalf jaar onderzoeker van hennepplanten
    en
    [de onderzoeker 2] ,oud 55 jaar, hoofd assistent onderzoeker in plantenveredeling en sinds 1989 henneponderzoeker.(…)
    De rechter-commissaris heeft genoemde deskundigen mondeling als zodanig benoemd ten einde haar voor te lichten over de in de genoemde warenhuizen aanwezige hennepplanten.
    De deskundigen hebben in de handen van de rechter-commissaris de belofte afgelegd, dat zij hun taak als deskundigen naar behoren zullen vervullen.
    De rechter-commissaris heeft, vergezeld van de deskundigen en in aanwezigheid van de verdachte, beide warenhuizen bezichtigd en is met hen langs alle aanwezige planten gelopen.
    In het grote warenhuis waren de planten die bij gelegenheid van de eerdergenoemde huiszoeking op 2 en 3 oktober nog aanwezig waren onder de kappen 15 tot en met 19 verwijderd. In de kappen 20 tot en met 36, met uitzondering van 28 en 29 van het grote warenhuis waren de hennepplanten afgesneden en lagen op de grond.
    De deskundigen hebben het volgende verklaard: De hennepplanten zijn niet of nauwelijks zaaddragend. Voor een belangrijk deel van de planten is de bloeiperiode voorbij, zodat zij niet meer in staat zijn om stuifmeel te ontvangen ten behoeve van zaadproductie. Indien geteeld wordt voor zaadwinning, worden de planten bestoven in de hoofdbloeiperiode, hetgeen hier kennelijk niet is gebeurd.(….) Het aantal in de warenhuizen aangetroffen mannelijke planten in verhouding tot het aantal vrouwelijke planten is te klein om te kunnen stellen dat de hennep klaarblijkelijk bestemd is voor de winning van zaad. De aangetroffen mannelijke planten staan niet, zoals te verwachten zou zijn bij professionele zaadteelt, gemengd tussen de vrouwelijke planten, maar apart in potten bijeen.(…)
    Het in het grote warenhuis aangetroffen aantal vrouwelijke hennepplanten bedraagt 9058. Het aantal mannelijke planten bedraagt 32. Van de 32 mannelijke planten zijn er 10 dood. Het aantal in het kleine warenhuis aangetroffen vrouwelijke hennepplanten bedraagt 3730. Het aantal mannelijke planten daarvan bedraagt volgens de materie-deskundige [de politie-materiedeskundige] 11 en volgens verdachte [naam 2] 10. Dat het niet waarschijnlijk is, dat, zoals men doet wanneer men zaad wil winnen, de hennepplanten doelgericht bestoven worden, kan ook worden afgeleid uit de staat van de bloemen. De bloemen van de planten zijn niet “gezet’. Anders gezegd: er zitten vele bloemen aan de planten, maar deze bevatten slechts hier en daar een zaadkorrel. (…) De hennepplanten zoals aangetroffen (van een type met een hoofdstengel en vijf zijstengels) kunnen, mits getopt, gemakkelijk 5000 zaden bevatten. De aangetroffen planten zijn getopt. Van de planten die zaad bevatten, bevatte de plant met het meeste zaad (steeksproefsgewijs vastgesteld) hooguit honderd zaden per plant. In het grote warenhuis aangetroffen planten bevatten geen zaad. In het grote warenhuis staan hennepplanten van een type hennep dat niet erg geschikt is voor zaadwinning (…)
    De verdachte heeft (…) het volgende aangevoerd:
    Na de huiszoeking op 2 en 3 oktober 1995 heb ik een deel van de planten in het grote warenhuis afgesneden en afgevoerd. (…) Ik ben namelijk voornemens om alle planten uit de twee warenhuizen te verwijderen. Sedert de huiszoeking heb ik geen mannelijke planten verwijderd. Wanneer in een deel van de planten weinig tot geen zaad is aangetroffen, kan dat komen doordat de planten nog niet volgroeid zijn.
    De deskundigen hebben hierop als volgt gereageerd:
    (…) Het kleine aantal mannelijke planten tegenover het grote aantal vrouwelijke planten, kan onmogelijk leiden tot een redelijke zaadproductie. De gebruikte methode is in dit geval niet geschikt te achten voor het winnen van zaad. De deskundigen hebben tenslotte verklaard dat hun bevindingen zoals vermeld niet passen bij het telen van hennep ten behoeve van zaadwinning. Dat hier en daar zaad is aangetroffen staat deze conclusie niet in de weg.
    De rechter-commissaris maakt de conclusie van de deskundigen tot de hare. Zij wijst het verweer van de verdachte dat hij zich met het telen van hennep niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit omdat het hem om het zaad te doen is, af. Zij concludeert dat geen sprake is van hennepteelt die kennelijk bestemd is voor de winning van zaad. Daarbij wordt ook nog in aanmerking genomen dat de verdachte de hennepplanten, hoewel naar zijn eigen zeggen gedeeltelijk nog onvolgroeid en dus zonder zaad, wilde rooien. Deze omstandigheid draagt niet bij tot ondersteuning van de stelling van verdachte.
    De rechter-commissaris gaat over tot inbeslagneming van de hennepplanten.
    (…).
    (2.6) De hiervoor genoemde brief van 6 oktober 1995, afkomstig van de heren [de bestuurder] en [naam 2] voormeld, houdt onder meer in:
    “(…) Wij zijn woensdag 4 oktober begonnen de planten, die staan in perceel [adres 1] , om te kappen. Deze planten worden vanaf maandag 9 oktober afgevoerd volgens de normale bedrijfsstructuur naar ons bedrijf aan de [adres 3] . (….) Wij streven ernaar vrijdag 13 oktober alle planten ontruimd te hebben, uit percelen [adres 1] en [adres 2] , zodat het gevaar van eventuele gewelddadige overvallen niet meer aanwezig is.(…)”


(2.7) Op 10 oktober 1995 zijn de hennepplanten in opdracht van de officier van justitie vernietigd. Voorafgaand aan de verwijdering en de vernietiging van de hennepplanten heeft [naam 2] , volgens het relaas van onderzoek van de politie Haaglanden “selectief (…) monsters getrokken”.

(2.8) [de bestuurder] is door het Openbaar Ministerie gedagvaard om op 13 december 1996 als verdachte te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag. Ter zitting op 13 en 31 december 1996 zijn onder meer eerdergenoemde [de politie-materiedeskundige] en [de onderzoeker 1] als getuige-deskundigen gehoord over de hennepteelt, alsmede de deskundige [de deskundige 1] (hierna: [de deskundige 1] ), van wie op initiatief van [de bestuurder] ook een deskundige-rapportage was ingebracht.

(2.9) Bij vonnis van 14 januari 1997 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag bewezenverklaard i) dat Sensi Seed en zustervennootschappen in de periode 1 juli 1995 tot en met 9 oktober 1995 te [plaats] opzettelijk meer dan 30 gram hennep aanwezig hebben gehad, aan welk strafbaar feit [de bestuurder] feitelijk leiding heeft gegeven en ii) dat [de bestuurder] in genoemde periode te [plaats] opzettelijk meer dan 30 gram hennep aanwezig hebben gehad. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat “uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de hennepplanten kennelijk bestemd waren voor de winning van zaad”, als gevolg waarvan het bewezenverklaarde volgens de wet geen strafbaar feit opleverde. [de bestuurder] is daarop ontslagen van alle rechtsvervolging.

(2.10) Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 28 januari 1998 dezelfde feiten bewezenverklaard als de rechtbank en [de bestuurder] eveneens ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij heeft het gerechtshof voor zover relevant, overwogen:
Het hof is van oordeel dat het onderhavige dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat er geen sprake is geweest van het kennelijk kweken van hennepplanten voor de zaadwinning. De voor verdachte belastende deskundigenrapporten, onder andere van [de politie-materiedeskundige] en [de onderzoeker 1] worden op essentiële gegevens weersproken door het deskundigerapport van [de deskundige 1] , zodat deze rapporten niet van doorslaggevende betekenis kunnen zijn. (…) Het hof is op grond van dit alles van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting (…), aannemelijk is geworden dat de hennepplanten kennelijk bestemd zijn voor de winning van zaad.
Voorts heeft het gerechtshof eveneens een in hoger beroep aan de tenlastelegging toegevoegd subsidiair feit (overtreding van artikel 87 Zaaizaad en Plantgoedwet 1966 (hierna: ZPW) bewezenverklaard, dat luidt dat [de bestuurder] opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan het feit dat “ (…) Sensi Seed (…) in de periode van 1 juli 1995 tot en met 9 oktober 1995 te [plaats] (…) teeltmateriaal (hennepplanten) bedrijfsmatig heeft voortgebracht of bewaard of bewerkt, anders dan voor gebruik in eigen bedrijf, terwijl hij niet was aangesloten bij de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen, gevestigd te Ede (NAK).
Het gerechtshof heeft [de bestuurder] voor dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er volgens het Gerechtshof geen sprake was van een gewas als bedoeld in het Aanstellingsbesluit Nederlandse Algemene Keuringsdienst en het feit daarom niet strafbaar is. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.

(2.11) [de bestuurder] heeft voorts bij het gerechtshof ‘s-Gravenhage een verzoek ingediend tot vergoeding van door hem in verband met de strafzaak gemaakte kosten en geleden schade als bedoeld in de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het gerechtshof heeft bij beschikking van 23 september 1998
fl. 35.327,03 aan [de bestuurder] toegekend.

(2.12) Daarnaast heeft Sensi Seed bij het gerechtshof ‘s-Gravenhage een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend, waarbij door haar is verzocht om teruggave van de hennepplanten. Bij beschikking van 14 oktober 1998 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage geoordeeld: “Het hof is van oordeel dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en dat een last tot teruggave van het beslag aan de rechthebbende, zijnde klaagster, dient te worden gegeven.” Het gerechtshof heeft de bewaarder vervolgens de teruggave gelast van de hennepplanten, “althans uitbetaling aan Sensi Seed van de prijs als bedoeld in artikel 119 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.” De beschikking is niet nader gemotiveerd. Tegen deze beschikking is geen beroep in cassatie ingesteld.

(2.13) Namens Sensi Seed heeft mr. R.P.L.H. Burger , toenmalig advocaat van Sensi Seed, zich op 29 oktober 1999 per brief tot de Staat gericht met het volgende verzoek: “(…)
Middels bijgaande onherroepelijke beschikking d.d. 14 oktober 1998 heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage het namens cliënte (…) ingediende beklag gegrond verklaard (…).
Middels bijgaande brief d.d. 12 mei 1998 heeft de Advocaat-Generaal bij voormeld Gerechtshof aangegeven dat de planten zijn vernietigd. Teruggave is dus uitgesloten. Dusdoende heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens cliënte. De Staat is daarvoor aansprakelijk. (…) Cliënte dient thans schadeloos te worden gesteld.(…)

(2.14) Vervolgens hebben Sensi Seed en de Staat, in het bijzonder het College van procureurs-generaal als onderdeel van het Openbaar Ministerie, met tussenpozen gecorrespondeerd over de aansprakelijkstelling van de Staat en bijbehorende financiële afwikkeling. Op 14 januari 2005 heeft het College van procureurs-generaal schriftelijk het volgende aan Sensi Seed meegedeeld:
“In vervolg op zijn brief van 13 augustus 2004 (…) bericht het College u als volgt. Bij brief van 29 oktober 1999 heeft u namens uw cliënte, Sensi Seeds BV, de Staat aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van de Staat, bestaande in het vernietigen van in beslag genomen hennepplanten, terwijl het Gerechtshof had bepaald dat deze aan uw cliënte moesten worden teruggegeven. Bij brief van 30 december 2003 heeft u, mede aan de hand van een door [de deskundige 1] , verbonden aan de Universiteit van Wageningen, opgesteld rapport, het schadebedrag onderbouwd. U geeft aan dat uw cliënte de in beslag genomen planten ten behoeve van de zaadwinning teelde. Indien de planten tot volle wasdom zouden zijn gekomen, zouden deze planten een bepaalde hoeveelheid zaden hebben voortgebracht. Volgens [de deskundige 1] is een waarschijnlijke opbrengst van 818 zaden per plant reëel. De vervangingswaarde is in dit geval naar uw mening geen reële maatstaf, aangezien de zaden voor uw cliënte onvervangbaar waren. U stelt dat moet worden uitgegaan van de verkoopwaarde van de zaden die de planten zouden hebben opgebracht, door u begroot op f 86.263.723,75. Dit bedrag dient in redelijkheid te worden verminderd met de kosten die zouden zijn gemaakt voor de verzorging van de planten tot de oogst. Door HB&G registeraccountants BV is becijferd dat deze kosten
€ 77.700,00 zouden bedragen. Uw cliënte zou bereid zijn genoegen te nemen met
f 87.000.000,00 (€ 39.478.870,00), inclusief rente en kosten.
In oktober 1995 is onder uw cliënte een grote hoeveelheid hennepplanten in beslag genomen. Het gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest van 28 januari 1993 de directeur van uw cliënte ter zake van overtreding van de Opiumwet ontslagen van alle rechtsvervolging. Vast staat dat het Gerechtshof bij beschikking van 15 oktober 1998 de teruggave aan uw cliënte heeft gelast van 12.794 vrouwelijke hennepplanten, vijf toppen van vrouwelijke hennepplanten en 43 mannelijke hennepplanten, althans de uitbetaling aan haar van de prijs als bedoeld in artikel 119, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv). Tevens staat vast dat deze (toppen van) planten reeds kort na inbeslagname ervan zijn vernietigd.
Uw mening dat niet mag worden uitgegaan van de vervangingswaarde deelt het College niet. Daartoe is redengevend de expliciete verwijzing van het Gerechtshof naar artikel 119, tweede lid, Sv. Die beslissing van het Gerechtshof vooronderstelt dat de inbeslagneming en de vernietiging van de hennepplanten op rechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Ook overigens is niet gebleken dat de inbeslagneming en vernietiging niet overeenkomstig de toepasselijke (wettelijke) voorschriften zouden hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het College is er dan ook geen grondslag voor volledige schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Overigens strookt uw stelling dat de zaden voor uw cliënt onvervangbaar waren niet met uw mededeling dat uw cliënte zelfs zaad heeft moeten inkopen om aan de vraag te kunnen voldoen.
Volgens artikel 119, tweede lid, Sv moet de bewaarder, indien hij niet aan de last tot teruggave kan voldoen, overgaan tot uitbetaling van de prijs ‘die het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht.’
Nu in dit geval de (toppen van de) hennepplanten niet zijn verkocht, zal worden overgegaan tot uitbetaling van de prijs die de planten op het moment van inbeslagname redelijkerwijze zouden hebben opgebracht. Met betrekking tot die waarde is van belang dat de inbeslaggenomen hennepplanten zijn opgekweekt uit hennepstekken. Uit productie 4 van uw brief van 30 december 2003 blijkt dat de stekken een waarde vertegenwoordigden van f 5,00 (€ 2,269) per stuk. Van opgekweekte hennepplanten is daarentegen geen marktwaarde bekend. Zij kunnen een economische waarde vertegenwoordigen met het oog op het daarin gevormde zaad. Voorzover er al van zou moeten worden uitgegaan dat er bij de inbeslaggenomen planten sprake was van enige zaadvorming, is onduidelijk gebleven wat de graad (aard en omvang) van die zaadvorming is geweest. Daarnaast kunnen de planten rookbare hennep opleveren, maar daarvoor bestaat voor dergelijke hoeveelheden geen legale markt.
Op grond van het voorgaande is het College van oordeel dat de waarde van de stekken een redelijke grondslag vormt voor de vergoeding van de inbeslaggenomen (toppen van) hennepplanten. Inbeslaggenomen zijn 12.837 planten en vijf toppen. Indien deze toppen als planten worden meegeteld, betekent dat een vergoeding van 12.842 maal f 5,00 is
f 64.210,00 (€ 29.137,23). Bijgaand treft u een verklaring van finale kwijting aan. Na ontvangst van deze door uw cliënte ingevulde en ondertekende verklaring zal door de Directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Justitie een bedrag van
€ 29.137,23, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 oktober 1998, worden overgemaakt op een door uw cliënte aan te geven rekening.(…).”

(2.15) Sensi Seed heeft in reactie op het door de Staat ter beschikking gestelde bedrag aan de Staat bericht dat zij het met de hoogte van het bedrag niet eens is. Op 18 december 2014 is Sensi Seed tot dagvaarding van de Staat overgegaan.
De vorderingen van Sensi Seed en de beslissing van de rechtbank

3. Sensi Seed heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank de Staat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt
i) tot betaling van schadevergoeding van primair € 39.144.771,20, subsidiair
€ 8.190.478,32, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 oktober 1995, dan wel vanaf 14 oktober 1998, tot aan de dag der algehele voldoening;
ii) tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig het Rapport Voorwerk II ten bedrage van € 5.500 excl. BTW, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
iii) tot betaling van de proceskosten en nakosten.

4. Sensi Seed heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, primair op grond van de zogeheten “Begaclaim-gronden” en subsidiair omdat de Staat niet tot uitbetaling is overgegaan van het bedrag dat hij uit hoofde van artikel 119 lid 2 Sv aan Sensi Seed dient te vergoeden.

5. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen en daartoe, kort samengevat (het hof gaat hier later voor zover nodig nader op in), het volgende overwogen:
(I) Het beroep op primaire grondslag, de Begaclaimjurisprudentie, faalt.
Er is geen sprake van het van aanvang af ontbreken van een rechtvaardiging voor het optreden van politie en justitie (de zogenaamde a-grond). Evenmin doet het geval zich voor dat uit de strafuitspraak of het strafdossier van de onschuld van verdachte blijkt en van het ongefundeerd zijn van de oorspronkelijke verdenking van politie en justitie (de zogenaamde b-grond).
(II) De stelling van Sensi Seed dat de Staat heeft niet voldaan aan de door het hof ex artikel 119 lid 2 Sv gegeven last (als genoemd in rechtsoverweging 2.12 van dit arrest) wordt verworpen, en wel op grond van het volgende:
(a) Nu teruggave niet mogelijk is moet de prijs worden bepaald die de hennepplanten bij verkoop redelijkerwijs zouden hebben opgebracht.
(b) Artikel 119 lid 2 Sv verplicht niet de beslagene in de toestand te brengen waarin hij zou hebben verkeerd als de inbeslagname niet was doorgegaan.
(c) Anders dan Sensi Seed meent, kan de redelijke prijs van de inbeslaggenomen hennepplanten niet worden bepaald aan de hand van hetgeen (de zaden van) die planten zouden hebben opgebracht wanneer zij niet in beslag zouden zijn genomen.
(d) Het gaat dus om de prijs van de gerooide hennepplanten.
(e) De gerooide planten waren, voor zover nog niet bevrucht niet-zaaddragend. De wel-bevruchte planten waren mogelijk deels zaaddragend, deels niet-zaaddragend. Sensi Seed heeft ter comparitie verklaard dat de planten prematuur zijn gerooid en de zaden door de premature rooi onbruikbaar zijn geworden. Dit sluit ook aan bij het rapport van [de deskundige 1] , de deskundige van Sensi Seed.
(f) In het fictieve geval dat Sensi Seed de gerooide hennepplanten zou hebben teruggekregen, zouden deze planten, gelet op het groeistadium, geen hennepzaden hebben bevat die geschikt waren voor de verkoop.
(g) Reeds hierom klopt de berekening van Sensi Seed niet, omdat in deze berekening wordt uitgegaan van verkoopbare zaden.
(h) De Staat heeft niet onrechtmatig gehandeld door niet méér te bieden dan de stekprijs (resulterend in een bedrag van € 29.137,23), zoals de Staat heeft gedaan. Van onrechtmatig handelen van de Staat is dan ook geen sprake.
(i) In het midden kan blijven of het primaire verweer van de Staat opgaat. Dit verweer houdt in dat verkoop van zaaigoed op grond van de ZPW strafbaar is zodat de bewaarder nooit tot verkoop van zaaigoed had kunnen overgaan en de prijs dus nihil zou zijn geweest.
De grieven van Sensi Seed in het principaal appel en van de Staat in voorwaardelijk incidenteel appel

6. Met de grieven 1 tot en met 4, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, klaagt Sensi Seed over de afwijzing van de vordering op de primaire grondslag, de zogenaamde ‘Begaclaimjurisprudentie’. Grief 5 betreft de afwijzing van de vordering op de subsidiaire grondslag.

7. De Staat klaagt in voorwaardelijk incidenteel appel – onder de voorwaarde dat het hof zal oordelen dat de planten ten tijde van de inbeslagneming zaad bevatten dat geschikt was voor de verkoop – over het oordeel van de rechtbank zoals hiervoor in rechtsoverweging 5(i) kort weergegeven. Volgens de Staat heeft hij belang bij beoordeling van dit verweer wanneer het hof zou oordelen dat de planten ten tijde van de inbeslagneming zaad bevatten dat geschikt is voor de verkoop.
Beoordeling van de grieven van Sensi Seed
De primaire grondslag van de vordering van Sensi Seed

8. Ten aanzien van het beroep op de Begaclaimjurisprudentie oordeelt het hof als volgt.
Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006: AV6956), die nog steeds opgeld doet, zoals hierna nog zal worden besproken, bestaan voor de gewezen verdachte, kort samengevat, twee mogelijkheden tot schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie op de voet van onrechtmatige overheidsdaad. In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv heeft ontbroken (de zogenaamde a-grond). In de tweede plaats kan zich, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte (de zogenaamde b-grond).
De a-grond

9. Omtrent deze grond wordt als volgt geoordeeld.
In dit geval heeft de rechtbank het verweer van Sensi Seed, kort gezegd inhoudende dat een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden (de inbeslagname) ontbrak, verworpen. Sensi Seed klaagt hierover en betoogt dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit – het ging immers om de niet-strafbare kweek van hennepzaden –, als gevolg waarvan de inbeslagneming van de planten op 9 oktober 1995 en in het verlengde daarvan de vernietiging van die planten op 10 oktober 1995 onrechtmatig was. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen toetsing hiervan door de civiele rechter, nu de rechtmatigheid van het beslag in beginsel is gegeven met de beslissing van de rechter-commissaris tot inbeslagneming (rechtsoverweging 4.11 vonnis).

10. Het hof verenigt zich met deze overweging en neemt die over. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat alleen de rechter-commissaris zich hierover een oordeel heeft gevormd. De strafrechter wordt immers geacht beter toegerust te zijn ter beantwoording van de betreffende vraag dan de civiele rechter. Evenmin wordt dit anders door het beroep van Sensi Seed op de jurisprudentie omtrent vormverzuimen, waaronder Sensi Seed ook het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld verstaat. De door Sensi Seed genoemde jurisprudentie (NJ 2004,376) heeft geen betrekking op een geval als hier aan de orde.

11. Ook onderschrijft het hof rechtsoverweging 4.12 in het vonnis, die als strekking heeft dat niet van aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv heeft ontbroken. Het beroep op de a-grond is terecht verworpen.

De b-grond

12. Omtrent de b-grond wordt als volgt overwogen.
Het hof stelt het volgende voorop, dit naar aanleiding de klacht van Sensi Seed (26 memorie van grieven) dat de rechtbank heeft miskend dat de HR ter rechtvaardiging van een restrictieve uitleg van de Begaclaim-criteria (ECLI:NL:HR:2006: AV6956,
r.o. 3.6.4) vooruitliep op een algemene schadevergoedingsregeling in Sv, die evenwel nog steeds niet tot stand is gekomen. Volgens Sensi Seed is hiermee het belangrijkste argument voor restrictieve interpretatie vervallen, hetgeen ondertussen tot onaanvaardbare gevolgen leidt.

12. Met deze stelling miskent Sensi Seed dat bedoeld argument van de HR (in r.o 3.6.4 van voormeld arrest) slechts nevenschikkend van aard is geweest. Dit blijkt niet alleen uit de aanhef ervan “Ten slotte”, maar met name uit hetgeen eerder in dit arrest is overwogen [onderstreping hierna door het hof], te weten:
“3.6.1 (….)Voor de bedoelde civielrechtelijke beoordeling achteraf is in de rechtspraak van de Hoge Raad als criterium aanvaard of uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak dan wel de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Dit is een restrictief criterium, dat enerzijds is ingegeven door de gedachte dat een risicoaansprakelijkheid in die zin dat de Staat het risico draagt schade te moeten vergoeden, indien de strafvervolging ten slotte, om welke reden dan ook, niet tot een veroordeling leidt, niet kan worden aanvaard, en dat anderzijds verband houdt met de onwenselijkheid dat de burgerlijke rechter zich anders in de regel ertoe genoopt zou zien in een daarop niet toegesneden procedure vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en die deze, in geval van vrijspraak, veelal reeds bij gewijsde heeft beantwoord (vgl. HR 29 april 1994, nr. 15280, NJ 1995, 727). Voorts is in deze vaste rechtspraak in aanmerking genomen dat in het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden, zij het beperkte, zijn opgenomen voor schadevergoeding en vergoeding van kosten, op welke mogelijkheden de voormalige verdachte wiens onschuld niet uit het strafvorderlijk onderzoek blijkt, is aangewezen, indien zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die het oordeel rechtvaardigen dat het optreden van politie of justitie jegens hem onrechtmatig is. (…..)
3.6.3 Dit betoog geeft geen aanleiding van het in de vaste rechtspraak aanvaarde criterium terug te komen.

12. Uit het voorgaande vloeit voort dat de overige (hiervóór geciteerde en onderstreepte) argumenten hun gelding hebben behouden, zodat de redenering van Sensi Seed niet juist is. Bovendien wijst het hof er op dat de Begaclaim-jurisprudentie wel degelijk nog steeds onverkort van toepassing is. De taalkundige exegese door Sensi Seed bij pleidooi van ECLI:NL:HR:2014:255 is niet overtuigend en miskent bovendien de aard van de beslissing van de HR ingevolge artikel 81 RO. Dit klachtonderdeel (omtrent de restrictieve uitleg) is dan ook ongegrond.

12. Het hof overweegt omtrent de b-grond verder nog als volgt. De rechtbank heeft de b-grond niet aanwezig geacht en dit toegelicht in rechtsoverweging 4.18 van het bestreden vonnis. Het hof is het hiermee eens en neemt de betreffende overwegingen over. Voor ‘gebleken onschuld’ is inderdaad méér nodig dan dat “aannemelijk” is dat geen sprake is van strafbaarheid

12. Sensi Seed klaagt nog over de passage in rechtsoverweging 4.18 (slot) van het bestreden vonnis dat “boven iedere twijfel verheven zou moeten zijn dat de planten kennelijk bestemd waren voor de winning van zaad”. Volgens Sensi Seed heeft de rechtbank hiermee een strenger criterium dan in het Begaclaim-arrest gehanteerd, inhoudende “blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte”.

12. Deze klacht wordt verworpen. Het hof vat deze overweging, in samenhang met de overige argumenten in rechtsoverweging 4.18 op als een vaststelling dat de strafrechter (de strafkamer van het hof) slechts aannemelijk heeft geacht dat de hennepplanten kennelijk voor de zaadwinning waren bestemd, hetgeen minder ver gaat dan ‘gebleken onschuld’.
De stelling van Sensi Seed dat, mede gelet op artikel 6 EVRM, de enige juiste maatstaf dient te zijn dat de onschuld van verdachte zich bij kennisneming van het strafvonnis met enige evidentie opdringt, wordt door het hof niet gevolgd. Daartoe verwijst het hof naar het voorgaande. Niet deugdelijk is toegelicht waarom dit strijdig zou zijn met artikel 6 EVRM.

12. Het beroep op de b-grond faalt eveneens. De grieven 1 tot en met 4 worden verworpen.
De subsidiaire grondslag van de vorderingen van Sensi Seed .

12. In dit verband gaat het blijkens de beschikking van het hof van 14 oktober 1998 (zie rechtsoverweging 2.12 van dit arrest) om de vaststelling van de ‘redelijke prijs’ (ex artikel 119 lid 2 Sv), anders gezegd om de vraag wat de inbeslaggenomen hennepplanten bij de verkoop redelijkerwijs zouden hebben opgebracht.
Zoals de rechtbank met juistheid en in hoger beroep niet weersproken heeft overwogen, gaat het er bij deze vaststelling niet om de beslagene in de toestand te brengen alsof er helemaal geen beslag heeft plaatsgevonden (en de planten hadden kunnen volgroeien). Reeds hierom is er geen grond voor toewijzing van de primaire vordering van ruim
€ 39 miljoen Euro, die immers is gebaseerd op het (geschatte) aantal zaden bij volgroeide planten.

12. Het peilmoment (voor de vaststelling van de redelijke prijs) ligt eerder, hetgeen tussen partijen vaststaat (zie onbestreden slotzin rechtsoverweging 4.29 vonnis en erkenning in memorie van grieven 69). Het peilmoment ligt op 9/10 oktober 1995, het moment van beslag en vernietiging van de hennepplanten, waarbij – zoals partijen het noemen – prematuur werd gerooid (hierna: het peilmoment). Bij de beoordeling hiervan spitst het geschil zich toe op de vraag of op dat peilmoment sprake was van aanwezigheid van verkoopbare zaden. De stelplicht en bewijslast hiervan rusten op Sensi Seed, die immers haar vordering met name hierop baseert.

12. De rechtbank heeft in dit verband geconcludeerd dat op 9/10 oktober 1995 slechts een deel van de inbeslaggenomen hennepplanten bevrucht én zaaddragend was; dat de wél aanwezige zaden niet hadden kunnen worden verkocht omdat de planten (nog) niet volgroeid waren en de zaden nog niet uitgerijpt waren. Vervolgens heeft de rechtbank de vorderingen van Sensi Seed afgewezen. De rechtbank heeft dit oordeel onder meer gebaseerd op de verklaring van Sensi Seed ter comparitie dat de zaden door de premature rooi onbruikbaar waren geworden.
Verkoopbare zaden?

12. Sensi Seed klaagt met haar vijfde grief onder meer over het oordeel van de rechtbank dat er geen verkoopbare zaden aanwezig waren op het peilmoment. Volgens Sensi Seed was dit wél het geval. Zij heeft in verband daarmee het volgende aangevoerd.
i) Sensi Seed heeft bij de comparitie tevens gezegd dat veel planten al bevrucht waren en dat het stadium tussen bevrucht en zaaddragend-zijn relatief kort is vergeleken met de hele groeiperiode van de plant. Als de zaden eenmaal aan de plant zitten, moet de plant worden gedroogd en vallen de zaden er uit. Een verdere bewerking is niet nodig; dat er grote toppen te zien waren wijst op goede zaaddragendheid.
ii) De deskundige [de deskundige 1] bevestigt in zijn rapport van 27 mei 2009 dat op het peilmoment sprake was van verkoopbare zaden.
iii) [de deskundige 1] komt in dit rapport uit op een gemiddeld aantal zaden per plant van 270, hetgeen met een correctiefactor 0,63 uitkomt op 170 verkoopbare zaden per plant. Dit heeft de rechtbank miskend, aldus nog steeds Sensi Seed. De omstandigheid dat het om een virtuele berekening gaat betekent weliswaar dat de planten prematuur zijn gerooid, maar betekent niet dat het aantal door [de deskundige 1] berekende zaden van de inbeslaggenomen hennepplanten, onbruikbaar is of niet verkocht kon worden.
iv) Het moet daarnaast in de risicosfeer van de Staat liggen dat achteraf niet goed meer is te achterhalen wat de staat en daarmee de waarde van de in beslaggenomen planten was.

12. De Staat heeft gemotiveerd betwist dat op het peilmoment sprake was van verkoopbare zaden.

12. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt en zal daarbij de argumenten van Sensi Seed bespreken.
Ad i) Sensi Seed heeft niet betwist bij de comparitie verklaard te hebben dat de zaden door de premature rooi onbruikbaar waren geworden. Zij heeft blijkens de toelichting op de vijfde grief, samengevat, betoogd dat deze verklaring in de context moet worden gelezen (zie rechtsoverweging 22i hiervóór). Naar het oordeel van het hof doet deze context niet af aan de verklaring van Sensi Seed dat de (wel aanwezige zaden) door de premature rooi niet bruikbaar waren voor de verkoop. Ter toelichting diene het volgende.

12. Als verklaring van Sensi Seed is over bedoelde context het volgende in het proces-verbaal van de comparitie (p.10) vastgelegd: “Op het moment van inbeslagneming waren er inderdaad zaden, maar die zaten nog aan de plant. De plant als zodanig kon verkocht worden. Er stonden bijna-volgroeide planten, mannelijke planten, die bevrucht konden worden. Veel planten waren ook al bevrucht. Het stadium tussen bevrucht en zaaddragend-zijn is een relatief korte periode vergeleken met de gehele groeiperiode van de plant. Als de zaden eenmaal aan de plant zitten, moet de plant worden gedroogd en dan vallen de zaden eruit. Dan moeten de zaden geselecteerd en in zakjes gestopt worden. Verdere bewerking, zoals de Staat kennelijk meent, is niet nodig. Als de bewaarder de planten had laten staan, waren de zaden er zo afgevallen, dan had hij ze alleen in een zakje hoeven te doen. Er zijn grote toppen te zien, dat wijst op goede zaaddragendheid.

12. Deze cursieve passage gaat in wezen slechts over de gang van zaken tussen bevruchting en de oogst van de zaden bij volgroeide planten. Over de kwaliteit/verkoopbaarheid van de zaden bij de onderhavige premature rooi geeft deze passage geen informatie.

12. Ad ii) en iii). Het rapport van [de deskundige 1] van 27 mei 2009 [hof: onder meer productie 7, bijlage 1 inleidende dagvaarding] houdt met name het volgende in:
“Na de inval in [plaats] in 1995 werd mij gevraagd aan te tonen of er op de (lang voor de geplande oogst, i.e per definitie prematuur) in beslag genomen planten sprake was van zaadzetting of niet. Van de monsters uit de betreffende kas heb ik toen bepaald:
het aantal (zich ontwikkelende) zaden als percentage van de (op dat moment) op de plant aanwezige bloemen [hof: rapport van [de deskundige 1] van 18 december 1995; productie 10 conclusie van antwoord] (…)
In 2003 kreeg ik het verzoek te bepalen hoeveel verkoopbare zaden een plant kan produceren, lees: het potentieel per plant in [plaats] in 1995. IK heb toen bepaald:
het gemiddeld aantal verkoopbare zaden per plant, t.w. 818 (tevens als percentage van het totaal aantal zaden per plant, t.w. 63%) [hof: rapport van [de deskundige 1] van 5 december 2003; productie 11 conclusie van antwoord].
Ontevreden met deze parameter vraagt het College van Procureurs Generaal u in haar brief van 17 mei 2005:de mate van zaadvorming op de planten op het moment van inbeslagname
Dit is iets essentieel anders dan het potentieel aantal zaden in [plaats] in 1995. Dit potentieel, dat door mij in 2003 benaderd is met het gemiddelde getal van 818 zaden per plant, had gerealiseerd kunnen worden als de planten niet prematuur door de politie gerooid waren. Het is m.i. dus een irreële vraag, die nooit de opbrengstderving als antwoord kan hebben omdat hij veronderstelt dat niet de teler, doch de politie het oogsttijdstip van Cannabiszaad bepaalt. Het enige juiste antwoord op de vraag naar de oogstderving is dus 818 per plant. Het aantal in beslag genomen planten in [plaats] vermenigvuldigd met deze 818 levert de beste benadering van het aantal misgelopen zaden.
Desgewenst kan ik echter een antwoord op de vraag van het College geven.[hof: volgt een berekening]
(….)
Ik wil echter nogmaals benadrukken dat de opbrengstderving die uit deze laatste berekeningen tevoorschijn komt een virtuele is aangezien de planten door de politieactie niet de kans hebben gekregen om uit te bloeien en af te rijpen. In dat opzicht is het uit mijn proeven van 2003 gerolde (weliswaar gemiddelde, doch inmiddels beroemde) getal van 818 verkoopbare zaden per plant een betere parameter”

12. Uit het rapport van [de deskundige 1] uit 2009, met verwijzing naar zijn rapportage in 1995 en 2003, blijkt
- dat [de deskundige 1] in 1995 heeft gerapporteerd over zaadvorming en (zich ontwikkelende) zaden op het peilmoment,
- dat [de deskundige 1] in 2003 proefsgewijs het zadenpotentieel bij voltooide groei heeft benaderd,
- dat [de deskundige 1] op basis hiervan in zijn rapport uit 2009 tot een virtuele berekening van de opbrengstderving op het peilmoment is gekomen.
De eerste twee rapporten gaan louter over (potentële) zaadvorming, terwijl het laatste rapport uit 2009 slechts een virtuele berekening betreft, omdat de aanwezige planten niet de kans hebben gekregen om uit te bloeien en af te rijpen; in de terminologie van [de deskundige 1] ‘lang voor de geplande oogst, i.e per definitie prematuur’ in beslag zijn genomen. In geen van deze rapporten wordt toegelicht dat en waarom de bij de premature rooi (mogelijk) aanwezige zaden bruikbaar waren voor de verkoop. Sterker nog, [de deskundige 1] spreekt in zijn rapport uit 1995 over ‘’flink ontwikkelde embryo’s’ en ‘onvolgroeide embryo’s’, hetgeen niet duidt op een afgerond rijpingsproces met verkoopbare zaden. Sensi Seed heeft niet nader onderbouwd waarom desondanks op het peilmoment toch sprake was van verkoopbare zaden. Dit had, zeker gelet op de gemotiveerde betwisting door de Staat, wel gevergd mogen worden, temeer nu het (vanuit biologisch oogpunt) niet voor de hand ligt dat niet voldragen planten wel al verkoopbare zaden hebben. De omstandigheid dat het College van procureurs-generaal bij brief van 14 januari 2005 heeft aangeboden om de stekprijs te vergoeden, maakt dit niet anders

12. Ad (iv). Dit argument gaat niet op. De stelplicht en bewijslast rusten, zoals gezegd, op Sensi Seed. Er is in dit geval geen reden om te bewijslast om te draaien, mocht Sensi Seed dit hebben willen betogen. Daarnaast wijst het hof er op dat zowel door de Staat als door Sensi Seed monsters zijn getrokken van de hennepplanten, waarna wel degelijk onderzoek door deskundigen van partijen heeft plaatsgevonden.

Samenvattende conclusie ten aanzien van subsidiaire grondslag van Sensi Seed

30. Nog los van de kritische kanttekeningen van de Staat (en zijn deskundige [de deskundige 2] ) bij de bevindingen van [de deskundige 1] omtrent het aantal in de planten aanwezige zaden, brengt het voorgaande het hof tot de volgende conclusie.
De stelplicht en bewijslast omtrent de aanwezigheid van verkoopbare zaden op het peilmoment rusten op Sensi Seed. Tegenover de betwisting door de Staat heeft Sensi Seed onvoldoende onderbouwd dat op het peilmoment daadwerkelijk sprake was van verkoopbare zaden. Hierbij verdient met name aandacht dat de rapportage van [de deskundige 1] geen, althans geen overtuigende, aanwijzing oplevert dat dit anders is. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat ten tijde van de inbeslagname de hennepplanten verkoopbare zaden bevatten. De door het hof vast te stellen redelijke prijs komt dan ook uit op nul, zodat Sensi Seed geen aanspraak heeft op het door haar gevorderde bedrag van ruim 8 miljoen Euro.

Causaal verband

31. Overigens zou ook om de volgende reden de vordering stranden (zowel op de primaire als op de subsidiaire grondslag). Zoals Sensi Seed zelf heeft geschreven (zie rechtsoverweging 2.6 van dit arrest) was zij in verband met de dreiging van gewelddadige overvallen zelf al op 4 oktober 1995 tot premature rooi van haar hennepplanten overgegaan en was zij van plan deze binnen korte tijd af te ronden. Aldus is het causaal verband tussen de inbeslagname en de door Sensi Seed gestelde schade doorbroken, hetgeen eveneens tot afwijzing leidt. Hieraan doet niet af dat, zoals Sensi Seed tijdens het pleidooi heeft opgemerkt, de CID-informatie ten aanzien de dreigende overvallen betrekking had op een plantage “aan de [straatnaam] ter hoogte van perceel 3 of 5” (bijlage bij prod. 2 bij conclusie van antwoord , p. 25), en niet op de percelen 12 en 16 van Sensi Seed. Uit het relaas van de politie (prod 2 bij conclusie van antwoord p. 3, halverwege, bij “opm. verb. [naam 3] ”) blijkt dat de politie zich hiervan rekenschap heeft gegeven en dat zij ervan uitging dat het om dezelfde plantage (in een “met plastic afgedekte kas”) ging. Sensi Seed heeft ook niet gesteld dat zich op nr 3 of 5 nóg een hennepplantage bevond, en heeft evenmin onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat zij de dreiging minder serieus zou hebben genomen als haar was medegedeeld dat de informatie niet specifiek zag op nr 12 of 16 maar op een plantage ter hoogte van nr 3 of nr 5.

31. Sensi Seed heeft in haar memorie van grieven onder 67 nog betoogd dat de inbeslaggenomen hennepzaden geen verdovende middelen zijn in de zin van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. Sensi Seed heeft, gelet op het voorgaande, geen belang bij bespreking hiervan.
Slotsom

31. Uit het voorgaande vloeit voort dat de grieven van Sensi Seed falen, althans verder niet besproken hoeven te worden. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu geen relevante feiten te bewijzen zijn aangeboden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Sensi Seed zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel.
De voorwaardelijke grief van de Staat in het incidenteel appel

31. Aan bespreking van deze grief wordt niet toegekomen, nu de gestelde voorwaarde niet is vervuld. Een kostenveroordeling blijft achterwege.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2016;

- veroordeelt Sensi Seed in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 5.213,-- aan verschotten en € 16.503,-- aan salaris advocaat, en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met
€ 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat
deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. MA.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en
H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.