Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1154

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
200.235.738/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ondertoezichtstelling; afwijzing omdat de ouders benodigde zorg voor wegnemen bedreiging ontwikkeling van minderjarige in voldoende mate accepteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.235.738/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 17-4173

zaaknummer rechtbank : C/10/541596

beschikking van de meervoudige kamer van 16 mei 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.J.R. Roethof te Arnhem,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder;

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de WSS.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 19 maart 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 april 2018 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de WSS, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Aan [de ambulant begeleider van de vader] , werkzaam bij [organisatie voor psychiatrische zorg] en ambulant begeleider van de vader, is bijzondere toegang verleend. [de ambulant begeleider van de vader] is als informant gehoord.

3. De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [de minderjarige 1] , [in] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] ;

- [de minderjarige 2] , [in] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] ;

- [de minderjarige 3] , [in] 2017 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 3] , hierna gezamenlijk aangeduid als de minderjarigen.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen. De minderjarigen wonen bij de ouders.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de minderjarigen onder toezicht van de WSS gesteld, met ingang van 26 januari 2018 tot 26 januari 2019.

4.2

De vader is het niet eens met deze beslissing en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek tot ondertoezichtstelling af te wijzen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.3

De raad heeft ter zitting verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft [de minderjarige 1] Volgens de Raad kan de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] worden beëindigd.

4.4

De WSS heeft zich ter zitting aangesloten bij het standpunt van de raad.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de zaak miskend dat de hulpverlening ook in het vrijwillig traject tot stand kan komen en reeds is gekomen, waardoor een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is. Uit het raadsrapport van 14 december 2017 volgt volgens de vader dat de raad van mening is dat er geen signalen zijn van onveiligheid ten aanzien van de minderjarigen. De vader is dan ook van mening dat niet is voldaan aan het criterium van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De vader stelt zich op het standpunt dat uit het raadsrapport genoegzaam volgt dat de ouders bereid zijn de noodzakelijke hulpverlening te aanvaarden en dit ook in het verleden hebben gedaan. De vader betwist dat iedere vorm van hulpverlening zou worden afgebroken door de ouders. De hulpverleningsinstanties hebben na verloop van tijd zelf aangegeven dat zij de noodzakelijke hulp aan [de minderjarige 1] niet kunnen bieden, waardoor de ouders genoodzaakt zijn geweest uit te kijken naar andere vormen van hulpverlening waarbij wel de noodzakelijke hulp kan worden geboden. Dit verklaart dan ook de wisseling van de hulpverleners. De vader merkt op dat de raad aanvankelijk ook heeft aangegeven het onderzoek te zullen afsluiten, met een verwijzing naar de vrijwillige hulpverlening, zoals ook volgt uit het raadsrapport. De ouders begrijpen dan ook niet dat de raad zijn besluit na het multidisciplinair overleg heeft herzien. De vader stelt dat op dit moment een verbetering zichtbaar is in het gedrag van [de minderjarige 1] , hetgeen in het e-mailbericht van de orthopedagoog van [stichting voor geestelijke gezondheidszorg] wordt bevestigd. Uit het ontwikkelingsperspectief verslag van 23 februari 2018 van [stichting voor geestelijke gezondheidszorg] volgt dat de didactische ontwikkeling en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige 1] conform verwachting lopen. Ook op school gaat het goed met de minderjarigen, hetgeen door de jeugdzorgwerker van de WSS in haar e-mailbericht van 18 januari 2018 wordt bevestigd. Uit een overdrachtsverslag van 19 december 2017 van het [kindcentrum] volgt dat het ook met [de minderjarige 2] goed gaat. Uit dit verslag volgt dat haar sociaal-emotionele, motorische en cognitieve ontwikkeling goed zijn en dat er vooruitgang is te zien in haar spraak- en taalontwikkeling. Uit een e-mailbericht van 22 februari 2018 van de jeugdverpleegkundige bij [centrum voor jeugd en gezin] blijkt dat het ook met [de minderjarige 3] goed gaat en dat zij een vrolijk en alert meisje is dat zich goed ontwikkelt. Uit een e-mailbericht van 26 februari 2018 van de jeugdzorgwerker bij de WSS blijkt dat het goed gaat met het gezin en dat er een ontspannen bezoek is geweest waarbij de jeugdzorgwerkers twee zorgzame ouders zagen die veel van hun kinderen houden. Ten slotte blijkt uit het Plan van Aanpak bij de ondertoezichtstelling dat voor [de minderjarige 1] geldt dat er voldoende sprake is van veiligheid en zelfs ruim voldoende samenwerking tussen de betrokken volwassenen. De jeugdzorgwerker is tevreden over de huidige samenwerking met ouders en de ouders zijn blijkens het plan tot nu toe alle afspraken met de jeugdzorgwerkers nagekomen. De raad heeft zijn besluit tot het aanvragen van een ondertoezichtstelling enkel op basis van verkregen informatie van de kraamzorg en de verloskundige herzien, zonder hoor en wederhoor toe te passen. Daarnaast is eerder door de vader verzochte hulpverlening van [zorgverlening] en [zorgverlening] aanvankelijk geweigerd, en later door de raad aangedragen als optie.

5.2

De raad heeft ter zitting - kort samengevat - aangevoerd dat gezien wordt dat de ouders zeer betrokken zijn en alles goed geregeld willen hebben, maar dat dit ook spanningen oplevert in de thuissituatie. De communicatie tussen de hulpverleners en de vader verloopt niet altijd goed. Hierdoor is de hulpverlening een aantal malen onderbroken, hetgeen niet in het belang van de minderjarigen wordt geacht. De stagnerende hulpverlening levert naar de mening van de raad een directe ontwikkelingsbedreiging op. Desgevraagd heeft de raad te kennen gegeven dat nadat de raad in eerste instantie tot de conclusie was gekomen dat een ondertoezichtstelling van de minderjarigen niet noodzakelijk was, vanuit de verloskundige en de kraamzorginstelling (opnieuw) zorgen zijn gemeld ten aanzien van het gezin, op basis waarvan de raad een gesprek met de ouders wilde aangaan. Uiteindelijk heeft dit adviesgesprek, na diverse vergeefse pogingen het in te plannen, niet plaatsgevonden. De ouders gaven geen toestemming voor het door de raad opvragen van (nadere) informatie bij de verloskundige en de kraamzorginstelling. Ze hebben wel het conceptrapport ontvangen. De raad heeft de ouders de mogelijkheid geboden om een afsluitend gesprek te voeren. De vader heeft deze afspraak afgezegd vanwege onvoldoende voorbereidingstijd om een en ander met zijn advocaat door te nemen. Daarop is nog een uitnodiging gevolgd, waaraan ook geen gehoor is gegeven door de ouders. De raad stelt dat de ouders terecht hulp verwachten maar dat de wijze waarop zij dit aangeven, met name de wens van de ouders dat het direct gebeurt, de samenwerking kan bemoeilijken. De hulpverlening kan niet altijd (direct) gevolg geven aan de wensen van de ouders. De raad heeft voorts ter zitting te kennen gegeven dat de ondertoezichtstelling voor de twee jongste minderjarigen kan worden beëindigd maar dat dit ten aanzien van [de minderjarige 1] , gelet op zijn kindeigen problemen niet het geval is.

5.3

De WSS heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De zorgen die er zijn, zijn met name gericht op [de minderjarige 1] . Binnenkort zal gezinsondersteuning gaan starten. Ten aanzien van de andere minderjarigen zijn er op dit moment geen signalen dat het niet goed zou gaan. De opdracht aan de WSS ten aanzien van deze minderjarigen is om te bezien in hoeverre de spanningen die in het gezin leven met betrekking tot (de hulpverlening aan) [de minderjarige 1] bij hen terecht komen en het verminderen van die spanningen. De WSS stelt betrokken ouders te zien, maar merkt op dat de communicatie met de ouders, met name op de momenten waarop de hulpverlening en de ouders elkaar niet goed begrijpen, moeilijk verloopt. De WSS heeft dan ook twijfels of de hulpverlening, indien deze in het vrijwillig kader zal moeten gaan plaatsvinden, nog adequaat kan worden voortgezet. De ouders zullen zich in dat geval voor de hulpverlening weer tot het jeugdteam van de gemeente moeten wenden. Aangezien in het verleden veel is voorgevallen tussen het jeugdteam en de ouders, heeft de WSS twijfels of de hulpverlening goed zal gaan verlopen en of de continuïteit van de hulpverlening gegarandeerd kan worden.

5.4

De ambulant begeleider van de vader heeft op vragen van het hof ter zitting te kennen gegeven dat hij, anders dan de raad, geen risico aanwezig ziet dat de hulpverlening in het vrijwillig kader door toedoen van de ouders zal stagneren. De ambulant begeleider ondersteunt de vader al zo’n drieënhalf jaar. Het gaat met name om de zorg voor [de minderjarige 1] en de vader pakt dit goed op. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij in het verleden bij een aantal gesprekken tussen de vader en het jeugdteam van de gemeente aanwezig is geweest en dat deze gesprekken over het algemeen goed verliepen. Hij erkent dat de vader vasthoudend kan zijn in het vragen van de juiste hulp maar dat hij wel voor rede vatbaar is, zeker indien hij op de juiste manier benaderd wordt. Naar zijn mening mag van hulpverlenende instanties in dat verband wel wat verwacht worden. De hulpverlening in het vrijwillig kader zal naar zijn mening niet anders verlopen dan het op dit moment in het dwangkader gaat.

5.5

Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid BW de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, in staat zijn te dragen.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er met name ten aanzien van [de minderjarige 1] zorgen zijn over zijn ontwikkeling in relatie tot zijn problemen en niet zozeer ten aanzien van de andere minderjarigen. Gebleken is dat de raad aanvankelijk naar aanleiding van het raadsonderzoek heeft willen verwijzen naar hulpverlening in het vrijwillig kader met toewijzing van een casusregisseur zonder oplegging van een ondertoezichtstelling. Op basis van nader ingekomen informatie van de verloskundige en de kraamzorg heeft de raad dit voornemen herzien. De ouders hebben zich echter niet kunnen uitspreken over deze nader ingekomen informatie.

5.7

Naar het oordeel van het hof volgt, uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, dat ten aanzien van [de minderjarige 1] bij alle betrokkenen zorgen bestaan over zijn ontwikkeling als gevolg van zijn kindeigen problemen, waarvoor hij hulpverlening nodig heeft. Het hof is, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, echter van oordeel dat de ouders niet onwelwillend tegenover de hulpverlening staan of de hulpverlening belemmeren of niet (voldoende) accepteren. Gebleken is dat de vader veel hulpverlening zelfstandig heeft ingeschakeld en geregeld, waaronder de school van [de minderjarige 1] bij [stichting voor geestelijke gezondheidszorg] , dat de vader al langere tijd ondersteund wordt door zijn ambulant begeleider en dat binnenkort gezinsondersteuning zal gaan starten. Dat er in het hulpverleningstraject enkele wisselingen van hulpverlening hebben plaatsgevonden heeft de vader aldus verklaard dat de hulp niet langer gefinancierd kon worden door de gemeente en dat een of meer hulpverlenende instantie(s) na enige tijd zelf te kennen gaf/ gaven dat zij [de minderjarige 1] niet de voor hem noodzakelijke hulp kon(den) bieden. De vader heeft ter zitting erkend dat de communicatie tussen de ouders en de hulpverleners, onder meer vanwege zijn eigen beperking, niet altijd naar behoren verloopt. Naar zijn mening ligt het eraan op welke wijze de ouders bejegend worden en of de gemaakte afspraken vanuit de hulpverlening worden nagekomen. Voorts is gebleken dat de hulpverlening over het algemeen naar behoren verloopt en dat de minderjarigen alle drie in het zicht van de hulpverleners zijn.

5.8

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof van meet af aan niet aan niet voldaan aan de gronden van artikel 1:255 lid 1 BW op basis waarvan een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en het inleidend verzoek van de raad alsnog afwijzen.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren [in] 2012 te [geboorteplaats] , [de minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 3] , geboren [in] 2017 te [geboorteplaats] , alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, S.H.M. van der Heiden en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier, en is op 16 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.