Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1153

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
22-000470-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 308 Sr. Vrijspraak. Niet bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, waardoor het door aangeefster opgelopen letsel niet aan culpa van de verdachte is te wijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000470-17

Parketnummer: 10-140204-15

Datum uitspraak: 16 mei 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 2 mei 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen honden zal houden/hebben. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is onder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel opgelegd. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 4 oktober 2014 te Vlaardingen grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of onnadenkend de onder zijn, verdachtes, gezag staande hond onvoldoende onder controle heeft gehad/gehouden, waardoor zijn hond in de (boven)arm van [aangeefster] heeft kunnen bijten en/of heeft gebeten, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [aangeefster] zwaar lichamelijk letsel, te weten (diepe) vleeswond(en) in haar (boven)arm en/of elleboogplooi en/of beschadigde (boven)armspier(en), heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze is ontstaan;

2:
hij op of omstreeks 4 oktober 2014 te Vlaardingen geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staande gevaarlijk dier, te weten een hond (zijnde een kruising tussen een Boerboel en een Kangal), immers heeft hij, verdachte, voornoemd dier onaangelijnd en/of zonder halsband en/of zonder muilkorf los laten lopen en/of onvoldoende aangeroepen en/of weggetrokken, waardoor onvoldoende controle en/of toezicht over die hond mogelijk was, ten gevolge waarvan die hond een persoon, te weten [aangeefster] in haar (boven)arm heeft gebeten, terwijl verdachte wist dat voornoemde hond eerder (recent) een andere hond had aangevallen en/of (dood)gebeten.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat onder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich – overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld, dat – kort gezegd – het letsel van de aangeefster niet aan de schuld van de verdachte te wijten is. De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich wel grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en dat het derhalve aan zijn schuld te wijten is dat de hond van de verdachte het letsel bij de aangeefster heeft veroorzaakt.

Uit de bewijsmiddelen kan over de feitelijke toedracht van het tenlastegelegde worden opgemaakt dat de aangeefster ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen van een of meer beten die haar zijn toegebracht door een door de verdachte gehouden hond. Ofschoon sprake is van uiteenlopende lezingen van hetgeen daaraan direct voorafging, moet het er mede gezien de verklaring van de aangeefster voor zover luidende: “Ik zei nog tegen de hond: “de volgende keer neem ik een koekje voor je mee” en ik keek de hond daarbij aan.” voor worden gehouden dat de aangeefster door de hond werd aangevallen kort nadat zij de hond had aangesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Voor bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde schuld is niet iedere vorm van verwijtbaarheid toereikend, maar gaat het, zoals in de tenlastelegging met het woord “aanmerkelijk” ook tot uitdrukking is gebracht, ten minste om een gekwalificeerde vorm van verwijtbaarheid, zoals bedoeld in artikel 308, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

In de onderhavige zaak is naar het oordeel van het hof sprake van gevaarzettend gedrag door de verdachte, doordat hij zich, staande in de deuropening van zijn woning door de aangeefster heeft laten aanspreken en haar verder te woord heeft gestaan en daarbij niet heeft voorkomen dat zijn in die woning aanwezige, niet aangelijnde en ook niet gemuilkorfde hond, van welke hem, verdachte, bekend was dat deze -ter vermijding van agressief gedrag- in de omgang bepaalde voorzorgsmaatregelen vergde, naast en/of achter hem zat of is gaan zitten, op zodanige wijze dat de hond zichzelf de doorgang naar buiten zou kunnen verschaffen en zich, met alle voorzienbare gevolgen van dien, aldus aan de controle van de verdachte zou kunnen onttrekken.

Het hof acht het, ofschoon de verklaring van de aangeefster op een andere feitelijke toedracht lijkt te wijzen, op grond van de verklaring van de verdachte, die in zoverre wordt bevestigd door de verklaring van de getuige [getuige A], aannemelijk dat de aangeefster, nadat zij al eerder in het gesprek met de verdachte rechtstreeks contact met de hond had gezocht, door de verdachte is gewaarschuwd dat contact met de hond niet te zoeken.

Het hof is van oordeel dat degene die, als verantwoordelijke voor een als huisdier gehouden hond die zich in zijn woning bevindt, een persoon waarschuwt voor gedrag van die hond als reactie op bepaald handelen van die persoon, er in beginsel van uit mag gaan dat de gewaarschuwde – zo lang als de hond zich nog steeds in de woning van de verantwoordelijke bevindt - die waarschuwing ter harte neemt door zich van het ontraden handelen te onthouden.

Ofschoon zodanige waarschuwing niet wegneemt dat de verantwoordelijke voor een dergelijke hond strafrechtelijk aansprakelijk kan blijven voor de gevolgen van het gedrag van die hond als reactie op het ontraden handelen van de persoon die die waarschuwing negeert, is het hof van oordeel dat de door de verdachte kennelijk bij wijze van voorzorgsmaatregel aan de aangeefster gegeven waarschuwing de aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid, nalatigheid en/of onnadenkendheid van de verantwoordelijke die in de gevaarzetting als omschreven is gelegen, zodanig vermindert dat niet kan worden volgehouden dat het door de aangeefster bij de uitval van de hond opgelopen letsel aan culpa van de verdachte is te wijten.

Dit oordeel, dat het hof geeft ongeacht de betekenis die aan de gedragingen van de aangeefster zou kunnen worden toegekend, staat aan bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde in de weg.

Derhalve dient de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op of omstreeks 4 oktober 2014 te Vlaardingen geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staande gevaarlijk dier, te weten een hond (zijnde een kruising tussen een Boerboel en een Kangal), immers heeft hij, verdachte, voornoemd dier onaangelijnd en/of zonder halsband en/of zonder muilkorf los laten lopen en/of onvoldoende aangeroepen en/of weggetrokken, waardoor onvoldoende controle en/of toezicht over die hond mogelijk was, ten gevolge waarvan die hond een persoon, te weten [aangeefser] in haar (boven)arm heeft gebeten, terwijl verdachte wist dat voornoemde hond eerder (recent) een andere hond had aangevallen en/of (dood)gebeten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

onvoldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onvoldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, te weten zijn hond. Hierdoor heeft de hond van de verdachte pijn en ernstig letsel bij aangeefster teweeg gebracht, zoals ook uit de in het dossier bevindende foto’s van dat letsel blijkt en uit de door het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

13 april 2018.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat geheel voorwaardelijke hechtenis van na te melden duur in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de advocaat-generaal weliswaar toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht heeft gevorderd, maar gegeven diens conclusie in het geheel, zoals hiervoor weergegeven, behoeft het oordeel van het hof geen nadere motivering.

Benadeelde partij [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 390.348,-, bestaande uit € 332.553,- materiële schade en € 57.795,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In eerste aanleg is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 44.302,43, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat van de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding ingetrokken tegen de achtergrond dat de rechtbank Rotterdam inmiddels op 27 september 2017 een in kracht van gewijsde gegaan civiel vonnis heeft gewezen, waarbij de vordering van [aangeefster] ter zake van de als gevolg van het onderhavige voorval geleden materiële en immateriële schade, met toepassing van artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek, is toegewezen tot een bedrag van € 372.553,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in het licht van deze niet meer aantastbare beslissing - gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor het bedrag van € 372.553,-.

De raadsman van de verdachte heeft zich daartegen verzet.

Het hof stelt vast dat de civiele aansprakelijkheid van de verdachte voor de schade als gevolg van het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde bij onherroepelijk vonnis van de burgerlijke rechter d.d. 27 september 2017 is vastgesteld.

Gelet daarop bestaat er grond om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het hof zal derhalve aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor de geleden materiële en immateriële schade tot een bedrag van € 372.553,-.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen hond(en) zal hebben/houden.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 372.553,00 (driehonderdtweeënzeventigduizend vijfhonderddrieënvijftig euro) als vergoeding voor materiële en immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. J.A.C. Bartels en mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 mei 2018.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.