Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1150

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
200.204.788/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vonnis in eerste aanleg openbaar? Nietigheid vonnis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.204.788/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/485523/HA ZA 15-1002

arrest van 22 mei 2018

inzake

1 [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats ],

2. Stichting Holland Promote.com,

gevestigd te Eindhoven,

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats ],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats ],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats ],

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. I.B. Jansse te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 12 juli 2016 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 20 april 2016.

Bij memorie van grieven met producties hebben [appellanten] dertien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden. Daarna hebben beide partijen nog een akte genomen. Vervolgens hebben [appellanten] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. Tussen partijen is in kort geding geprocedeerd voor de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch en in hoger beroep voor het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

b. Nadat [appellanten] een wrakingsverzoek hadden ingediend tegen de voorzieningenrechter, heeft de voorzieningenrechter op 27 oktober 2011 vonnis gewezen en op 31 oktober 2011 een herstelvonnis.

c. Bij beschikking van 29 november 2011 van de wrakingskamer van de rechtbank

's-Hertogenbosch is het verzoek tot wraking van de behandelend voorzieningenrechter toegewezen.

d. Vervolgens heeft een andere voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch op 31 januari 2012 opnieuw vonnis gewezen. Dit vonnis hebben [geïntimeerden] op 3 februari 2012 aan [appellanten] doen betekenen, met bevel om aan de inhoud daarvan te voldoen.

Het dictum van dit vonnis onder 5.7, 5.8 en 5.10 tot en met 5.14. luidt als volgt:

“5.7. gebiedt [appellanten] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis volledige opgave te doen aan [geïntimeerde 3] c.s. van alle websites die op hun naam zijn geregistreerd, althans websites waartoe zij gemachtigd/bevoegd zijn en in staat om content (artikelen, teksten, foto's) aan toe te voegen en van alle websites waarop door hen de naam van tenminste een van eisers en/of [het advocatenkantoor van gedaagden] is vermeld;

5.8.

veroordeelt [appellanten] om aan [geïntimeerde 3] c.s. een dwangsom te betalen van

€ 10.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.7. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen en per verzwegen website;

(…)

5.10.

verbiedt [appellanten] zich gedurende een jaar na betekening van dit vonnis zich te begeven naar en/of zich te bevinden:

a. binnen een straal van 500 meter rond het advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] aan de [adres en vestigingsplaats]

b. binnen de deelgemeente [...] van de gemeente [woonplaats ], waarin de woning van [geïntimeerde 3] aan (..) gelegen is;

c. binnen een straal van 100 meter rond de persoon [geïntimeerde 3] (met uitzondering van de momenten dat partijen elkaar dienen te treffen in het kader van mondelinge behandelingen van zaken waarbij zij beiden partij dan wel betrokken zijn);

5.11.

veroordeelt [appellanten] om aan [geïntimeerde 3] c.s. een dwangsom te betalen van

€ 25.000,-- voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.10. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen;

5.12.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

5.13.

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde 3] c.s. tot op heden begroot op € 1.185,81;

5.14.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”

e. Bij arrest van 28 mei 2013 in de zaak met nummer HD 200.100.000/01 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch genoemde vonnissen van 27 oktober en 31 oktober 2011 vernietigd. Daarbij heeft het gerechtshof [geïntimeerden] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, tot op dat moment aan de zijde van [appellanten] begroot op € 1.815,00 aan verschotten en op € 2.316,00 aan salaris advocaat.

f. Bij een op dezelfde datum en door dezelfde kamer van het gerechtshof gewezen arrest in de zaak met nummer HD 200.103.021/01, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van 31 januari 2012 gedeeltelijk vernietigd en gedeeltelijk bekrachtigd. De beslissing van het gerechtshof onder de nummers 5.1 tot en met 5.11 luidt als volgt:

“Het hof:

5.1

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 januari 2013 [lees: 2012; toevoeging hof] voor wat betreft de oordelen zoals weergegeven in r.o. 5.1 t/m 5.6 en 5.9 van dit vonnis;

en, opnieuw rechtdoende:

5.2

verbiedt [appellanten] om na betekening van dit arrest uitlatingen te doen en/of geschriften te (laten) verspreiden over [naam advocatenkantoor] of [geïntimeerde 3] die het beeld oproepen dat [geïntimeerde 3] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of samenspanning;

5.3

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerde 3] c.s. een dwangsom te betalen van € 10.000,= voor iedere keer dat [appellant sub 1] of de Stichting niet aan de in r.o. 5.2 genoemde hoofdveroordeling voldoet, onder bepaling dat terzake geen dwangsommen meer worden verbeurd indien in totaal aan [geïntimeerde 3] c.s. een bedrag is verbeurd ter hoogte van € 30.000,=;

5.4

verbiedt [appellanten] om na betekening van dit vonnis op het internet kopieën te (doen) plaatsen van de pleitnota van 6 april 2009 of van het stuk getiteld proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2005, dan wel het proces-verbaal van aangifte van 15 november 2006;

5.5

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerde 3] c.s. een dwangsom te betalen van € 10.000,= voor iedere keer dat [appellant sub 1] of de Stichting niet aan de in r.o. 5.4 genoemde hoofdveroordeling voldoet, onder bepaling dat terzake geen dwangsommen meer worden verbeurd indien in totaal aan [geïntimeerde 3] c.s. een bedrag is verbeurd ter hoogte van € 30.000,=;

5.6

gebiedt [appellanten] om binnen vijf dagen na betekening van dit arrest de op internet geplaatste publicaties als genoemd in r.o. 4.8.2 te (laten) verwijderen en voorts alle overige publicaties van internet te (laten) verwijderen voor zover daarin uitlatingen worden gedaan over [naam advocatenkantoor] of [geïntimeerde 3] die het beeld oproepen dat [geïntimeerde 3] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of samenspanning;

5.7

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerde 3] c.s. een dwangsom te betalen van € 10.000,= voor iedere keer dat [appellant sub 1] of de Stichting niet aan de in r.o. 5.6 genoemde hoofdveroordeling voldoet, onder bepaling dat terzake geen dwangsommen meer worden verbeurd indien in totaal aan [geïntimeerde 3] c.s. een bedrag is verbeurd ter hoogte van € 30.000,=;

5.8

bekrachtigt het beroepen vonnis voor wat betreft het oordeel zoals weergegeven in

r.o. 5.7 daarvan;

5.9

bekrachtigt het beroepen vonnis voor wat betreft het oordeel zoals weergegeven in

r.o. 5.8 daarvan, zij het onder bepaling dat ter zake geen dwangsommen meer worden verbeurd indien in totaal aan [geïntimeerde 3] c.s. een bedrag is verbeurd ter hoogte van

€ 30.000,=;

5.10

bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

5.11

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 3] c.s. worden begroot op € 666,= aan verschotten en op € 2.316,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.”

g. Tegen geen van beide op 28 mei 2013 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen arresten is beroep in cassatie ingesteld.

h. Het arrest van 28 mei 2013 in de zaak met nummer HD 200.103.021/01 hebben [geïntimeerden] op 31 mei 2013 aan [appellanten] doen betekenen, met bevel om aan de inhoud daarvan te voldoen. In dat exploot is tevens een bevel tot betaling van de daarin genoemde bedragen gedaan, onder vermelding van:

“Waarop in mindering kan strekken:

(…)

Verrekening van proceskosten arrest d.d. 28-05-2013

Zaaknummer HD 200.100.000/01 € 4.131,00”.

j. Het arrest van 28 mei 2013 in de zaak met nummer HD 200.100.000/01 hebben [appellanten] op 8 juli 2013 aan [geïntimeerden] doen betekenen, met bevel om de proceskosten ad € 4.131,00 en de kosten van het exploot ad € 91,31 te betalen.

k. Bij exploot van 12 juli 2013 hebben [geïntimeerden] aan [appellanten] doen aanzeggen dat zij executoriaal beslag onder zichzelf leggen op de vordering ten bedrage van € 4.131,00 die [geïntimeerden] uit hoofde van het arrest van 28 mei 2013 in de zaak met nummer HD 200.100.000/01 aan [appellanten] verschuldigd waren.

2. [appellanten] vorderen in dit geding – samengevat – te verklaren dat het executoriaal beslag dat [geïntimeerden] onder zichzelf hebben gelegd onrechtmatig is, [geïntimeerden] te bevelen om dat beslag op te heffen, [geïntimeerden] te verbieden verrekening toe te passen en [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 4.131, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

3. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Volgens de rechtbank is de vordering van [appellanten] op [geïntimeerden] ad € 4.131 door de vermelding in het exploot van 31 mei 2013 reeds door verrekening teniet gegaan, zodat het eigenbeslag van [geïntimeerden] geen doel heeft getroffen en [appellanten] geen belang hebben bij hun vorderingen die betrekking hebben op dit beslag. Verder heeft de rechtbank beslist dat de vordering tot betaling van € 4.131 rechtsgrond mist. Het gaat immers om een eerder al door het hof te ’s-Hertogenbosch uitgesproken proceskostenveroordeling, die bovendien reeds door verrekening teniet is gegaan, aldus de rechtbank. De rechtbank is voorts nog ingegaan op de door [appellanten] aangevoerde ‘gebreken en schendingen van vormvoorschriften van openbare aard, bedreigd met de sanctie van nietigheid’ en heeft die alle ongegrond bevonden.

4. In grief I en grief X betoogt [appellanten] dat het thans beroepen vonnis van de rechtbank nietig is, omdat het niet in het openbaar is uitgesproken. De uitspraak is namelijk vervroegd gedaan, zonder partijen daarvan mededeling te doen, zodat zij niet bij de uitspraak aanwezig konden zijn.

5. Uit de door het hof ambtshalve ingewonnen informatie over de gang van zaken in eerste aanleg blijkt als volgt. In deze zaak vond een comparitie plaats op 4 april 2016. De uitspraak werd bepaald op 18 mei 2016. Het vonnis werd vervroegd uitgesproken op 20 april 2016. Wanneer de behandelend rechter denkt dat hij mogelijk eerder of later uitspraak zal doen dan op de roldatum waarnaar de zaak wordt verwezen – volgens het rolreglement zes weken – dan pleegt hij dat mee te delen op de zitting. Dergelijke mededelingen pleegden anno 2016 niet te worden opgenomen in het proces-verbaal van de comparitie. Zo ook in dit geval.

Op de dag van de uitspraak heeft de rechter die het vonnis heeft gewezen, tevens rolrechter, een geprinte versie van het vonnis met daarop zijn originele handtekening uiterlijk om 12.00 uur gedeponeerd op de griffie. De griffie heeft de uitspraak in het elektronische roljournaal verwerkt en partijen via hun advocaten een afschrift toegezonden. Het vonnis van 20 april 2016 is voorts op 22 april 2016 geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBROT:2016:3007.

De omstandigheid dat partijen niet bij de uitspraak aanwezig zijn geweest heeft niet tot gevolg dat de uitspraak niet in het openbaar is geschied. Niet uitgesloten is voorts dat aan het voorschrift dat vonnissen in het openbaar worden uitgesproken op andere wijze wordt voldaan dan door gehele of gedeeltelijke voorlezing ter openbare terechtzitting (ECLI:NL:HR:1996:ZC2129). Het vereiste van openbaarheid van de uitspraak vereist slechts dat deze openbaar wordt gemaakt. Het gaat er bij dit voorschrift om dat de inhoud van het vonnis op het moment van het overhandigen van het afschrift bindend vaststaat en dat een ieder van de uitspraak kan kennisnemen. Aan die eis is voldaan doordat de vervroegde uitspraakdatum via het roljournaal aan partijen is meegedeeld, hen op de datum van de uitspraak een afschrift van het vonnis is verstrekt, door derden vanaf de datum van het vonnis een afschrift kan worden opgevraagd en door publicatie van het vonnis op rechtspraak.nl. De uitspraak wordt geacht te zijn uitgesproken overeenkomstig het aan partijen afgegeven afschrift. De grieven I en X falen.

6. In de grieven II en III voeren [appellanten] aan dat het vonnis van 20 april 2016 niet naar behoren is ondertekend, omdat het vonnis is ondertekend door een andere griffier dan de griffier die op de zitting aanwezig was. Ook deze grieven falen, reeds omdat enig verzuim met betrekking tot de ondertekening van het vonnis niet de geldigheid raakt en niet tot nietigheid leidt (vgl. conclusie A-G Ten Kate voor HR 11 november 1977, ECLI:NL:PHR:1977:AC2186, met betrekking tot het inhoudelijk met artikel 230 lid 3 Rv. overeenstemmende artikel 60 lid 1 Rv (oud)).

7. De grieven IV tot en met IX en XI zijn een herhaling van het debat in eerste aanleg over ‘gebreken en schendingen van vormvoorschriften van openbare aard, bedreigd met de sanctie van nietigheid’. Al deze grieven falen. Inhoudelijk acht het hof de overwegingen van de rechtbank juist en maakt deze tot de zijne. Los daarvan kunnen de grieven de afloop van deze procedure niet veranderen, omdat [appellanten] geen grief hebben gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de vordering van [appellanten] op [geïntimeerden] (uit hoofde van de proceskostenveroordeling door het hof te ’s-Hertogenbosch) is teniet gegaan als gevolg van verrekening en dat er geen rechtsgrond is om [geïntimeerden] nogmaals te veroordelen om € 4.131 aan [appellanten] te betalen. Daarmee is de beslissing op deze vordering van [appellanten] immers gegeven: die vordering moet worden afgewezen. Bij de vordering tot opheffing van het beslag hebben [appellanten] geen belang, aangezien het beslag geen doel heeft getroffen. Genoemde grieven behoeven derhalve geen verdere behandeling meer.

8. Daarmee falen ook de laatste grieven van [appellanten] (XII en XIII), waarin geklaagd wordt dat de vorderingen van [appellanten] door de rechtbank zijn afgewezen en dat hij in de proceskosten is veroordeeld. Deze grieven hebben immers geen zelfstandige betekenis.

9. Nu alle grieven falen, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd en zullen [appellanten] worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

10. Het bewijsaanbod van [appellanten] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet terzake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2016;

  • -

    veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 314 aan verschotten en € 1.074 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, C.J. Verduyn en J.M.T. van der Hoeven-Oud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.