Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1126

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
22-002738-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot afpersing, meermalen gepleegd. De gedragingen van de verdachte richting De Nederlandse Bank vloeien volledig voort uit ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type. De verdachte had op dat moment waandenkbeelden, namelijk dat hij de Euro had uitgevonden.

Het hof gelast de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002738-17

Parketnummer: 09-817393-17

Datum uitspraak: 9 mei 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1968,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 25 april 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde feiten ontslagen van alle rechtsvervolging en is de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van maximaal één jaar gelast.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 3 januari 2017 te Gouda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (de directieleden van) De Nederlandse Bank te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Nederlandse Bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers heeft verdachte aan (een medewerker van) De Nederlandse Bank een e-mailbericht gezonden met de tekst (zakelijk weergegeven):

Na 25 jaar ben ik jullie spuug zat, en gaan er ongelukken gebeuren bij de bank. Met jullie we komen eraan! Ik eis 2.203.610,00 Euro op rek [TNV verdachte]. Heb schuld vieze vuile kankerlijers. Dat jullie je maar dood mogen spuiten. Over maken anders vallen er dooien dit jaar, ik ben jullie nogmaals spuigzat. P.S. dit is geen blackmail maar de waarheid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 3 januari 2017 te Gouda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland de directieleden en/of medewerkers van De Nederlandse Bank heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan (een medewerker van) De Nederlandse Bank een e-mailbericht gezonden met de volgende tekst (zakelijk weergegeven):

Na 25 jaar ben ik jullie spuug zat, en gaan er ongelukken gebeuren bij de bank. Met jullie we komen eraan! Ik eis 2.203.610,00 Euro op rek TNV [verdachte]. Heb schuld vieze vuile kankerlijers. Dat jullie je maar dood mogen spuiten. Over maken anders vallen er dooien dit jaar, ik ben jullie nogmaals spuigzat. P.S. dit is geen blackmail maar de waarheid;

2:
hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Gouda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (de directieleden van) De Nederlandse Bank te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Nederlandse Bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers heeft verdachte aan (een medewerker van) De Nederlandse Bank een e-mailbericht gezonden met de tekst (zakelijk weergegeven): Binnenkort wordt er geschoten, bij de dnb. Of euro bedenkingsgeld overmaken

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Gouda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland de directieleden en/of medewerkers van De Nederlandse Bank heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan (een medewerker van) De Nederlandse Bank een e-mailbericht gezonden met de volgende tekst (zakelijk weergegeven):

Binnenkort wordt er geschoten, bij dnb. Of euro bedenkingsgeld overmaken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte redelijkerwijs kon menen recht te hebben op betaling van een uitvindersloon door De Nederlandse Bank voor het door hem uitvinden van de euromunt en dat De Nederlandse Bank nooit overwogen heeft daadwerkelijk geld over te maken naar de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het feit dat de verdachte meende recht te hebben op de betaling van het door hem gevorderde bedrag betekent nog niet dat hij geen wederrechtelijke bevoordeling kan hebben beoogd. Dit oogmerk kan namelijk ook bestaan indien de verdachte moet hebben beseft dat hij door zijn handelwijze de grenzen van het maatschappelijk betamelijke verre overschreed. Dat dit in casu het geval was leidt het hof af uit de inhoud van de e-mailberichten en de verklaring van de verdachte dat de inhoud van de e-mailberichten deels tot stand is gekomen omdat hij boos was, dat hij zich kan voorstellen dat ‘de bank zich bedreigd’ heeft gevoeld en dat hij zijn excuses heeft aangeboden. Het verweer wordt verworpen.

Voorts is het hof van oordeel dat het voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde niet noodzakelijk is dat De Nederlandse Bank daadwerkelijk heeft overwogen geld over te maken naar de verdachte. Het daarop gerichte verweer wordt eveneens verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 3 januari 2017 te Gouda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (de directieleden van) De Nederlandse Bank te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Nederlandse Bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

immers heeft verdachte aan (een medewerker van) De Nederlandse Bank een e-mailbericht heeft gezonden met de tekst (zakelijk weergegeven):

Na 25 jaar ben ik jullie spuug zat, en gaan er ongelukken gebeuren bij de bank. Met jullie we komen eraan! Ik eis 2.203.610,00 Euro op rek TNV [verdachte]. Heb schuld vieze vuile kankerlijers. Dat jullie je maar dood mogen spuiten. Over maken anders vallen er dooien dit jaar, ik ben jullie nogmaals spuigzat. P.S. dit is geen blackmail maar de waarheid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair:
hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Gouda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (de directieleden van) De Nederlandse Bank te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Nederlandse Bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

immers heeft verdachte aan (een medewerker van) De Nederlandse Bank een e-mailbericht heeft gezonden met de tekst (zakelijk weergegeven):

Binnenkort wordt er geschoten, bij de dnb. Of euro bedenkingsgeld overmaken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.

In het onder 2 ten laste gelegde heeft het hof de laatste zinsnede toegevoegd, aangezien naar het oordeel van het hof uit de tekst van de tenlastelegging in combinatie met de vermelding van artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht onder de tenlastelegging duidelijk is dat een poging ten laste is gelegd. Het hof heeft daarbij betrokken dat de onder 1 ten laste gelegde poging, op dit onderdeel, wel correct is geformuleerd.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot afpersing, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof dient te vraag te beantwoorden of, en zo ja in welke mate, de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het plegen van de bewezenverklaarde feiten.

De verdachte is op 24 februari 2017 bij gelegenheid van zijn voorgeleiding door drs. H.C. Basaran, psychiater, onderzocht. Basaran constateerde dat de verdachte op dat moment waandenkbeelden had. De verdachte dacht namelijk dat hij de Euro had uitgevonden.

Daarnaast vond Basaran aanwijzingen voor een cognitief beperkt functioneren met psychotische belevingen, die aanleiding hebben gegeven tot de totstandkoming van de verdenking. Zowel Basaran als de reclassering hebben geadviseerd een Pro Justitia-rapportage betreffende de verdachte te laten opmaken.

Vervolgens hebben drs. R.A. Sterk, psycholoog, en R.P.M. Janssen, psychiater, getracht de verdachte te onderzoeken. Zij hebben op 20 april 2017 respectievelijk 15 mei 2017 een rapport uitgebracht.

Doordat de verdachte iedere medewerking weigerde, hebben zij de vragen m.b.t. het bestaan van een stoornis en de toerekenbaarheid niet kunnen beantwoorden.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de door de officier van justitie ingebrachte beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2016 en 15 februari 2017, betreffende beslissingen op verzoeken van de officier van justitie om met betrekking tot de verdachte een voorwaardelijke rechterlijke machtiging in het kader van de Wet BOPZ af te geven. Uit deze beschikkingen, en de medische bijlagen daarbij, valt af te leiden dat de verdachte is gediagnosticeerd met schizofrenie van het paranoïde type en dat deze stoornis gevaar doet veroorzaken. Verder gebruikt de verdachte amfetaminen en heeft hij enkele keren zelfstandig besloten zijn medicatie te minderen of helemaal niet meer in te nemen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat hij lijdt aan schizofrenie en heeft de verdachte gepersisteerd in zijn opvatting dat hij de euro heeft uitgevonden.

Het hof acht zich op basis van het vorenstaande en op grond van de indruk die het hof ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, voldoende voorgelicht om een

oordeel te geven over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en concludeert als volgt.

Het hof leidt uit het dossier af dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type. Voor het hof is vast komen te staan dat dit ook het geval was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten. De gedragingen van de verdachte richting De Nederlandse Bank vloeien volledig voort uit deze stoornis en de denkbeelden van de verdachte moeten, mede gelet op de rapportage van de psychiater Basaran, worden aangemerkt als waandenkbeelden die met de stoornis van de verdachte samenhangen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend wegens de ten tijde van het plegen van die feiten aanwezige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De oplegging van een maatregel

Het hof is op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting van oordeel dat de verdachte een gevaar vormt voor anderen. Voorts constateert het hof dat de verdachte zich wisselend bewust is van zijn stoornis en de noodzaak van behandeling, en dat hij in het verleden niet medicatietrouw is geweest. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat, gelet op het tijdsverloop tussen het onderzoek door de psychiater Basaran en de terechtzitting in hoger beroep, sprake is van hardnekkige waandenkbeelden.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof de kans op herhaling groot.

Naar het oordeel van het hof is behandeling en begeleiding in een strikt kader noodzakelijk om herhaling te voorkomen. Dit dient de geschieden in een klinische setting voor langere tijd.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, te weten plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar, geboden is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat is voldaan aan de wettelijke eisen, te weten dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kunnen worden toegerekend en dat de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel eist.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. S.A.J. van 't Hul en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Verbunt.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 mei 2018.

Mr. M.J.J. van den Honert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.