Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1011

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
200.189.632/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschap onder firma. Aansprakelijkheid uitgetreden vennoot voor schulden van de v.o.f.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/291
JONDR 2018/595
OR-Updates.nl 2018-0072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.189.632/01

Zaaknummer rechtbank : 3216011/ 14-20952

arrest van 1 mei 2018

inzake

1. V.O.F. Westlandse Kwaliteit Stomerij,

gevestigd te Den Haag,

en haar vennoten:

2. [vennoot 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [vennoot 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: WKS c.s., en afzonderlijk WKS respectievelijk bij hun volledige naam,

advocaat: mr. C.A. van Gent te 's-Gravenhage,

tegen

[geintimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geintimeerde] ,

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 27 februari 2015 is WKS c.s. in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton (hierna: de kantonrechter), tussen partijen gewezen vonnis van 1 december 2014. Op 6 november 2015 heeft WKS een herstelexploit uitgebracht, omdat de appeldagvaarding niet (tijdig) was aangebracht. Bij memorie van grieven, met producties, heeft WKS c.s. zes grieven aangevoerd. Tegen [geintimeerde] is verstek verleend. Vervolgens heeft WKS c.s. de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [vennoot 1] en [vennoot 2] hebben samen met [geintimeerde] per 1 mei 2001 de vennootschap onder firma Westlandse Kwaliteit Stomerij (WKS) opgericht.

b. Op 17 maart 2014 heeft Admaa Accountants B.V. (hierna: Admaa) WKS c.s. gedagvaard en betaling gevorderd van enkele openstaande facturen tot een bedrag van € 4.320,11, vermeerderd met rente en kosten.

c. WKS c.s. heeft vervolgens [geintimeerde] in vrijwaring opgeroepen in verband met deze vordering.

2. De kantonrechter heeft de vordering van Admaa in de hoofdzaak toegewezen en WKS c.s. veroordeeld in de proceskosten. In de vrijwaringszaak is de kantonrechter er vanuit gegaan dat [geintimeerde] tot 1 augustus 2010 vennoot was van WKS en heeft [geintimeerde] veroordeeld tot betaling van een derde deel van de facturen die betrekking hebben op de vóór die datum door Admaa verrichte werkzaamheden, te weten € 1.266,30. Verder heeft de kantonrechter in rov. 6.10 overwogen:

“WKS heeft over de periode na 1 augustus 2010 pas in deze procedure gesteld dat de opzegging ongeldig is en gesteld dat [geintimeerde] niet heeft voldaan aan de contractuele vereisten voor een opzegging. WKS heeft die stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft [geintimeerde] betwist dat hij niet voldaan zou hebben aan de contractuele vereisten en heeft hij gesteld dat destijds niemand geprotesteerd heeft tegen zijn opzegging. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geintimeerde] sinds l augustus 2010 geen vennoot meer is en dus voor de factuur van 7 juni 2013 niet hoofdelijk aansprakelijk is.”

3. Met haar grieven richt WKS c.s. zich – samengevat – tegen de vaststelling door de kantonrechter dat [geintimeerde] sinds 1 augustus 2010 geen vennoot meer is van WKS en daarmee ook niet meer aansprakelijk voor het werk dat Admaa na die datum voor WKS verrichtte. WKS c.s. geeft in haar memorie voorts aan dat in de vrijwaringsprocedure niet is verzocht om een oordeel over de door [geintimeerde] gestelde opzegging. Gelet op het feit dat er ten tijde van het vonnis van de kantonrechter nog geen vereffening van de v.o.f. had plaatsgevonden, heeft WKS c.s. zich genoodzaakt gezien hoger beroep in te stellen tegen dit vonnis, omdat anders de vaststelling dat [geintimeerde] sinds 1 augustus 2010 geen vennoot meer is in een procedure betreffende de vereffening van de vennootschap als een in rechte vaststaand feit aan [vennoot 1] en [vennoot 2] zou kunnen worden tegengeworpen. Ook thans heeft, ondanks toezegging van [geintimeerde] tot medewerking daaraan, nog steeds geen vereffening en verdeling van de v.o.f. plaatsgevonden.

4. WKS c.s. heeft in hoger beroep haar vordering als volgt nader omschreven:

- primair, betaling aan eisers van al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak zijn veroordeeld bij vonnis van de rechtbank te Den Haag gewezen onder zaak- en rolnummer 2792757 / 14-5096 en uitgesproken op 1 december 2014 tussen eisers als gedaagden en de besloten vennootschap Admaa Accountants B. V als eiseres;

- subsidiair, betaling aan eisers van al hetgeen waartoe zij, ten aanzien van de werkzaamheden die te relateren zijn aan v.o.f. activiteiten van voor 1 augustus 2010, in de hoofdzaak zijn veroordeeld bij vonnis van de rechtbank te Den Haag gewezen onder zaak- en rol/nummer 2792757 / 14-5096 en uitgesproken op 1 december 2014 tussen eisers als gedaagden en de besloten vennootschap Admaa Accountants B. V als eiseres;

- gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief nakosten.

5. Bij de beoordeling van deze vordering heeft als uitgangspunt te gelden dat voor een verhaalsrecht van WKS c.s. op [geintimeerde] is vereist dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Tussen hoofdelijke schuldenaren bestaat ingevolge artikel 6:10 lid 1 BW recht van regres in evenredigheid van ieders draagplicht.

6. WKS als vennootschap onder firma is volledig draagplichtig voor de vennootschapsschulden en heeft daarom geen regresrecht op de vennoten op grond van artikel 6:10 BW. De vennootschapsschulden zijn schulden van de door de v.o.f. gedreven onderneming, die uit het ondernemingsvermogen moeten worden voldaan. Voor zover de onderneming verlies maakt, zou dat tot een aanzuiveringsverplichting op grond van de vennootschapsovereenkomst kunnen leiden. Nu daaromtrent niets is gesteld, kan dat echter niet als grondslag dienen voor de vordering.

7. [vennoot 1] en [vennoot 2] , die als hoofdelijk aansprakelijke vennoten van WKS zijn aangesproken in de hoofdzaak, hebben ieder voor hetgeen zij uit dien hoofde aan Admaa betalen, verhaal op het vermogen van WKS. Zij kunnen ook – behoudens andersluidende afspraken in de vennootschapsovereenkomst – voor een evenredig deel regres nemen op [geintimeerde] , voor zover zij meer dan hun aandeel hebben gedragen (artikel 6:10 lid 2 BW). Voor de door WKS c.s. gevorderde volledige betaling door [geintimeerde] van de facturen van Admaa, ongeacht of zij reeds hebben betaald aan Admaa, biedt artikel 6:10 BW geen grondslag. Voor toewijzing van het mindere, namelijk van hetgeen [vennoot 1] en/of [vennoot 2] meer hebben gedragen dan hun aandeel, is in deze procedure geen plaats omdat WKS c.s. daartoe niets heeft gesteld.

8. WKS c.s. heeft nog aangevoerd dat [geintimeerde] binnen de v.o.f. verantwoordelijk was voor de administratie van de financiën en dat het daarom ook zijn verantwoordelijkheid was om erop toe te zien dat Admaa deugdelijk werk afleverde. Voor zover WKS c.s. hiermee bedoeld heeft te stellen dat [geintimeerde] wegens onbehoorlijke taakvervulling volledig draagplichtig is, geldt dat zij onvoldoende heeft gesteld om dit betoog te kunnen doen slagen.

9. Ook de stelling dat WKS c.s. bij vereffening en verdeling van de v.o.f. nog een aanzienlijke vordering zullen blijken te hebben op [geintimeerde] , kan geen grond zijn voor toewijzing van de vordering. Het gaat immers niet om een vordering uit hoofde van verdeling – voor de beoordeling waarvan iedere informatie ontbreekt – maar om de aansprakelijkheid voor de facturen van Admaa. De vraag of [geintimeerde] is uitgetreden uit de v.o.f. kan derhalve in het midden blijven.

10. Het bewijsaanbod van WKS c.s. wordt als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – en niet terzake dienend – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – gepasseerd.

11. De slotsom is dat, wat er ook zij van de grieven van WKS c.s., haar vordering niet toewijsbaar is. Het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof ziet aanleiding de kosten te compenseren.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigd het vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, van 1 december 2014,

- bepaalt dat WKS c.s. de eigen proceskosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, F.R. Salomons en H.J. van Kooten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.