Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:1004

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
22-000372-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 340.840,04 en legt de veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 261.678,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000372-17 PO

Parketnummer: 09-758798-09 en 09-862612-11

Datum uitspraak: 10 april 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 januari 2017 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren op 31 [geboortejaar] 1956 te [geboorteplaats] (Indonesië),

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Procesgang

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 17 juni 2016 is de veroordeelde ter zake van het in haar strafzaak bewezen verklaarde,

gekwalificeerd als:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

en

verduistering, meermalen gepleegd

en

van het plegen van witwassen een gewoonte maken

en

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl zij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming,

veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en een taakstraf.

De rechtbank Den Haag heeft vervolgens bij vonnis van 13 januari 2017 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 287.959,88 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Namens de veroordeelde is tegen laatstgenoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 27 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 313.526,61 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd.

Beoordeling van het vonnis

Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van strafbare feiten voordeel heeft genoten.

Rapport berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel d.d. 13 september 2012

Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof als uitgangspunt het aan de vordering van het Openbaar Ministerie ten grondslag gelegde Rapport berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel d.d. 13 september 2012.

De berekening in het rapport luidt als volgt:

Beginvermogen op 8 augustus 2007: € 1.972,36

Legale ontvangsten € 54.830,94 +

€ 56.803,30

Eindvermogen op 15 maart 2011:

Saldo contant geld € 65.660,00

Saldo giraal geld € 2.253,92

Bezittingen:

Opel Meriva € 21.971,03

Woning € 290.850,00 +

€ 312.821,03 +

€ 380.734,95 -/-

Beschikbaar voor het doen van uitgaven -€323.931,65

Feitelijke uitgaven gebruiksgoederen € 56.385,77 -/-

Verschil -€ 380.317,42

Het hof is van oordeel dat het hiervoor weergegeven verschil is aan te merken als onverklaarbare uitgaven. Het hof merkt dit bedrag daarom aan als wederrechtelijk verkregen voordeel. Verder heeft de verdachte in verband met, kort gezegd, uitkeringsfraude ten onrechte een bedrag van € 34.348,80 ontvangen. Het hof merkt dit bedrag eveneens aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op grond van het rapport dus (€ 380.317,42 + € 34.348,80 =)

€ 414.666,00.

Minderingsposten

Het hof overweegt dat de rechter ingevolge artikel 36e, achtste lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht is gehouden om bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering te brengen. Gelet op de ratio van die bepaling brengt een redelijke wetstoepassing mee dat met een "in rechte toegekende vordering" als in die bepaling bedoeld, wordt gelijkgesteld een vordering die zich hierdoor kenmerkt dat zij is vastgesteld bij een besluit van een bestuursorgaan, dat onherroepelijk is geworden doordat betrokkene daartegen geen bezwaar of beroep heeft ingesteld (vgl. Hoge Raad 1 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7255). Gelet hierop is het hof van oordeel dat ook het bedrag zoals vermeld in de door de raadsman in hoger beroep overgelegde terugvorderings-beschikking in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op het eerdergenoemde bedrag dienen naar het oordeel van het hof dan ook de volgende posten in mindering te worden gebracht:

- De toegewezen vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] (€ 28.316,74);

- De toegewezen vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij 2] (€ 13.579,38);

- Het bedrag van € 31.929,84, genoemd in de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde terugvorderingsbeschikking d.d. 24 juni 2011.Het totaal daarvan bedraagt € 73.825,96.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van

(€ 414.666,00 - € 73.825,96 =) € 340.840,04 .

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Vaststelling van de betalingsverplichting

Ten behoeve van de vervolgens vast te stellen betalingsverplichting dient acht te worden geslagen op het onder de veroordeelde in beslag genomen, en in de strafzaak verbeurd verklaarde, geldbedrag van € 65.660,- en de verkoopopbrengst van de in de strafzaak in beslag genomen en verbeurdverklaarde Opel Meriva (€ 13.502,00). De op te leggen betalingsverplichting dient naar het oordeel van het hof met de som van deze bedragen ad € 79.162,00 te worden verminderd tot een bedrag van (€ 340.840,04 - € 79.162,00 =) € 261.678,04 (vgl. Hoge Raad 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:1033).

De redelijke termijn

Het hof overweegt dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met drie jaar.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat ook indien rekening wordt gehouden met de omvang van het onderzoek, de door de verdediging in eerste aanleg verzochte schriftelijke ronde en de door de verdediging ingediende aanhoudingsverzoeken in eerste aanleg, welke omstandigheden leiden tot een verlenging van de termijn waarbinnen de zaak in redelijkheid moet zijn afgedaan, sprake is van een overschrijding van deze termijn in eerste aanleg. Gelet echter op de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, waardoor de overschrijding in eerste aanleg is gecompenseerd, zal het hof in dit geval volstaan met het constateren van het hier bedoelde vormverzuim.

Conclusie ten aanzien van de betalingsverplichting

Het hof stelt gelet op het voorgaande het bedrag dat de veroordeelde dient te betalen aan de Staat vast op, afgerond in hele euro’s, (€ 340.840,04 - € 79.162,00 =) € 261.678,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 340.840,04 (driehonderdveertigduizend achthonderdveertig euro en vier cent);

legt de veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 261.678,00 (tweehonderdeenenzestigduizend zeshonderdachtenzeventig euro).

Dit arrest is gewezen door mr. A.E.A.M. van Waesberghe,

mr. S. Verheijen en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2018.