Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:974

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
K16\0430
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof wijst het beklag af, ter zake van mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager],

klager,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 25 augustus 2016 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Den Haag om [beklaagde A] en [beklaagde B], beklaagden, niet te vervolgen ter zake van mishandeling.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 7 december 2016 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie te Den Haag van 15 november 2016.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief van de raadsman van klager d.d. 1 februari 2017, alsmede van de nader aan het dossier toegevoegde (in kleur geprinte) foto’s.

4 De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft op 8 februari 2017 het klaagschrift in raadkamer behandeld. Klager en zijn raadsman zijn verschenen en hebben het beklag toegelicht.

De raadsman heeft gepleit overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen.

Beklaagden zijn niet opgeroepen.

De advocaat-generaal mr. T.W. d’Anjou heeft in raadkamer

- overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag - geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.

5 De feiten

Klager heeft op 25 februari 2016 bij de politie tegen twee politieambtenaren, beklaagden, aangifte gedaan ter zake van mishandeling.

Klager verklaart in zijn aangifte dat hij op 24 februari 2016 is gebeten door een politiehond, is aangehouden door beklaagden en dat hij door hen is geslagen en geschopt. Klager ontkent zich te hebben verzet tegen zijn aanhouding. Hij stelt dat hij zich alleen heeft verdedigd tegen de politiehond.

De hoofdofficier van justitie heeft de zaak geseponeerd, op grond dat de beklaagden gebruik hebben gemaakt van proportioneel, subsidiair en gerechtvaardigd geweld.

De raadsman van klager stelt zich in het klaagschrift op het standpunt dat er wel degelijk sprake is van mishandeling, omdat de inzet van de hond en het later tegen klager gebruikte geweld onrechtmatig was.

Met betrekking tot de feiten verwijst het hof kortheidshalve naar het dossier, nu de feiten gelet op de behandeling in raadkamer bij klager genoegzaam bekend zijn.

Ter zitting in raadkamer heeft de raadsman aangevoerd dat de diensthond klager vond en hem direct beet, terwijl uit het proces-verbaal niet blijkt dat klager op dat moment vluchtte of anderszins gevaarlijk was. Bovendien werd toen het commando “hou vast” gegeven en niet “los”. De raadsman stelt dat beklaagden vervolgd dienen te worden ter zake van mishandeling, onder andere vanwege de inzet van de politiehond onder hun verantwoordelijkheid en op hun instructie en commando, aangezien een diensthond alleen mag worden ingezet wanneer het beoogde doel niet of op ander wijze of met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt.

6 De beoordeling van het beklag

Ter beoordeling staat thans de vraag of de beslissing van de officier van justitie om beklaagden niet te vervolgen op goede gronden is genomen.

De raadsman van klager heeft betoogd dat niet op voorhand gesteld kan worden dat de ambtsedige processen-verbaal van beklaagden betrouwbaarder zijn dan de verklaringen van klager. Het hof merkt hierover op dat het hof, gelet op de gedetailleerde beschrijving van het incident door beklaagden en gelet op de telkens wisselende verklaringen van klager, uitgaat van de juistheid van het ambtsedige proces-verbaal van bevindingen van beklaagden.

Het hof overweegt dat de politie beschikt over het wettelijk toegekende geweldsmonopolie en dat de politie bevoegd (en in bepaalde gevallen zelfs verplicht is) geweld toe te passen indien dit voor de rechtmatige uitoefening van de politietaak en het realiseren van hetgeen in dat kader dient te gebeuren noodzakelijk is. Het toegepaste geweld dat als noodzakelijk kan worden aangemerkt, wordt getoetst aan de hand van criteria van subsidiariteit (was een minder verstrekkend geweldsmiddel ook mogelijk) en proportionaliteit (ging het geweld niet te ver).

In de onderhavige kwestie constateert het hof, na bestudering van de stukken in het dossier en gehoord hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, dat klager tegenover de politie heeft verklaard dat hij de waarschuwing met betrekking tot de inzet van de politiehond heeft gehoord en dat hij ter zitting in raadkamer nogmaals heeft verklaard dat hij niet gevonden wilde worden.

Anders dan de raadsman van klager stelt, oordeelt het hof dat er wel sprake was van een vluchtende verdachte, omdat klager wegliep en zich verstopte in het park en zich wilde onttrekken aan zijn aanhouding. Het hof oordeelt dat de inzet van een politiehond bij de opsporing van een vluchtende verdachte van een misdrijf gerechtvaardigd is in een situatie waarbij de verdachte zich verstopt houdt in een moeilijk toegankelijke en weinig overzichtelijke omgeving.

Uit het dossier blijkt dat klager uit zijn auto stapte en vluchtte voor de ter plaatse gekomen politie, het park inliep, zich in het donker tussen bomen en dichtbegroeid struikgewas verstopte en zich vervolgens – ook na sommatie en de waarschuwing - niet meldde. Gesteld noch gebleken is dat klager de oproep zich te melden en de waarschuwing dat een hond zou worden ingezet niet heeft gehoord en begrepen.

Het hof constateert voorts dat uit de verklaringen in het dossier blijkt dat klager zich heeft verzet door de politiehond bij de hals(band) beet te pakken en de hals af te knellen, tegen de hond te slaan en het dier met zijn benen te omklemmen. Beklaagde [beklaagde A] heeft de hond het commando “hou vast” gegeven om het geweld van klager tegen de hond te beëindigen en controle te krijgen over klager. Omdat klager de hond niet los liet heeft beklaagde [beklaagde A] klager twee vuistslagen op zijn hoofd gegeven. Vervolgens stopte het verzet en heeft de diensthond klager gelost. Beklaagde [beklaagde B] heeft klager tweemaal een schop gegeven tegen diens bovenbeen, omdat klager op het bevel niet wilde blijven liggen maar wilde opstaan en zich niet wilde laten boeien.

Hoewel de foto’s van het letsel van klager ontbreken in het onderhavige dossier, wil het hof aannemen dat klager pijnlijke verwondingen heeft opgelopen door het bijten van de politiehond, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat het bijten door een hond lelijke verwondingen kan opleveren.

Naar het oordeel van het hof zijn de verwondingen van klager evenwel het gevolg van zijn verzet tegen de aanhouding en zijn geweld tegen de hond.

Het hof is dan ook, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat er in casu sprake is van gerechtvaardigd en noodzakelijk geweld dat voldeed aan de normen van subsidiariteit en proportionaliteit, nu klager was gevlucht, zich verborgen had gehouden, zich verzette tegen zijn aanhouding waarbij hij geweld toepaste tegen de hond en hij het beklaagden onmogelijk maakte om hem te boeien.

Het hof dossier biedt derhalve onvoldoende aanknopingspunten om een strafvervolging tegen beklaagden ter zake van mishandeling in te kunnen stellen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

7. De beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 28 februari 2017 door

mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. N.A. Schimmel en

mr. S. van Dissel, leden, in tegenwoordigheid van

mr. M.M. Bakker-Otjens, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.