Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:972

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
22-005046-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2015, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer]. Na een avond uitgaan heeft de verdachte het slachtoffer buiten het café tegen het hoofd en het lichaam geschopt. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] een gebroken rib, een gebroken kaak, een opgezwollen oog, een gebroken jukbeen, een gebroken oogkasbodem en een breuk in de kaakholtewand opgelopen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005046-15

Parketnummer: 10-005676-15

Datum uitspraak: 28 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 maart 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verder is er beslist op de vordering van de benadeelde partij zoals nader in het bestreden vonnis is omgeschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal die [slachtoffer] op/tegen het lichaam en/of op/tegen het hoofd heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 juni 2014 te Rotterdam aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken rib en/of een gebroken kaak en/of een kapot oog en/of blijvende hoofdpijn en/of gebroken jukbeen en/of gebroken oogkasbodem en/of breuk in de kaakholtewand), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans éenmaal op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 26 juni 2014 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer], met dat opzet meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] op/tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het bestreden vonnis

Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe heeft de advocaat-generaal kort gezegd een beroep gedaan op de verklaring die getuige [getuige 1] op 25 februari 2016 bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. De getuige heeft verklaard dat de dader vol tegen de zijkant van het hoofd van het slachtoffer schopte. Door zo te handelen heeft de verdachte, volgens de advocaat-generaal, naar de uiterlijke verschijningsvorm opzet, in voorwaardelijke zin, gehad op de dood van het slachtoffer.

Het hof overweegt in dit verband dat de verklaring die getuige [getuige 1] op dit onderdeel bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd noch wordt ondersteund door de eerdere verklaringen die hij (bij de politie) heeft afgelegd noch door andere bewijsmiddelen. Het hof zal daarom dit onderdeel van zijn verklaring niet tot het bewijs bezigen. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2014 te Rotterdam aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken rib en/of een gebroken kaak en/of een kapot oog en/of blijvende hoofdpijn en/of een gebroken jukbeen en/of een gebroken oogkasbodem en/of een breuk in de kaakholtewand), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans éenmaal op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gevoerde verweren

1. Het gestelde alibi van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op het terras bij café ALS de verjaardag van [getuige 2] heeft gevierd. Op enig moment is de verdachte naar binnen gegaan en heeft daar voetbal gekeken samen met [getuige 3]. [getuige 2] was geen voetballiefhebber, dus hij ging met de anderen naar huis. De verdachte heeft “tot zo” gezegd tegen [getuige 2]. Na het voetbal kijken heeft de verdachte samen met [getuige 3] aan de gokkast gezeten. Aan het einde van de avond heeft de verdachte café ALS verlaten en is hij naar de woning van [getuige 2] gegaan. Daar is hij een half uur tot drie kwartier gebleven. Ter terechtzitting in eerste aanleg is getuige [getuige 2] gehoord als getuige. [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte bij hem was. [getuige 2] hoorde het geluid van een ambulance toen de verdachte bij hem was. Toen maakte hij de connectie met wat er was gebeurd.

Het hof verstaat de verklaring van de verdachte in samenhang met de verklaring van [getuige 2], die is opgeroepen als getuige door de verdediging, aldus dat wordt betoogd dat de verdachte ten tijde van het incident een alibi had, namelijk dat hij bij [getuige 2] was.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft eerst ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij bij café ALS was in verband met de (verlate) verjaardag van [getuige 2]. Dat de verdachte, toen hij het café binnen ging en [getuige 2] naar huis vertrok, “tot zo” tegen [getuige 2] heeft gezegd, omdat hij later nog bij [getuige 2] langs zou gaan, wordt niet bevestigd door [getuige 2]. Het hof overweegt in dit verband dat [getuige 2] heeft verklaard dat hij uit zijn bed werd gebeld door de verdachte. Verder is naar het oordeel van het hof niet genoegzaam komen vast te staan dat de verklaring van [getuige 2] daadwerkelijk betrekking heeft op de vroege ochtend van 26 juni 2014. Het hof overweegt in dit verband dat zowel [getuige 2] als de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg hebben verklaard dat zij hebben teruggerekend om er achter te komen welke datum het was.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte op het moment van het tegen het slachtoffer gepleegde geweld met [getuige 2] in de woning van [getuige 2] was.

2. Getuigen [getuige 1] en [getuige 3]

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 3] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Hiertoe heeft de raadsman kortgezegd aangevoerd dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn. De verdachte heeft in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de getuigen wisselend verklaren, dat “er wordt gejokt” en dat “ze een zondebok zoeken”.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2014 blijkt dat de verbalisanten op 26 juni 2014 naar het Rododendronplein in Rotterdam zijn gegaan. Aldaar zou een man in elkaar worden geslagen. Op het Rododendronplein treffen de opsporingsambtenaren, naast het slachtoffer, de getuigen [getuige 1] en [getuige 3]. Zij worden ter plaatse gehoord.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een complot tegen de verdachte. Op het moment dat de getuigen hun eerste verklaringen hebben afgelegd was er immers nog geen gelegenheid geweest om de verklaringen op elkaar af te stemmen. Bovendien wordt de verdachte door diverse personen onmiddellijk na het incident aangewezen als betrokkene, tevens door personen die niet in directe relatie tot de verdachte staan. Het hof is ook overigens van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten geeft om te veronderstellen dat er sprake is van een complot tegen de verdachte.

Het hof is dan ook van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 3].

3. Het door de raadsman geschetste tijdspad

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het onmogelijk is dat de aangever gelijktijdig met de verdachte rond sluitingstijd het café heeft verlaten. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de aangever heeft verklaard dat hij ver voor sluitingstijd naar huis is gegaan, dat hij daar bier heeft gedronken, dat hij omstreeks 00.00 uur is gaan pinnen en dat hij daarna naar een shoarmazaak is gegaan.

Het hof overweegt dat de aangever heeft verklaard dat hij niet meer weet wat er is gebeurd nadat hij bij de shoarmazaak is vertrokken. Het hof is van oordeel dat de verklaring die de aangever heeft afgelegd niet uitsluit dat hij nadien is teruggekomen naar café ALS en tegen sluitingstijd, gelijktijdig met de verdachte, het café heeft verlaten. Dat de aangever tegen sluitingstijd in de directe omgeving van het café was blijkt immers reeds uit de omstandigheid dat hij op het Rododendronplein in Rotterdam door de verbalisanten is aangetroffen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer]. Na een avond uitgaan heeft de verdachte het slachtoffer buiten het café tegen het hoofd en het lichaam geschopt. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] een gebroken rib, een gebroken kaak, een opgezwollen oog, een gebroken jukbeen, een gebroken oogkasbodem en een breuk in de kaakholtewand opgelopen. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dit blijkt ook uit de aangifte van het slachtoffer waarin hij verklaart behoorlijk bang te zijn naar aanleiding van het incident. Bovendien worden in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid door dergelijke geweldsincidenten aangewakkerd.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 8.460,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering integraal gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij mager is onderbouwd en dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade niet in verhouding staat tot de gevolgen die de benadeelde partij ten gevolge van het ten laste gelegde heeft ondervonden.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 360,- materiële schade is geleden. Dit betreft kort gezegd het eigen risico van zijn ziektekostenverzekering. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 100,-, in verband met de aanschaf van een nieuwe bril, overweegt het hof dat niet is komen vast te staan dat de schade aan de bril het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde angst heeft ondervonden en pijn heeft gehad. Derhalve is het hof van oordeel dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.360,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.360,00 (drieduizend driehonderdzestig euro) bestaande uit € 360,00 (driehonderdzestig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.360,00 (drieduizend driehonderdzestig euro) bestaande uit € 360,00 (driehonderdzestig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 (drieënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. H. van den Heuvel en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2017.