Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:96

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
200.196.061
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot vergoeding wegens onregelmatige opzegging en billijke vergoeding ogv artikel 7:682 lid 1 onder b BW (ontslag na toestemming UWV). Afwijzing vorderingen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 682
Ontslagregeling
Ontslagregeling 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/663
JAR 2017/71
AR-Updates.nl 2017-0170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.196.061/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : 4867767/RP VERZ 16-50162

beschikking van 3 januari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. W.H.N.C. van Beek te Breda,

tegen

Burdock Maintenance Consultants B.V.,
gevestigd te Rijswijk,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Burdock,

advocaat: mr. J.M. van der Woude te Haarlem.

1 Het geding

1.1.

Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 26 juli 2016, is [verzoeker] onder aanvoering van één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag (hierna: de kantonrechter) van 28 april 2016. Burdock heeft een verweerschrift tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel appel ingediend dat op 5 oktober 2016 is ontvangen ter griffie van het hof. [verzoeker] heeft op 15 november 2016 een verweerschrift in (voorwaardelijk) incidenteel appel ingediend. Op 9 december 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen bepleiten. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Bij gelegenheid van de zitting heeft Burdock het incidenteel appel ingetrokken, alsmede het verzoek om [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de UWV-procedure. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

In hoger beroep is niet opgekomen tegen de juistheid van de vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Met inachtneming van die feiten en van hetgeen voorts als niet bestreden is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.2.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1958, was sinds 1 augustus 2008 in dienst van Burdock als general manager. Het salaris bedroeg laatstelijk € 8.773,92 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en jaarlijkse prestatievergoeding.

2.3.

Burdock is een 100% dochter van Burdock Holding B.V. Naast Burdock heeft Burdock Holding nog een aantal andere dochtermaatschappijen. Burdock Holding maakt onderdeel uit van de Burdock Groep, die niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten activiteiten ontplooit. Voor zover hierna wordt gesproken over de in Nederland gevestigde ondernemingen van de Burdock Groep, wordt in navolging van partijen ook wel gesproken over Burdock Nederland. Binnen Burdock Holding is de organisatie zo gestructureerd dat alle business units zijn ondergebracht in een afzonderlijke juridische entiteit. Feitelijk opereerden de dochtervennootschappen op twee vestigingen. Bij Burdock werkten – in fte’s uitgedrukt – 3,7 medewerkers, waaronder [verzoeker] .

2.4.

Burdock heeft eind 2015 bij het UWV ter zake van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] een ontslagvergunning aangevraagd wegens bedrijfseconomische redenen en organisatorische en/of technologische veranderingen. Deel A en B van de aanvraag zijn ingediend op 23 november 2015, deel C op 1 december 2015. Het UWV heeft de aanvraag op 8 december 2015 in behandeling genomen. [verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen de aanvraag.

2.5.

Het UWV heeft op 28 december 2015 toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] wegens bedrijfseconomische redenen op te zeggen. Diezelfde dag heeft Burdock de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 2 februari 2016. Burdock heeft een transitievergoeding van € 25.948,98 bruto aan [verzoeker] betaald.

2.6.

Op 20 januari 2016 heeft de bestuurder van Burdock, de heer [naam bestuurder] (hierna: [betrokkene] ) met [verzoeker] een gesprek gevoerd.

2.7.

[verzoeker] is op 1 maart 2016 in dienst getreden van een andere werkgever.

3 Het geschil

3.1.

In eerste aanleg heeft [verzoeker] – na wijziging van eis – verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. veroordeling van Burdock tot betaling van een bedrag van € 8.822,39 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;
2. toekenning aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 150.000 met rente.

3.2.

[verzoeker] heeft de vordering onder 2 gebaseerd op artikel 7:682 lid 1 onder b BW. [verzoeker] heeft in dat verband gesteld dat er geen geldige ontslagreden was en dat Burdock bovendien ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij opzettelijk onjuiste, onvolledige gegevens in de ontslagprocedure heeft ingebracht dan wel heeft weggelaten.

3.3.

De kantonrechter heeft het verzoek onder 1 toegewezen, maar het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding afgewezen. Deze beslissing is gegrond op het volgende oordeel. Dat Burdock het UWV onjuist en/of onvolledig heeft voorgelicht, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De gesprekken met zijn leidinggevende zijn, zelfs als daarbij is gezegd dat het onverstandig was tegen Burdock te procederen over het ontslag en dat [verzoeker] na 26 weken onder andere looncondities zou kunnen terugkeren, onvoldoende voor het oordeel dat Burdock ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. Bovendien is voor toepassing van artikel 7:682 lid 1 onder b BW vereist dat herstel van een arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet meer mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Die situatie doet zich tussen partijen niet voor. Herstel van de arbeidsovereenkomst is inmiddels niet meer mogelijk en wordt ook niet langer door [verzoeker] verzocht omdat hij met ingang van 1 maart 2016 ander werk heeft. De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd.

3.4.

Dit oordeel vecht [verzoeker] in hoger beroep aan, met dien verstande dat het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding in appel is verminderd tot een bedrag van € 90.000 bruto.

4 Beoordeling in hoger beroep

4.1.

Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding is gestoeld op artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder b BW. Deze bepaling heeft betrekking op het geval waarin een arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV is opgezegd wegens een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW (waaronder het vervallen van arbeidsplaatsen over een toekomstige periode van tenminste 26 weken bezien wegens bedrijfseconomische redenen) terwijl herplaatsing van de werknemer in een passende functie binnen een redelijke termijn niet mogelijk wordt geacht (artikel 7:669 lid 1 BW). Ingeval de kantonrechter van oordeel is dat de toestemming door het UWV ten onrechte is verleend en daarmee de arbeidsovereenkomst op onjuiste gronden is opgezegd, kan de kantonrechter op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder a BW de werkgever veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Is in een dergelijk geval herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan kan de kantonrechter de werknemer een billijke vergoeding toekennen.

4.2.

Voor toekenning van een billijke vergoeding moet dus aan twee zelfstandige vereisten worden voldaan: 1) er bestond geen redelijke grond voor ontslag en/of herplaatsing in een passende functie was mogelijk en 2) herstel is niet meer mogelijk als gevolg van een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het hof zal eerst onderzoeken of aan het onder 1) vermelde vereiste is voldaan. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter aan dezelfde uitgangspunten toetst als die voor het UWV gelden. Anders gezegd, de rechter kan niet volstaan met een beoordeling van de vraag of het UWV tot een juist oordeel is gekomen, maar dient vol te toetsen of de beslissing van de werkgever noodzakelijk is in het belang van een doelmatige bedrijfsvoering en of de mogelijkheden tot herplaatsing in een andere passende functie binnen een redelijke termijn ontbreken.

4.3.

Burdock heeft aan de ontslagaanvraag, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd:

  • -

    Burdock Holding had eind 2014, begin 2015 een forse betalingsachterstand bij de belastingdienst en bij andere crediteuren. In verband daarmee is een aantal (financiële en personele) maatregelen genomen. Deze hebben geleid tot enige verbetering van de resultaten, maar Burdock Nederland draait ondanks alle genomen maatregelen nog steeds verlies en de verwachtingen zijn negatief;

  • -

    Verder is er omzet weggevallen door het wegvallen van een grote klant (Vitol/VTTI);

  • -

    Door de lage olieprijs investeren klanten van Burdock minder, hetgeen ook gevolgen heeft voor Burdock;

  • -

    Gezien het negatieve eigen vermogen van Burdock Holding (volgens de nog niet afgeronde jaarrekening over 2014 was deze € 656.148 negatief) en de negatieve prognoses is verder ingrijpen noodzakelijk;

  • -

    Burdock Holding wil de noodzakelijke kostenbesparing (van € 1.000.000 op personeelskosten) realiseren door afscheid te nemen van de Business Unit/General Managementlaag. Dit betreft zes managers, verdeeld over zes business units;

  • -

    De heer [naam] (hierna: [T. 1] ), in dienst als Business Manager bij Burdock High Tech B.V., werkt gedeeltelijk als senior sales manager. Omdat hij de enige is met specifieke luchtvaartervaring bestaat de mogelijkheid om hem te herplaatsen in de rol die hij feitelijk gedeeltelijk al vervult;

  • -

    Door inkrimping van de Business Unit managementlaag dalen de kosten en verwacht Burdock Holding de margedaling op termijn te kunnen compenseren.

4.4.

[verzoeker] heeft de juistheid van de door Burdock vermelde ontslaggrond aan de hand van verschillende argumenten bestreden. Deze argumenten worden hierna besproken.

4.5.

Voor zover [verzoeker] de juistheid van de in de UWV-procedure aangevoerde slechte financiële situatie van Burdock Holding bestrijdt, wordt hij daarin niet gevolgd. Met de enkele stelling dat de jaarstukken op het moment van de indiening van de aanvraag nog niet definitief waren, heeft [verzoeker] de juistheid van de door Burdock gepresenteerde cijfers onvoldoende bestreden. Burdock heeft in appel bovendien onweersproken aangevoerd dat uit de definitieve jaarrekening over 2014 een negatief eigen vermogen volgt dat nog aanzienlijk lager is (hof: € 1.300.000,- negatief) dan in de voorlopige versie was vermeld.

4.6.

Ook de stelling van [verzoeker] dat Burdock geen juiste voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot de in de nabije toekomst te behalen omzet, wordt verworpen. Burdock heeft weliswaar erkend dat van de voorgenomen projecten twee projecten zijn doorgegaan (in Zuid-Afrika en in Ghana), maar zij heeft ook gesteld dat met de daarmee behaalde resultaten het verlies aan omzet door het wegvallen van de grote klant onvoldoende is gecompenseerd. De door [verzoeker] ten behoeve van de zitting in appel overgelegde presentatie van 20 mei 2015 die betrekking heeft op projecten bij Burdock Tank Terminal Services B.V, een joint venture tussen Burdock en VTTI B.V., vormt in het licht van het daartegen gevoerde verweer van Burdock dat er niet meer projecten zijn bijgekomen dan de al genoemde twee, een onvoldoende onderbouwing van de stelling dat Burdock de verwachtingen te negatief heeft voorgesteld. Dit geldt temeer nu [verzoeker] het door Burdock in het verweerschrift in hoger beroep (onder 57) opgenomen overzicht met de door Burdock Nederland over de jaren 2014, 2015 en 2016 behaalde omzet niet heeft bestreden; uit het overzicht volgt dat de omzet in 2016 is afgenomen ten opzichte van 2015.

4.7.

Ook de stelling van [verzoeker] dat tegenover de daling van investeringen als gevolg van de daling van de olieprijs een toename van de vraag naar onderhoud staat, is door Burdock gemotiveerd bestreden – volgens Burdock is geen sprake van een verhoogde activiteit bij klanten – en niet van een concrete onderbouwing voorzien. Deze stelling wordt daarom evenzeer verworpen.

4.8.

[verzoeker] verwijt Burdock naar het oordeel van het hof voorts ten onrechte dat zij in de ontslagprocedure geen openheid van zaken heeft gegeven over de positie van de heren [T. 1] en [naam] (hierna: [B.] ). Ten aanzien van [T. 1] , één van de Business Unit Managers, heeft te gelden dat Burdock in de toelichtende brief van 23 november 2015 aan het UWV heeft bericht dat voor [T. 1] de mogelijkheid van herplaatsing aanwezig is. Met betrekking tot de positie van [B.] heeft Burdock – onweersproken – gesteld dat deze werknemer geen leiding gaf aan een business unit en om die reden niet is meegenomen bij de reorganisatie. Die toelichting volstaat naar het oordeel van het hof. Van een onjuiste voorlichting is geen sprake.

4.9.

Het voorgaande maakt duidelijk dat ten tijde van de UWV-procedure de verliesgevende situatie van Burdock Holding zo penibel was en de verwachtingen voor de nabije toekomst zo weinig rooskleurig dat verder ingrijpen noodzakelijk was. Burdock Holding heeft ervoor gekozen dat ingrijpen te realiseren door het ontslag van de volledige topmanagementlaag van alle business units.

4.10.

[verzoeker] heeft zich – net als in de UWV-procedure – op het standpunt gesteld dat deze beslissing enkel is ingegeven door de slechte financiële resultaten op holdingniveau, terwijl Burdock de enige vennootschap binnen Burdock Nederland was die positieve bedrijfsresultaten boekte. Aangezien Burdock een zelfstandige vennootschap is, moet de door Burdock aangevoerde ontslaggrond volgens [verzoeker] worden beoordeeld op basis van de bedrijfsresultaten van Burdock en niet van Burdock Holding.

4.11.

Hierover wordt het volgende overwogen. Artikel 3 van de Ontslagregeling bepaalt dat indien arbeidsplaatsen bij een werkgever vervallen wiens onderneming deel uitmaakt van een groep, de noodzaak voor het vervallen van arbeidsplaatsen wordt beoordeeld aan de hand van omstandigheden die van toepassing zijn op de onderneming waar de arbeidsplaatsen vervallen. Uitgangspunt is dus dat elke onderneming binnen een groep op haar eigen financiële positie wordt beoordeeld. In de toelichting op deze bepaling wordt op dit uitgangspunt echter de volgende nuancering aangebracht: in een geval waarin het concern in een slechte financiële positie verkeert, kunnen van een onderneming die onderdeel uitmaakt van het concern, maar op zichzelf niet in een slechte financiële positie verkeert, offers worden gevraagd die kunnen leiden tot het verval van arbeidsplaatsen bij deze onderneming.

4.12.

Met Burdock is het hof van oordeel dat het tot de ondernemersvrijheid van de Burdock groep behoort om in de gegeven omstandigheden te kiezen voor het schrappen van de hele topmanagementlaag van alle business units en daarmee dus van Burdock een offer te verlangen ten gunste van de groep. Uit de ontslagaanvraag blijkt dat Burdock Holding aan loonkosten een bedrag van € 1.000.000 moest bezuinigen, welke bezuiniging kennelijk kon worden bereikt door het ontslag van de volledige topmanagementlaag.

4.13.

Aan dit oordeel doet niet af dat [verzoeker] , zoals hij op zichzelf onbestreden heeft aangevoerd, naar behoren functioneerde. De financiële positie van de groep noopte tot deze beslissing, niet zijn functioneren. Datzelfde geldt voor de stelling dat met vier van de zes managers inmiddels een regeling is getroffen. Dat gegeven doet immers niet af aan het oordeel dat alleen door schrapping van de volledige topmanagementlaag de noodzakelijke kostenbesparing kon worden gerealiseerd.

4.14.

[verzoeker] heeft daarnaast nog de veronderstelling van Burdock bestreden dat zijn ontslag geen negatieve invloed zal hebben op de omzet en de marges, maar ook deze betwisting houdt geen stand. Burdock heeft in het verweerschrift in appel onder 75 e.v. – met cijfers onderbouwd – uiteengezet dat het vertrek van [verzoeker] niet heeft geleid tot een omzetverlies van enige omvang. Deze stellingen heeft [verzoeker] onbesproken gelaten zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Hetzelfde geldt voor de stelling van [verzoeker] dat [betrokkene] , vanwege het gebrek aan inhoudelijke expertise, niet in staat is zijn functie over te nemen. Burdock heeft in reactie hierop onweersproken gesteld dat [betrokkene] op basis van een besluit van de statutaire directie feitelijk de taak van General Manager/Business Unit Manager heeft overgenomen.

4.15.

Op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW moet het verval van de arbeidsplaats worden bezien over een periode van 26 weken. Voor zover [verzoeker] wil betogen dat Burdock met de indienstneming van de heer [naam] op 4 januari 2016 in de functie van senior consultant in wezen beoogde na zes maanden de functie van manager in te vullen en dus geen sprake is van verval van de arbeidsplaats van [verzoeker] over een periode van 26 weken, volgt het hof hem hierin niet. Burdock heeft gemotiveerd bestreden en [verzoeker] heeft niet nader onderbouwd dat [T. 2] na zes maanden daadwerkelijk als manager is gaan werken. Daarbij tekent het hof nog aan dat de functie van senior consultant, gelet op de aanzienlijk lagere honorering (€ 5.000,- bruto per maand), moeilijk als passend kan worden beschouwd.

4.16.

De transcriptie van het door [betrokkene] met [verzoeker] op 20 januari 2016 gevoerde gesprek – waarop het hof onder 4.22 en verder nader zal ingaan – geeft evenmin steun aan de stelling dat van verval van zijn functie geen sprake was. Uit de door [verzoeker] overgelegde – onvolledige – transcriptie van het gesprek blijkt niet dat, zoals [verzoeker] ook zelf onderkent, aan hem een functie van manager is aangeboden. Sterker, in de transcriptie is te lezen dat [betrokkene] [verzoeker] heeft laten weten dat hij niet in zijn huidige functie zou kunnen terugkeren, in welk verband [betrokkene] ook heeft gesproken over de mogelijkheid van het creëren van een nieuwe functie.

4.17.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot het oordeel dat een redelijke grond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] aanwezig was, te weten het over een periode van 26 weken bezien noodzakelijkerwijs vervallen van zijn arbeidsplaats als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden.

4.18.

Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag is daarnaast van belang of herplaatsing van [verzoeker] in een passende functie binnen een redelijke termijn mogelijk was. In dit verband heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat er voor hem, anders dan Burdock in de ontslagaanvraag heeft aangegeven, binnen een redelijke termijn wél een passende functie voorhanden was.

4.19.

Afgezien van het hiervoor al besproken en verworpen betoog van [verzoeker] ten aanzien van (de relevantie van) de aanstelling van [T. 2] , maakt de al genoemde transcriptie van het gesprek van 20 januari 2016 volgens [verzoeker] duidelijk dat er binnen redelijke termijn in elk geval een herplaatsingsmogelijkheid bestond.

4.20.

Bij de beoordeling van dit betoog stelt het hof het volgende voorop. De duur van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW is in artikel 10 Ontslagregeling bepaald op een termijn die gelijk is aan de duur van de wettelijke opzeggingstermijn van artikel 7:672 BW. Dienaangaande heeft de kantonrechter – in verband met het tussen partijen in eerste aanleg bestaande geschil over de door Burdock in acht genomen opzegtermijn –overwogen dat Burdock, mede in aanmerking genomen de proceduretijd van 27 dagen bij het UWV, de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:672 BW mocht opzeggen per 1 maart 2016. Het hof zal deze opzegtermijn, die in appel niet langer in geschil is, als uitgangspunt nemen. Op grond van artikel 10 lid 4 Ontslagregeling vangt deze redelijke termijn aan op de dag waarop wordt beslist op het verzoek om toestemming voor de opzegging, in dit geval 28 december 2015.

4.21.

Het gaat er dus om of er naar inschatting van Burdock tussen 28 december 2015 en 1 maart 2016 een mogelijkheid tot herplaatsing van [verzoeker] in een andere, passende functie bestond. Of die inschatting juist is geweest moet worden beoordeeld naar het moment van de beslissing van het UWV. Burdock heeft gesteld dat op dat moment geen vooruitzicht bestond op een passende functie, welke stelling door [verzoeker] is bestreden.

4.22.

Voor zover [verzoeker] met zijn betoog dat Burdock hem wilde behouden wil zeggen dat deze intentie al voorafgaand aan of ten tijde van de beslissing van het UWV bij Burdock bestond en zij het UWV in zoverre onjuist heeft voorgelicht, kan het hof hem hierin niet volgen. Ter zitting in hoger beroep is van de zijde van Burdock de achtergrond geschetst waartegen het gesprek van 20 januari 206 moet worden beschouwd (pleitnota onder 6 en verder). Volgens Burdock heeft [verzoeker] zich negatief tegenover collega’s uitgelaten over de door Burdock aangevoerde ontslaggrond, hetgeen de nodige onrust heeft veroorzaakt in de organisatie. In die setting heeft de heer [H.] , voorheen bestuurder van Burdock, aan [betrokkene] gevraagd om toch nog eens met Burdock te praten. Daarbij was volgens Burdock ook van belang dat [verzoeker] ontstemd was over de in zijn ogen lage vergoeding en [H.] lange tijd prettig met [verzoeker] had samengewerkt. Verder heeft Burdock in dit verband aangevoerd dat intussen vier van de zes managers een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten en [T. 1] de hem aangeboden functie niet wilde aannemen, terwijl bij de reorganisatie wel rekening was gehouden met de invulling van één herplaatsingsfunctie. [verzoeker] heeft deze stellingen onweersproken gelaten, zodat het hof van de juistheid van de geschetste gang van zaken uitgaat. In het licht van deze achtergrond – die erop lijkt te duiden dat Burdock pas in de loop van januari 2016 is gaan nadenken over het eventuele behoud van [verzoeker] – behoefde de stelling van [verzoeker] dat de intentie om hem in enigerlei functie te behouden al bestond op het moment van de toestemming van het UWV, nadere onderbouwing. Die onderbouwing is echter niet gegeven. Bij deze stand van zaken is voor nadere bewijslevering evenmin plaats.

4.23.

Nog daargelaten dat niet kan worden aangenomen dat Burdock al eind 2015 verwachtte [verzoeker] een andere functie aan te kunnen bieden, geeft de transcriptie van het gesprek evenmin steun voor het oordeel dat Burdock hem direct wilde aannemen. In de transcriptie, waarin overigens ook geen melding wordt gemaakt van een concrete functie, is nergens te lezen dat [betrokkene] met [verzoeker] heeft gesproken over een termijn waarop hij weer in dienst zou kunnen treden. Uit de enkele zinsnede “Tot 1 februari, want dan is de formele ontbinding en dan dan ja (…) lastiger dan hebben we uitbetaald en dan is het klaar” valt onvoldoende af te leiden dat het Burdock voor ogen stond [verzoeker] voor 1 maart 2016 weer in dienst te nemen. Daarbij tekent het hof aan dat de in het geding gebrachte transcriptie slechts een deel van het gesprek omvat en [verzoeker] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bij herhaling heeft gesteld dat [betrokkene] hem in het gesprek een baan heeft aangeboden na ommekomst van 26 weken.

4.24.

De conclusie is dat niet kan worden aangenomen dat herplaatsing van [verzoeker] binnen een redelijke termijn in een andere passende functie mogelijk was. Dit oordeel impliceert dat Burdock, anders dan [verzoeker] heeft betoogd, het UWV ook niet onjuist heeft voorgelicht over de herplaatsingsmogelijkheden.

4.25.

Nu de opzegging niet in strijd is met de in artikel 7:669 BW vervatte vereisten, stuit het verzoek van [verzoeker] al op dat oordeel af. Aan bespreking van het tweede vereiste komt het hof niet toe.

4.26.

Dit oordeel leidt ertoe dat de door [verzoeker] aangevoerde grief wordt verworpen. De beschikking van de kantonrechter zal worden bekrachtigd en [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Volledigheidshalve merkt het hof hierover op dat Burdock, hoewel zij het voorwaardelijk incidenteel appel heeft ingetrokken, niet in de proceskosten die [verzoeker] daarvoor heeft gemaakt, zal worden veroordeeld. Indien dit appel niet was ingetrokken was het hof niet aan de beoordeling daarvan toegekomen omdat niet aan de voorwaarde was voldaan. Ook in dat geval was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling aan de zijde van Burdock geweest. Anderzijds is er evenmin grond om bij de kostenveroordeling af te wijken van het forfaitaire tarief. Alleen in geval van misbruik van (proces)recht kan er aanleiding bestaan een partij in de werkelijke kosten voor rechtsbijstand te veroordelen. De enkele omstandigheid dat [verzoeker] een rechtsbijstandsverzekering heeft en zijn proceskosten daarom (grotendeels) worden vergoed is, zonder bijkomende omstandigheden die niet zijn gesteld, onvoldoende redengevend voor het oordeel dat van misbruik sprake is. Ten slotte bestaat voor een andere proceskostenveroordeling in eerste aanleg evenmin grond. In eerste aanleg zijn partijen immers over en weer in het ongelijk gesteld.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de tussen partijen uitgesproken beschikking van de kantonrechter van 28 april 2016;

  • -

    veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Burdock tot op heden begroot op € 718,- aan griffierecht en € 3.262,- aan kosten van de advocaat;

  • -

    verklaart deze beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D. Aarts, P. van der Kolk-Nunes en C.J. Loonstra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.