Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:922

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
K16/0464
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Sv. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om een politieambtenaar niet te vervolgen ter zake van doodslag.

Het hof komt tot het oordeel dat beklaagde zich, in het korte moment waarop hij moest beslissen, gelet op de hem ter beschikking staande informatie en het gedrag van het latere slachtoffer, ten aanzien van het schieten – gelet op alle omstandigheden – met vrucht zal kunnen beroepen op (putatief) noodweer, waardoor het wederrechtelijke karakter van zijn handelen komt te ontbreken.

Ook komt het hof tot het oordeel dat gelet op de afwegingen van beklaagde onder de gegeven omstandigheden het vuurwapengebruik voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof acht in hoge mate aannemelijk dat bij een voorlegging van deze zaak aan de strafrechter beklaagde zich met vrucht op een strafuitsluitingsgrond zou kunnen beroepen. Daarmee is het belang van klaagster bij vervolging ondergeschikt aan dat van beklaagde, om zich niet ter zake van de uitoefening van zijn functie als verdachte bij de strafrechter te moeten verantwoorden.

Het hof deelt derhalve de visie van het openbaar ministerie en is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden terecht een vervolging van beklaagde achterwege is gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klaagster],

klaagster,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 21 september 2016 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om een politieambtenaar van de Politie Eenheid [plaats], beklaagde, niet te vervolgen ter zake van doodslag op haar zoon [slachtoffer].

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 31 januari 2017 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de Rijksrecherche opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van 10 oktober 2016.

4 De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft op 1 maart 2017 het klaagschrift in raadkamer behandeld. Klaagster en haar raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen en hebben het beklag toegelicht.

Beklaagde is niet opgeroepen.

De advocaat-generaal mr. T.W. d’ Anjou heeft in raadkamer - overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag - geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.

5 De feiten

Klaagster heeft op 2 juni 2016 schriftelijk aangifte gedaan bij de politie tegen een politieambtenaar ter zake van doodslag op haar zoon [slachtoffer].

De Rijksrecherche heeft onderzoek verricht naar het schietincident in het Beatrixpark te Schiedam op 30 mei 2016 door een politieambtenaar. Ten gevolge van dit schietincident is [slachtoffer], de zoon van klaagster, door een politiekogel om het leven gekomen.

De hoofdofficier van justitie heeft besloten de betrokken politieschutter niet te vervolgen.

Er was, aldus de hoofdofficier van justitie, sprake van melding van een overval en beschrijving van de dader. Beklaagde ging ter plaatste en zag aldaar een persoon, naar later bleek [slachtoffer], die aan die beschrijving voldeed. Die persoon gaf geen gevolg aan de sommeringen van beklaagde en bleef in de richting van beklaagde doorlopen ondanks sommaties en waarschuwingen dat geweld zou worden gebruikt indien hij de bevelen van de politie niet zou opvolgen. Het gedrag van [slachtoffer] wekte bij beklaagde – gelet op de eerdere melding van een overval en de beschrijving van de dader - de indruk dat hij een vuurwapen bij zich had. Beklaagde heeft uiteindelijk gericht geschoten richting [slachtoffer].

De hoofdofficier van justitie heeft geconcludeerd dat het ter hand nemen van het vuurwapen, het richten en gericht

houden door de betrokken politieschutter gezien artikel 7, eerste lid onder a van de Ambtsinstructie geoorloofd was.

Ten aanzien van het schieten door de politieschutter kan hij zich – gelet op alle omstandigheden – met vrucht beroepen op (putatief) noodweer. Hierdoor komt het wederrechtelijke karakter van zijn handelen te ontbreken, aldus de hoofdofficier van justitie.

De advocaat-generaal heeft zich hierbij aangesloten en geadviseerd het beklag af te wijzen.

Klaagster wenst de vervolging van beklaagde. De raadsman van klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat aan een getraind politieschutter bepaalde eisen worden gesteld en dat verwacht mag worden dat er adequaat gehandeld wordt. Hoewel het openbaar ministerie zich op het standpunt heeft gesteld dat de politieschutter zich kan beroepen op (putatief) noodweer is klaagster een andere mening toegedaan. De politieschutter beschikte niet over de informatie dat de overvaller zou hebben geschoten. Het direct richten van het vuurwapen op de borst/romp van [slachtoffer] was volgens de raadsman niet noodzakelijk in de onderhavige situatie, aangezien er ruimte was om te volstaan met een waarschuwingsschot en/of een schot op een niet vitaal lichaamsdeel. Klaagster is van mening dat zij haar zoon als gevolg van onzorgvuldig handelen door de politieschutter is verloren.

6 De beoordeling van het beklag

Ter beoordeling staat thans de vraag of de beslissing van de hoofdofficier van justitie om beklaagde niet te vervolgen op goede gronden is genomen.

Het beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat de politie bij de uitoefening van de taken op gebied van preventie van - en optreden tegen strafbare feiten onder meer beschikt over een op wetgeving gebaseerd geweldsmonopolie. De daarbij

geoorloofde, andere dan fysieke, geweldmiddelen daarvoor zijn limitatief opgesomd, waaronder een vuurwapen.

Aan de rechter ter beoordeling voorgelegd geweld dat is uitgeoefend door politiefunctionarissen in het kader van

de uitoefening van politietaken wordt primair getoetst aan de strafwetgeving, artikel 7 van de Politiewet en de Ambtsinstructie.

Op grond van artikel 7 van de Politiewet zijn politieambtenaren bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van hun bediening geweld toe te passen, voor

zover dit noodzakelijk is en de mate van geweld passend is in verhouding tot het beoogde doel.

Volgens artikel 7, eerste lid, onder a van de Ambtsinstructie is het gebruik van een vuurwapen onder andere geoorloofd om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken.

Allereerst dient derhalve, in gevallen waarbij de politie geweld heeft toegepast, te worden vastgesteld of sprake is

geweest van een rechtmatig optreden. Vervolgens of het noodzakelijk was om geweld toe te passen teneinde hetgeen de politie wilde realiseren te bewerkstelligen. Voorts

dient het toegepaste geweld te worden getoetst aan beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Vervolgens dient indien de geweldsaanwending die toetsing niet doorstaat, in het kader van de artikel 12 Sv beklagprocedure bovendien de vraag te worden beantwoord of een strafvervolging opportuun is.

Doorslaggevend voor de beoordeling van de vraag of beklaagde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

was om [slachtoffer] aan te houden en daarbij gerechtigd was zijn vuurwapen te gebruiken ter aanhouding van de verdachte, is of beklaagde i.c. in redelijkheid kon en mocht menen, dat hij zich in een situatie bevond als beschreven in artikel 7.1.a. van de Ambtsinstructie, meer in het bijzonder of hij kon menen dat sprake was van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had en dit tegen personen zou gebruiken, waardoor dat gebruik gerechtvaardigd was en dat dit ook noodzakelijk was en voldeed aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.

Bij een beroep op zogenoemde putatieve noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij

verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De feiten in deze zaak

Het hof gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit. Deze blijken uit het dossier en zijn door klaagster op zichzelf niet of onvoldoende weersproken.

Op maandag 30 mei 2016 omstreeks 19:40 uur belt een man naar het landelijk alarmnummer van de politie 112. De man meldt dat hij is overvallen in het Beatrixpark te Schiedam. Bij de overval is door de dader op hem geschoten. De dader heeft bij de overval onder meer een grote grijze Nike tas gestolen. Het opgegeven signalement van de dader betreft een donkere man met een witte capuchon.

Tijdens het telefoongesprek tussen melder en centralist wordt onmiddellijk getracht deze melding uit te geven aan een of meer surveillance eenheden in Schiedam. Politiesurveillance eenheden in de omgeving van Schiedam

zijn echter druk met de afwikkeling van andere meldingen en kunnen niet (onmiddellijk) reageren op deze melding.

Op het politiebureau zijn beklaagde en zijn collega aanwezig. Beklaagde besluit na overleg met zijn collega alleen op de melding af te gaan. Beklaagde heeft alleen

een portofoon bij zich en zijn collega geeft bijzonderheden door aan beklaagde.

De informatie waarover beklaagde beschikt op het moment waarop hij het politiebureau Schiedam verlaat is het signalement van de vermoedelijke dader en diens kleding, de kenmerken van de buit (grijze Nike sporttas) en een indicatie van de mogelijke plaats delict van de beroving/overval. Zijn collega ziet op een camerabeeld in de omgeving van de kinderboerderij in het Beatrixpark een man, die voldoet aan het signalement van de vermoedelijke overvaller/berover. Hij meldt dit aan beklaagde. Beklaagde ziet daarna de vermoedelijke overvaller in de bosjes staan. Hij meldt dit via de portofoon.

De man draagt een sporttas die overeenkomt met de tas die in de melding was genoemd. De man draagt kleding die bij de melding van de overval was beschreven en vertoonde persoonskenmerken van de beschrijving van de dader. Daarnaast ziet beklaagde dat de man om zijn nek een tasje draagt dat iets kleiner is dan een A4-formaat. Dit nektasje hangt ter hoogte van zijn buik/broeksriem. Achter dit nektasje verbergt de man zijn beide handen.

Beklaagde merkt de man als verdachte aan en wil hem aanhouden. Beklaagde roept de verdachte aan. De verdachte is op dat moment ongeveer tien meter bij beklaagde verwijderd. Beklaagde roept ‘staan blijven, politie. Stop. Je bent aangehouden’. De verdachte stopt en draait zich naar beklaagde om. Beklaagde roept een aantal keer dat de verdachte zijn handen, die hij nog steeds verbergt achter het nektasje, moet laten zien. De verdachte luistert niet. Beklaagde hoort de verdachte op enig moment ook iets zeggen als ‘willen jullie mij ook doodschieten?’ De verdachte gedraagt zich zenuwachtig, beweegt zijn handen achter het nektasje en wekt bij beklaagde ook de indruk dat hij wil vluchten. Op dat moment trekt beklaagde zijn vuurwapen en richt dit op de verdachte. Beklaagde is nog steeds alleen. Beklaagde geeft via de porto door dat hij de verdachte heeft aangetroffen maar dat deze niet wil luisteren en dat beklaagde een vuurwapen heeft gericht. Herhaaldelijk roept beklaagde tegen de verdachte dat hij zijn handen moet laten zien en dat bij een verdachte beweging zal worden geschoten.

Op een bepaald moment trekt de verdachte plotseling zijn handen achter het nektasje vandaan en maakt een beweging waarbij de verdachte iets op beklaagde richt (beklaagde spreekt over een beweging ‘zoals wij een vuurwapen trekken

en dit met beide handen richten’). Beklaagde ziet dat de verdachte iets in zijn handen houdt. Omdat de kleding, het nektasje en het voorwerp van de verdachte alle donker zijn, kan hij niet zien wat de verdachte in zijn handen houdt. Beklaagde ziet ook dat de verdachte met versnelde pas in zijn richting begint te lopen. Hierop schiet beklaagde twee tot drie keer op de verdachte. Beklaagde duikt daarna direct weg achter het portier van zijn dienstauto. Beklaagde hoort knallen, waarvan hij niet weet of de knallen zijn eigen schoten zijn, schoten van de verdachte of een eventuele echo. Kort hierop staat beklaagde weer op en ziet dat de verdachte nog steeds op hem afloopt. Wederom schiet beklaagde twee of drie maal op de verdachte. Weer duikt beklaagde achter het portier/auto weg. Voor de derde maal komt beklaagde omhoog. Mogelijk schiet beklaagde dan nog twee of drie maal. Dit weet hij echter niet zeker meer. Hij ziet in ieder geval op dat moment dat de verdachte in elkaar zakt. Tijdens een van deze schietmomenten ziet beklaagde iets door de lucht vliegen. Hij weet niet wat. Vrijwel direct na het schieten arriveert een collega. De verdachte leeft nog en wordt geboeid. Bij controle daarna blijkt de verdachte niet meer aanspreekbaar. De verdachte heeft niets in zijn handen. In

de nabijheid van de verdachte wordt een GSM in een zwart hoesje gevonden. Er wordt geen vuurwapen bij het slachtoffer aangetroffen.

De getuige [getuige 1] die op dat moment in het park was heeft verklaard te hebben gezien dat een jongen zijn hand achter een tasje verborgen had. De getuige vond het opvallend en vertrouwde het niet helemaal. Hij vermoedde dat die jongen een vuurwapen achter het tasje hield.

De getuige [getuige 1] was samen met getuige [getuige 2]. [getuige 2] gaf aan dat een jongen achter de tas zijn hand in zijn broeksband had verstopt. Volgens de getuige was de jongen nerveus en op zijn hoede.

[getuige 1] en [getuige 2] vinden in het park spullen van [slachtoffer], waaronder een I-pad waarop een foto te zien is van [slachtoffer] met daarbij de tekst: het spijt me [ex-vriendin] (de ex-vriendin) ik hou van je. Goodbye my bird. Ps vertel het haar.

Voorts is het volgende bericht aangetroffen van [slachtoffer] aan [ex-vriendin]:

‘hield echt van je

Ja als je ooit die film Public Enemies kijkt, zal je het pas echt begrijpen. Hoe ook Johnny Depp in zijn rol van die vrouw hield en waarom ik zo heb gedaan wat ik nu ga

doen. Het liedje daarin die film heeft Goodbye my bird of iets in die richting … gewoon afscheid’.

Dit bericht is van 30 mei 2016 om 13.25 uur.

Beklaagde heeft hierover verklaard dat hij – gelet op het niet meewerkende en onberekenbare gedrag van de hem naderende man – zijn portofoon aan zijn broeksband heeft teruggehangen en zijn vuurwapen met beide handen op de romp van de man heeft gericht om zijn aandacht volledig op hem te kunnen richten. Daarbij heeft beklaagde de man meermalen gewaarschuwd dat hij zijn handen moest laten zien en dat bij elke verdachte beweging geschoten zou worden. Vervolgens trok de man plotseling zijn handen achter het nektasje vandaan en maakt een beweging waarbij hij iets op beklaagde richtte.

In de beleving van beklaagde richtte de man een vuurwapen op hem. Hierdoor ontstond voor beklaagde in zijn beleving een noodweersituatie en bevond hij zich in een situatie van ‘hij of ik’ en kon hij in deze situatie niet anders dan zijn vuurwapen gebruiken. De beklaagde heeft toen een of twee schoten in de richting van de hem naderende man gelost. Hij is daarna weggedoken, zag de man nog steeds in

zijn richting lopen en heeft toen weer enkele schoten gelost.

Beklaagde verkeerde op het moment van het schieten in de stellige overtuiging dat hij het risico liep om het leven te verliezen of ten minste zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

De beoordeling

Toepassing van het hiervoor geschetste beoordelingskader op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval brengt het hof tot het oordeel dat sprake was van een situatie als beschreven in artikel 7.1.a. van de Ambtsinstructie, aangezien beklaagde redelijkerwijs mocht aannemen dat de aan te houden persoon kort daarvoor een overval had gepleegd en gelet op zijn gedrag en houding een voor onmiddellijk gebruik zijnd vuurwapen bij zich had en dit tegen hem zou gebruiken, hetgeen bevestiging vindt in de getuigenverklaringen, die het gedrag van deze persoon opvallend vonden en ook dachten dat hij een wapen met zich droeg. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het ter hand nemen, richten en gericht houden van het vuurwapen was gerechtvaardigd conform artikel 7, eerste lid onder a van de Ambtinstructie.

Het hof is van oordeel dat beklaagde terecht in de veronderstelling verkeerde dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijk aanranding en derhalve van een noodweersituatie, ook al is achteraf geen vuurwapen aangetroffen bij het slachtoffer. Het dreigend gevaar was – gelet op alle voornoemde omstandigheden – dermate reëel voor beklaagde dat er sprake is van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het gevaar waarin hij in zijn beleving verkeerde.

Het hof is van oordeel dat beklaagde zich, in het korte moment waarop hij moest beslissen, gelet op de hem ter beschikking staande informatie en het gedrag van het

latere slachtoffer, ten aanzien van het schieten – gelet op alle omstandigheden – met vrucht zal kunnen beroepen op (putatief) noodweer, waardoor het wederrechtelijke karakter van zijn handelen komt te ontbreken.

Het hof is van oordeel dat het afvuren van zeven kogels in deze situatie proportioneel is te noemen, aangezien beklaagde in de overtuiging verkeerde – en redelijkerwijs mocht verkeren - dat hij het risico liep het leven te verliezen of zwaar lichamelijk letsel op zou lopen, toen

de verdachte op hem af bleef lopen en geen gehoor gaf aan zijn bevelen, ook niet nadat beklaagde al enkele schoten had gelost.

Ten aanzien van de vraag of beklaagde anders had moeten handelen door het geven van een waarschuwingsschot of het schieten op een minder vitaal lichaamsdeel acht het hof het volgende van belang.

Beklaagde verklaarde dat het zijn doel was om de situatie te bevriezen tot zijn collega’s ter plaatse waren. Om die reden heeft beklaagde gekozen om verbaal te waarschuwen dat de verdachte zijn handen moest laten zien en dat anders geschoten zou worden. Door het afvuren van een waarschuwingsschot zou de situatie mogelijk escaleren en zou hij zijn wapen van de dreiging af moeten houden. Daarnaast stond beklaagde er alleen voor en stond hem geen minder ingrijpend middel ter beschikking om het gevaar af te wenden. Beklaagde heeft eerst een aantal keer mis geschoten en is in de tussentijd meerdere malen weggedoken voordat de verdachte stil stond. Het hof is van oordeel dat gelet op de afwegingen van beklaagde onder deze omstandigheden het vuurwapengebruik voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Door niet te luisteren naar de herhaaldelijke bevelen die door beklaagde werden gegeven en beklaagde dreigend te (blijven) benaderen heeft het latere slachtoffer het risico genomen dat beklaagde zijn vuurwapen zou gebruiken om zich te verdedigen.

Voor de veronderstelling dat dit mogelijk zelfs de bedoeling van het slachtoffer was kan achteraf bevestiging worden gevonden in het gegeven dat de stiefvader van [slachtoffer] na het beluisteren van het meldkamergesprek waarbij een overval in het Beatrixpark werd gemeld en een dader werd beschreven, de stem van zijn zoon heeft herkend. Daarnaast zijn berichten van [slachtoffer] aangetroffen op de I-pad aan zijn ex-vriendin en op Instagram aan zijn neef waaronder het laatste bericht op 30 mei 2016 om 19:43 uur en heeft hij verwezen naar een specifieke film, waarin een persoon wordt dood geschoten door de politie, welke gegevens er op zouden kunnen wijzen dat [slachtoffer] bewust de confrontatie met de politie heeft opgezocht en afscheid aan het nemen was.

Dit neemt niet weg dat de gebeurtenissen zonder meer

zeer betreurenswaardig zijn voor klaagster en de overige nabestaanden.

Het hof acht in hoge mate aannemelijk dat bij een voorlegging van deze zaak aan de strafrechter beklaagde zich met vrucht op een strafuitsluitingsgrond zou kunnen beroepen. Daarmee is het belang van klaagster bij vervolging ondergeschikt aan dat van beklaagde, om zich niet ter zake van de uitoefening van zijn functie als verdachte bij de strafrechter te moeten verantwoorden.

Het hof deelt derhalve de visie van het openbaar ministerie en is van oordeel dat onder deze omstandigheden terecht een vervolging van beklaagde achterwege is gelaten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

7 De beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 23 maart 2017 door mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. R.C. Schlingemann en mr. A.W. Beelaerts van Blokland, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Kiela, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.