Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:911

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
200.206.379/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Omgangsondertoezichtstelling blijft in stand omdat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 maart 2017

Zaaknummer : 200.206.379/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 16-3353

Zaaknummer rechtbank : C/10/513423

[appellant] ,

wonende [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J-M.F. Honders te Rotterdam,

- de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 29 december 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 december 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof is voorts het volgende stuk, van de zijde van de gecertificeerde instelling, ingekomen:

- op 1 februari 2017 een brief van 30 januari 2017 met bijlagen.

De zaak is op 1 maart 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [naam] namens de raad;

  • -

    de vader bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    [naam] namens de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de minderjarige: [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling met ingang van 14 december 2016 tot 14 december 2017. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Onder meer staat het volgende vast:

- de ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige;

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de periode van 14 december 2016 tot 14 december 2017.

2. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het inleidende verzoek van de raad af te wijzen.

3. De raad heeft zich daartegen mondeling verweerd.

4. De moeder stelt dat de ondertoezichtstelling ten onrechte door de rechtbank is verleend, omdat de gronden daarvoor niet aanwezig zijn. Volgens de moeder is louter sprake van een

omgangsondertoezichtstelling. Dit terwijl de omstandigheid dat een omgangsregeling (het hof begrijpt: zorgregeling) niet op vrijwillige basis tot stand komt, het opleggen van een maatregel als de onderhavige niet rechtvaardigt. De moeder doet in dit verband een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 13 april 2001, NJ 2002, 4 (ECLI:NL:HR:2001:AB1009). Voorts betwist de moeder een negatief beeld van de vader te hebben en het contact tussen de vader en de minderjarige af te wijzen. De moeder heeft echter wel zorgen over dit contact, onder meer omdat de vader zowel de minderjarige als de moeder heeft mishandeld. Volgens de moeder zijn de door haar genoemde zorgen ook onderkend door de voorzieningenrechter, door wie het verzoek van de vader om nakoming van de zorgregeling is afgewezen. Voorts stelt de moeder dat een ondertoezichtstelling een inbreuk vormt op ‘family life’. Om deze inbreuk te rechtvaardigen dient duidelijk te zijn dat andere middelen ter afwending van de bedreiging hebben gefaald of naar te voorzien is, zullen falen. Daar moeten in ieder geval hoge eisen aan worden gesteld. De moeder stelt dat thans hetzelfde resultaat kan worden bereikt met een minder ingrijpende maatregel. Daarbij is de moeder van mening dat problemen ten aanzien van de omgang niet door middel van een ondertoezichtstelling dienen te worden opgelost. De moeder heeft de kinderrechter in eerste aanleg gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 14 (het hof begrijpt: 17) januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91), waaruit blijkt dat het de taak van de rechter is om te bevorderen dat een omgangsregeling tot stand komt indien één van de ouders daar niet aan meewerkt. Dit heeft ertoe geleid dat het verzoek tot de ondertoezichtstelling van de minderjarige is aangehouden en dat partijen in mediation zijn gegaan. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Volgens de moeder omdat het mediation-traject binnen een maand diende te worden afgerond. De moeder stelt dat daarmee geen recht is gedaan aan de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 en de mogelijkheid van een minder ingrijpende maatregel niet ten volle is uitgeprobeerd.

5. Ter zitting is namens de moeder erkend dat de minderjarige in haar ontwikkeling wordt bedreigd doordat zij geen contact met haar vader heeft. Desondanks is de moeder van mening dat omgang met haar vader een ernstigere bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige zou opleveren. De minderjarige ervaart na lange tijd eindelijk rust. De moeder is met de minderjarige verhuisd en zij heeft haar schulden onder controle. De moeder heeft desgevraagd meegedeeld dat zij hoopt dat een reguliere zorgregeling op termijn tot de mogelijkheden behoort. Namens de moeder is gesteld dat een ondertoezichtstelling echter niet het geëigende middel is om dit te bewerkstelligen. Daarbij heeft de moeder reeds hulpverlening in een vrijwillig kader ingeschakeld. Deze hulpverlening is erop gericht om te bezien op welke wijze de ouders op constructieve wijze invulling kunnen geven aan het ouderschap. Desgevraagd heeft de moeder meegedeeld dat de hulpverlener die hij het gezin betrokken is deel uitmaakt van het team huiselijk geweld en dat hij reeds betrokken was bij het gezin toen partijen nog samenleefden.

6. Uit het raadsrapport blijkt het volgende. De raad heeft zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van de minderjarige. De minderjarige krijgt doordat zij wordt geconfronteerd met de hevige negatieve emoties van haar moeder ten opzichte van haar vader niet de kans om een band met haar vader op te bouwen. Daarnaast staat dit in de weg aan onbelast en onbevangen contact tussen de vader en de minderjarige, terwijl de minderjarige dit wel graag zou willen. Het is belangrijk dat de minderjarige emotionele en verbale toestemming zal krijgen om het contact met haar vader te hervatten. Gelet op de zorgen ten aanzien van de ontwikkeling van de minderjarige en de niet-meewerkende houding van de moeder om samen met de vader problemen op te lossen is de raad van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

7. Ter zitting is namens de raad aangevoerd dat de minderjarige tijdens het raadsonderzoek heeft verteld dat zij haar vader wil zien en dat zij haar vader mist. De raad heeft van de school die de minderjarige bezocht vernomen dat de vader een betrokken vader was, die de minderjarige vaak naar school bracht en haalde. Hoewel de moeder in juridische procedures heeft gesteld dat de vader veelvuldig in aanraking is geweest met justitie en dat hij een strafblad heeft, komt de vader niet voor in de Justitiële Documentatie. De raad vindt dit opmerkelijk. Het baart de raad in het bijzonder zorgen dat de minderjarige nu geen contact meer zou willen hebben met haar vader. De raad vermoedt dat dat veroorzaakt wordt doordat de minderjarige loyaal is aan haar moeder. Volgens de raad is het belangrijk dat de gecertificeerde instelling met de minderjarige praat en zal bezien in hoeverre zij met haar vader in contact kan komen. Desgevraagd is namens de raad meegedeeld dat hulpverlening in het vrijwillige kader ontoereikend is gebleken.

8. De jeugdbeschermer heeft ter zitting namens de gecertificeerde instelling aangevoerd dat zij de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek met de moeder en haar advocaat heeft gehad. De vader heeft zij telefonisch gesproken. De jeugdbeschermer heeft de ouders gevraagd onder welke voorwaarden omgang zou kunnen plaatsvinden tussen de vader en de minderjarige. De vader heeft meegedeeld dat hij overal voor open staat om te bewerkstelligen dat het contact tussen hem en de minderjarige wordt hervat. De jeugdbeschermer vindt het zorgelijk dat de moeder geen mogelijkheden ziet voor contactherstel. Het doel van de gecertificeerde instelling is om te bezien op welke wijze de omgang op een voor de minderjarige veilige wijze tot stand kan worden gebracht. De jeugdbeschermer vindt het daarbij belangrijk om de stem van de minderjarige te horen door bijvoorbeeld gebruik te maken van de drie-huizen-methodiek.

9. Namens de vader is ter zitting aangevoerd dat de moeder herhaaldelijk heeft verklaard dat zij openstaat voor hulpverlening in het vrijwillige kader, maar dat er feitelijk niks verandert. De vader betreurt dit. De vader mist de minderjarige en hij is ervan overtuigd dat de minderjarige hem ook mist. De vader betwist de minderjarige te hebben mishandeld. Namens de vader is aangevoerd dat hoe langer het contact tussen de vader en de minderjarige uitblijft hoe groter de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige zal worden. Om deze reden is de vader van mening dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, zodat de ondertoezichtstelling in stand blijft.

10. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn. Uit dat artikel volgt dat een minderjarige onder toezicht gesteld kan worden indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is/zijn te dragen.

11. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009; zie tevens HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073) blijkt dat voor het opleggen van de maatregel van een ‘omgangsondertoezichtstelling’ op de voet van art. 1:254 (oud) BW de volgende maatstaf geldt:

“Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen.”

12. Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden (HR: 19 februari 2016: ECLI:NL:HR:2016:295).

13. Hoewel de grond voor de ondertoezichtstelling sinds 1 januari 2015 is gewijzigd, gaat het hof ervan uit dat de maatstaf die de Hoge Raad met betrekking tot de omgangsondertoezichtstelling heeft aangelegd met inachtneming van de nieuwe gronden op dezelfde wijze van toepassing is.

14. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de vader nauw betrokken was bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige totdat hij plotseling uit het leven van de minderjarige is verbannen. Het hof is van oordeel dat het uitblijven van contact tussen de minderjarige en haar vader een ernstige bedreiging in de identiteitsontwikkeling van de minderjarige oplevert, hetgeen ter zitting ook door de moeder is erkend. Daarnaast acht het hof de omstandigheid dat de minderjarige tegen de raadsonderzoeker heeft verklaard dat zij haar vader mist en hem graag wil zien, maar thans afwijzend is ten opzichte van het contact met haar vader, zeer zorgelijk. Het hof kan zich gelet op de rigide houding van de

moeder ten opzichte van de vader die door de raad en de gecertificeerde instelling is geconstateerd en ook door het hof ter zitting is waargenomen, niet aan de indruk onttrekken dat deze gevoelens de minderjarige beïnvloeden en hierdoor een beroep op de loyaliteit van de minderjarige wordt gedaan. Hoewel de moeder stelt dat zij open staat voor hulpverlening in het vrijwillige kader en deze vorm van hulpverlening reeds toegepast wordt in het gezin, heeft dit vooralsnog niet tot verbetering geleid in de impasse die tussen de ouders is ontstaan. Daarbij is evenmin gebleken op welke wijze de minderjarige bij de hulpverlening wordt betrokken en in hoeverre de hulpverlening wordt toegespitst op haar behoeften. Het hof acht het dan ook van groot belang dat de gecertificeerde instelling zal onderzoeken waar de plotselinge weerstand van de minderjarige vandaan komt en bij welke vorm van hulpverlening de minderjarige het meest zou zijn gebaat om de ernstige bedreiging in haar ontwikkeling weg te nemen.

15. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, D. Wachter en E.C. Punselie, bijgestaan door mr. D.A. Lengyel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2017.