Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:905

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
200.207.696/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toelating WSNP. Voldoende aannemelijk dat schulden te goeder trouw zijn ontstaan en voldoende aannemelijk dat verplichtingen zullen worden nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.207.696/01

Rekestnummer rechtbank : C/10/513996 / FT EA 16/2729

arrest van 28 maart 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. T. Gümüs te Rotterdam.

Het geding

Bij verzoekschrift (met productie), ingekomen ter griffie van het hof op 19 januari 2017, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2017, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 7 maart 2017 is nog een aantal producties aan het hof toegezonden. Kort voor de mondelinge behandeling is nog een productie aan het hof overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Verschenen is: [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat en de tolk de heer B.P. den Butter.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 9 november 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 56.364,26.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant] gedurende zijn detentie in Turkije een WIA-uitkering heeft ontvangen terwijl hij daar geen recht op had.

Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat, nu [appellant] de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, onvoldoende aannemelijk is dat hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw).

3. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.

In april 2013 is [appellant] ten onrechte aangehouden en twee jaar gedetineerd geweest in Turkije. Ten aanzien van de schuld aan het UWV heeft [appellant] aangevoerd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij ook gedurende zijn detentie recht had op een WIA-uitkering. Zijn vaste lasten in Nederland liepen immers door. Los hiervan heeft een van zijn kinderen het UWV wel op de hoogte gebracht van zijn detentie. Daarnaast stond op de formulieren, die [appellant] ten tijde van zijn detentie van de Nederlandse ambassade had ontvangen en ingevuld retour had gestuurd, vermeld dat hij gedetineerd was.

Verder heeft [appellant] aangevoerd dat hij iemand bereid heeft gevonden om hem gedurende de schuldsaneringsregeling bij te staan en te helpen bij de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling.

Met betrekking tot de schulden aan Lindorff en Stad Holland Zorgverzekeraar heeft [appellant] aangevoerd dat deze, anders dan op de schuldenlijst vermeld staat, buiten de vijfjaarstermijn zijn ontstaan.

Tot slot doet [appellant] een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.

4. Het hof overweegt als volgt. Toen [appellant] in april 2013 in Turkije werd opgepakt, genoot hij een WIA-uitkering. [appellant] heeft gesteld dat zijn zoon het UWV van de detentie mondeling op de hoogte heeft gesteld, doch dit kan bij gebreke van bewijs niet zonder meer worden aangenomen. In ieder geval staat vast dat een jaar later, in april 2014, aan het UWV schriftelijk is bericht over de detentie. De te beantwoorden vraag is of het niet tijdig informeren van het UWV, als gevolg waarvan een aanzienlijke schuld is ontstaan, zodanig verwijtbaar is dat het aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zou moeten staan. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Aannemelijk is dat voor [appellant] communicatie vanuit de gevangenis in Turkije moeilijk was. Niet onbegrijpelijk is verder dat [appellant] zich niet, althans niet meteen, heeft gerealiseerd dat de detentie gevolgen zou kunnen hebben voor zijn uitkering. Zijn vaste lasten in Nederland liepen immers onverminderd door. Er is ten slotte geen reden voor het oordeel dat de ontstane situatie voor risico van [appellant] dient te komen. [appellant] is na een detentie van twee jaar vrijgelaten en is niet veroordeeld voor enig strafbaar feit. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat hij onschuldig heeft vastgezeten. Ten aanzien van de schuld aan het UWV komt het hof daarom tot de slotsom dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] wat betreft het ontstaan daarvan te goeder trouw is geweest.

Ten aanzien van de schulden aan Lindorff en Stad Holland Zorgverzekeraar is in hoger beroep aannemelijk geworden dat deze vallen buiten de vijfjaarstermijn en dus niet in de weg staan aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

5. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof voorts van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Weliswaar is ook in hoger beroep gebleken dat [appellant] de Nederlandse taal niet volledig beheerst, maar hierin ziet het hof, mede gelet op het feit dat [appellant] ondanks zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal jarenlang in Nederland betaald werk heeft verricht, geen beletsel om de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. In hoger beroep is bovendien een verklaring overgelegd van de heer [naam begeleider] , de ambulante c.q. individuele begeleider van [appellant] , waarin door [naam begeleider] wordt verklaard dat hij [appellant] gedurende de schuldsaneringsregeling zal bijstaan. Een voldoende vangnet is derhalve aanwezig.

6. Nu niet gebleken is van beletselen die aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staan, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitspreken.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2017;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Rijperman, H.J. van Kooten en A.J. Coster en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.