Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:898

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.174.213-01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk in grieven tegen eindvonnis die in essentie zijn gericht tegen bindende eindbeslissing in het tussenvonnis (waartegen niet is gegriefd). Stilzwijgende verlening arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.174.213/01

Zaaknummer rechtbank : 3000781 \ CV EXPL 14-18748

arrest van 11 april 2017

inzake

[naam]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. C.J. Spitters te Rijen,

tegen

STICHTING VRIJE ACADEMIA,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Vrije Academia,

advocaat: mr. Z. Benguedda te Den Haag.

1 Het geding

Bij exploot van 10 juli 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 24 april 2015 en het deelvonnis van 7 november 2014 van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam sector kanton (hierna: de kantonrechter), voor zover gewezen tussen [appellant] en Vrije Academia. Het hof heeft bij arrest van 23 februari 2016 een comparitie van partijen gelast, samen met de zaak die is ingeschreven onder zaaknummer 200.164.743/01 (het eerdere hoger beroep van [appellant] dat gericht is tegen het deelvonnis van 7 november 2014). Deze comparitie is niet doorgegaan. Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met één productie, heeft Vrije Academia de grief bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2 Feiten, vordering en oordeel van de kantonrechter

2.1.

De kantonrechter heeft in het deelvonnis onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  • -

    i) [appellant] is op 1 februari 2010 in dienst getreden bij Vrije Academia als Algemeen Medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar met een arbeidsomvang van 40 uur per week.

  • -

    ii) Deze arbeidsovereenkomst is na ommekomst van één jaar verlengd van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012.

  • -

    iii) Feitelijk verrichtte [appellant] gedurende zijn dienstverband met Vrije Academia werkzaamheden voor de Stichting Islamitische Universiteit van Europa (hierna de Islamitische Universiteit).

  • -

    iv) Na 1 februari 2012 heeft [appellant] tot en met juni 2012 voor gemiddeld 6,5 uur per week werkzaamheden verricht voor de Islamitische Universiteit.

  • -

    v) Na juni 2012 heeft [appellant] geen werkzaamheden meer verricht voor Vrije Academia of de Islamitische Universiteit.

2.3.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of de arbeidsovereenkomst van [appellant] met Vrije Academia na 1 februari 2012 stilzwijgend is verlengd. Verder was Vrije Academia volgens [appellant] nog achterstallig loon over de periode vóór 1 februari 2012 verschuldigd.

2.4.

Tegen de achtergrond van deze feiten heeft [appellant] in eerste aanleg bij de kantonrechter een procedure gestart tegen Vrije Academia en de Islamitische Universiteit. De primaire vorderingen waren gericht tegen Vrije Academia. Die vorderingen houden – samengevat – het volgende in: (a) een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen Vrije Academia en [appellant] (ook) na 1 februari 2012 stilzwijgend is verlengd voor de duur van één jaar, met veroordeling van Vrije Academia tot betaling van het bijbehorende salaris van € 1.124,13 netto per maand, de maximale (50%) wettelijke verhoging, en de wettelijke rente, en (b) veroordeling van Vrije Academia tot betaling van het achterstallig salaris over de periode van 1 februari 2010 tot l februari 2012 van totaal € 3.314,58 netto, met de maximale (50%) wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente. De subsidiaire vorderingen waren gericht tegen de Islamitische Universiteit en strekten ertoe dat de rechtbank zou vaststellen dat per 1 februari 2012 een arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en de Islamitische Universiteit is ontstaan, zodat de Islamitische Universiteit gehouden zou zijn tot betaling van loon. De subsidiaire vorderingen tegen de Islamitische Universiteit spelen in hoger beroep geen rol meer.

2.5.

De kantonrechter heeft bij deelvonnis van 7 november 2014 beslist op de primaire vorderingen. Hij heeft overwogen dat als Vrije Academia al als werkgeefster van [appellant] moet worden aangemerkt vanaf 1 februari 2012, partijen kennelijk hebben afgesproken dat [appellant] niet meer voor 40 uur per week zou werken, maar slechts voor gemiddeld 6,5 uur per week. Aan deze arbeidsomvang is ook feitelijk uitvoering gegeven. Dit is een drastische wijziging in één van de kernbedingen van de arbeidsovereenkomst, en [appellant] heeft hieruit redelijkerwijze niet de overtuiging kunnen krijgen dat de eerdere arbeidsovereenkomst stilzwijgend werd voortgezet. Naar het oordeel van de kantonrechter is de in 2.4. onder (a) bedoelde verklaring voor recht (dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is verlengd), alsmede de gevorderde veroordeling tot doorbetaling van salaris niet toewijsbaar.

2.6.

De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat de in 2.4 onder (b) bedoelde vordering tot betaling van achterstallige salaris van € 3.314,58 netto over de periode vanaf 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2012 wel toewijsbaar was. Ter zake van de subsidiaire vordering tegen de Islamitische Universiteit heeft de kantonrechter overwogen dat hij het gewenst acht deze met [appellant] en de Islamitische Universiteit te bespreken. In het dictum heeft de kantonrechter (1) Vrije Academia veroordeeld tot betaling van € 3.344,58 netto aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente; (2) een comparitie van partijen gelast, waarbij is bepaald dat [appellant] en de Islamitische Universiteit dienen te verschijnen en (3) iedere verdere beslissing aangehouden.

2.7.

De kantonrechter heeft vervolgens bij eindvonnis van 24 april 2015 ter zake van de (primaire) vordering tegen Vrije Academia de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen. De kantonrechter heeft de subsidiaire vorderingen van [appellant] tegen de Islamitische Universiteit afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3 Beoordeling in hoger beroep

3.1.

[appellant] vordert in hoger beroep – na wijziging van eis en samengevat – dat het hof het deelvonnis van 7 november 2014 en het eindvonnis van 24 april 2015 vernietigt en opnieuw rechtdoende, Vrije Academia veroordeelt tot betaling aan [appellant] van:

  1. primair het loon van € 1.446,60 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, over de periode 1 februari 2012 tot 1 februari 2013, derhalve een totaalbedrag van € 18.747,94 bruto;

  2. subsidiair een bedrag van € 1.446,60 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, over de periode 1 februari 2012 tot 1 juli 2012, derhalve een totaalbedrag van € 7.811,64 bruto;

  3. meer subsidiair een bedrag van € 1.755 netto terzake door [appellant] in ieder geval verrichte werkzaamheden, op basis van het door Vrije Academia gebruikte Excel-overzicht, in de periode 1 februari 2012 tot 1 juli 2012;

  4. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over toegewezen loonbedragen;

  5. de wettelijke rente over de aan [appellant] toegewezen bedragen vanaf de respectievelijke vervaldata; en

  6. de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

3.2.

[appellant] is, als gezegd, bij exploot van 6 februari 2015 reeds in hoger beroep gekomen tegen het hiervoor genoemde deelvonnis, welke zaak bij het hof bekend is onder zaaknummer 200.164.743/01. In die zaak wordt gelijktijdig arrest gewezen.

3.3.

[appellant] komt bij memorie van grieven op tegen het oordeel van de kantonrechter in het deelvonnis (overweging 5.4) dat in de verhouding tussen Vrije Academia en [appellant] geen sprake is van een stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst of feitelijke voortzetting van het dienstverband in de periode na 1 februari 2012. Zijn in hoger beroep ingestelde vorderingen zijn alle hierop gebaseerd. [appellant] heeft evenwel in het hoger beroep tegen het deelvonnis (zie hiervoor in 3.2) tegen die bindende eindbeslissing geen grief gericht, zodat in hoger beroep als vaststaand moet worden aangenomen dat geen stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgehad. In het onderhavige hoger beroep tracht [appellant] het niet-opkomen tegen die eindbeslissing te repareren door in de memorie van grieven alsnog een grief te formuleren tegen het bestreden tussenvonnis. Dit is tevergeefs. De partij die tussentijds hoger beroep heeft ingesteld, is immers gehouden daarin al zijn bezwaren tegen dat vonnis aan te voeren en verliest de mogelijkheid dat bij een latere gelegenheid in (een ander) hoger beroep te doen. Dit brengt mee dat [appellant] in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen het deelvonnis van 7 november 2014 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.4.

[appellant] heeft geen zelfstandige grieven aangevoerd tegen het eindvonnis, dat overigens voornamelijk ziet op de verhouding tussen [appellant] en de Islamitische Universiteit.

3.5.

De conclusie uit het voorgaande is dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep tegen zowel het deelvonnis als het eindvonnis. Het hof zal [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd, als de in het ongelijk gestelde partij. De veroordelingen worden, als gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter van 7 november 2014 en tegen het eindvonnis van de kantonrechter van 24 april 2015;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Vrije Academia tot op heden begroot op:

€ 1.937 aan griffierechten en € 894 aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoeningen; en

€ 131 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; en

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, C.A. Joustra, A.J.P. van Beurden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.