Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:885

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
200.196.233/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verhaal van bijstand; HR 10 juni 2016 (ECLI:NL: HR:2016:1138); geen grondslag voor verhaal bijstand omdat verwekkerschap niet is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 29 maart 2017

Zaaknummer : 200.196.233/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-757

Zaaknummer rechtbank : C/10/494127

De GEMEENTE [plaats 2] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: mevrouw G.L.M. Slag ,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [plaats 1] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De gemeente is op 27 juli 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 mei 2016 van de rechtbank Rotterdam .

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de gemeente:

- op 10 februari 2017 een brief van 9 februari 2017 met bijlage.

De zaak is op 22 februari 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting was aanwezig:

de gemachtigde, namens de gemeente.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de gemeente, om ingevolge de Participatiewet vast te stellen dat de man met ingang van 1 april 2015 een bijdrage in de kosten van bijstand zal voldoen van € 49,50 per maand, zolang de bijstandsverlening aan [partner] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , hierna: de vrouw, mede ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats 2] , voortduurt, als zijnde onrechtmatig afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verhaalsbijdrage ten laste van de man met ingang van 1 april 2015.

2. De gemeente verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verhaalsbijdrage vast te stellen op een bijdrage van € 49,50 per maand over de periode van 1 april 2015 tot en met 29 mei 2016, dan wel een verhaalsbijdrage te bepalen als het hof dit vermeent te behoren.

3. De gemeente stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar geen verhaalsrecht toekomt met betrekking tot de gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van de minderjarige. De rechtbank heeft zich in de beschikking gebaseerd op een uitspraak van 2 september 2015 van diezelfde rechtbank (ECLI:NL:RBROT:2015:6424). In deze uitspraak is bepaald dat de gemeente sinds 1 januari 2015 geen bevoegdheid tot verhaal meer toekomt jegens een onderhoudsplichtige ouder voor de kosten van een minderjarige. De gemeente is van mening dat de gemaakte kosten van bijstand wel degelijk verhaalbaar zijn, ook in geval van een eenoudergezin waarbij uitsluitend een onderhoudsplicht bestaat voor een minderjarig kind. De gemeente voert daartoe het volgende aan. Bijstand blijft ondeelbaar verstrekt als gezinsbijstand, kinderen hebben immers geen zelfstandig recht op bijstand. Op grond van de uitspraak van 10 juni 2016 van de Hoge Raad (ECLI:HR:2016:1138) is de verstrekte bijstand aan een ouder ook na 1 januari 2015 verhaalbaar wanneer deze betrekking heeft op de kosten van levensonderhoud van minderjarige kinderen die tot het gezin behoren. Volgens de moeder is de man de verwekker van de minderjarige. De man heeft het vaderschap hierop weersproken. In reactie op de verklaring van de man, heeft de gemeente opnieuw contact opgenomen met de moeder. De moeder blijft echter bij haar stelling dat de man wel degelijk de biologische vader van de minderjarige is. De gemeente gaat er daarom vanuit dat de man inderdaad de verwekker is van de minderjarige en dus een onderhoudsplicht heeft. Omdat de moeder niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan van haarzelf en de bij haar verblijvende minderjarige kon voorzien, werd een bijstandsverlening door de gemeente noodzakelijk. De gemeente stelt, uit hoofde van de door haar aan de moeder verstrekte bijstand, bevoegd te zijn om de bijstand bij de man te verhalen tot de grens van zijn onderhoudsplicht. De gemeente heeft, na onderzoek naar de financiële en maatschappelijke omstandigheden van de man te hebben gedaan, aanleiding gevonden om de man om een bijdrage van € 49,50 per maand in de bijstand te vragen. De man heeft, ondanks diverse aanmaningen, geen bijdrage in de kosten van de bijstand voldaan. De gemeente vindt dat de gemaakte kosten van bijstand daarom op de man verhaalbaar zijn. Vanaf 30 mei 2016 is de man aangewezen op een uitkering krachtens de Participatiewet, zodat de gemeente van mening is dat de man vanaf die datum geen bijdrage meer verschuldigd is.

4. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 61 en artikel 62, aanhef en onder a van de Participatiewet (hierna: Pw) kunnen de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht, zoals bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden verhaald op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt. In de door de gemeente aangehaalde beschikking van de Hoge Raad is bepaald dat de aan een ouder verstrekte bijstand ook in het tijdvak vanaf 1 januari 2015 mede betrekking heeft op de kosten van levensonderhoud van de minderjarige kinderen die tot diens huishouding behoren. Dit betekent dat de grief van de gemeente slaagt. De uitkeringverstrekkende instantie is gerechtigd om de kosten van de bijstand te verhalen op degene die onderhoudsplichtig is voor de kinderen.

5. Het hof dient voorts de vraag te beantwoorden of de grondslag voor het bijstandsverhaal wel aanwezig is. De man heeft, al dan niet in rechte, gemotiveerd betwist dat hij de verwekker van de minderjarige is. Hij heeft in de administratieve fase als reactie op de brief van 20 mei 2011 van de gemeente uitgebreid beschreven waarom hij van mening is dat hij de vader niet kan zijn. De stelling van de vrouw dat de man wèl de verwekker van de minderjarige is, wordt door zowel de vrouw als de gemeente verder onvoldoende onderbouwd. De gemeente is afgegaan op de enkele verklaring van de vrouw. Dat zij een aantal malen hetzelfde heeft verklaard, heeft geen meerwaarde. Het hof is daarom van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat de man de verwekker van de minderjarige is. Het één en ander klemt temeer nu de gemeente ter zitting geen bewijsaanbod heeft gedaan. Nu de grondslag hiertoe ontbreekt, oordeelt het hof dat de gemeente geen verhaalsrecht toekomt met betrekking tot de gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van de minderjarige. Gelet op het vorenstaande zal het hof, weliswaar op andere gronden dan de rechtbank, de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt onder aanvulling van gronden de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, C. van Nievelt en M.J.C. Koens, bijgestaan door mr. R.R. Warmerdam als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2017.