Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:884

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
200.193.538/01 en 200.211.010/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:2866, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Geen omgang tussen vader en de minderjarige. Eenhoofdig gezag bij moeder. Velenging van de ondertoezichtstelling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak: 15 maart 2017

Zaaknummer: 200.193.538/01 (zorg- c.q. omgangsregeling en wijziging gezag)

200.211.010/01 (verlenging ondertoezichtstelling)

Nummer rechtbank: FA RK 13-7410 + C/09/451162 (zorg- c.q. omgangsregeling)

FA RK 15-6608 + C/09/494998 (wijziging gezag)

JE RK 16-36 + C/09/503226 (verlenging ondertoezichtstelling)

Inzake de zorg- c.q. omgangsregeling tussen de vader en de na te noemen minderjarige en het gezag over de na te noemen minderjarige:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. V.L.T. van Roy te Leiden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M.C. van Bremen te Leiden.

Als informant is aangemerkt:

de Stichting Jeugdbescherming [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Inzake de afwijzing van de verlenging van de ondertoezichtstelling:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. V.L.T. van Roy te Leiden,

tegen

de Stichting Jeugdbescherming [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[moeder] ,

wonende [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M.C. van Bremen te Leiden.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden, locatie [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 17 juni 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 maart 2016 van de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 1 september 2016 een verweerschrift ingediend.

De gecertificeerde instelling heeft bij brief van 1 september 2016 het hof laten weten geen verweerschrift in te dienen, maar ter terechtzitting te verschijnen om een toelichting te geven op het eerdere verloop van de ondertoezichtstelling.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de vader de volgende stukken ingekomen:

- op 6 juli 2016 een V-formulier van 5 juli 2016 met bijlagen;

- op 21 juli 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- op 6 februari 2017 een V-formulier van 5 februari 2017 met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 28 december 2016 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen, omdat de raad niet recent betrokken is geweest bij de minderjarige en derhalve niet op de hoogte is van diens ontwikkeling.

De zaak is op 15 februari 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank in de zaak met zaaknummers C/09/451162 en C/09/494998 het recht op omgang van de vader met [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , (hierna te noemen: de minderjarige) ontzegd en bepaald dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarige. De beschikking is voor zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen. In de zaak met zaaknummer C/09/503226 heeft de kinderrechter het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- uit het huwelijk van de vader en de moeder (hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders) is de minderjarige geboren;

- het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden;

- de minderjarige verblijft bij de moeder op een geheim adres.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige, het gezag over de minderjarige en de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige.

2. De vader verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) zijn beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de moeder aangaande het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige en de ontzegging van het recht op omgang tussen de vader en de minderjarige af te wijzen. Daarnaast verzoekt de vader het hof de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige toe te wijzen en te bepalen dat de vader omgang dient te hebben met de minderjarige op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het door de man verzochte af te wijzen en (het hof leest in:) mitsdien de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Omgang

4. De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. Door de rechtbank is de vader de omgang met de minderjarige ontzegd. Een dergelijke ontzegging van de omgang dient als ultimum remedium te gelden, waarbij het belang van de minderjarige bij contact met zijn vader als uitgangspunt moet worden genomen. Het is in het belang van de minderjarige om zijn vader te leren kennen. Zonder deugdelijke basis is echter de omgang ontzegd. Er is geen sprake van een onstabiele situatie bij de vader, waardoor er geen omgang zou kunnen zijn tussen de vader en de minderjarige. De vader vervult immers thans op gedegen wijze een zorgrol voor het minderjarige kind van zijn nieuwe partner. De assumptie van de rechtbank dat het contact tussen de ouders een negatieve weerslag zal oproepen bij de moeder is voorbarig en niet gestoeld op feiten. Voorts stelt de vader dat hij sinds april 2015 in behandeling is bij [instantie] . De gecertificeerde instelling is nauw betrokken geweest bij de behandeling die de vader krijgt en de vader heeft de adviezen van de gecertificeerde instelling hierin opgevolgd. Onderdeel van deze behandeling ziet op zijn agressie-regulatieproblematiek. Ondanks dat de vader inmiddels een certificaat dat ziet op probleemoplossing heeft behaald, blijft hij op eigen initiatief in behandeling bij [instantie] . De vader heeft wekelijks een afspraak met de behandelaar, waardoor hij zijn problemen bespreekbaar kan maken. Sinds de vader in behandeling is bij [instantie] gaat het stukken beter en is hij rustiger geworden. De vader verwijst hiervoor naar het behandelverslag alsmede de verdere plannen van de behandeling en de integrale gespreksverslagen, welke stukken in eerste aanleg niet zijn overgelegd, maar in hoger beroep wel. Uit de gespreksverslagen van eind 2015 blijkt volgens de vader dat de gecertificeerde instelling afhankelijk is van de bereidheid van de moeder om de omgang tussen de vader en de minderjarige plaats te laten vinden. Dit zou niet zo moeten zijn, aldus de vader. Er zijn verschillende mogelijkheden om (begeleide) omgang tussen de vader en de minderjarige op te starten. Dat er op dit moment geen omgang is, heeft voornamelijk te maken met de weerstand die de omgang bij de moeder oproept. De vader heeft begrip voor de angst die de moeder heeft jegens de vader. Er zijn in het verleden veel dingen gebeurd tussen de ouders, waardoor het vertrouwen weer opgebouwd moet worden om omgang te kunnen laten slagen. De vader zou graag tijdens een begeleid omgangsmoment laten zien dat hij in staat is omgang met de minderjarige te hebben.

5. De moeder stelt dat er sprake is van een of meerdere ontzeggingsgronden uit artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op basis waarvan de omgang tussen de vader en de minderjarige moet worden ontzegd. De moeder stelt dat partijen een uitgebreide en ingrijpende voorgeschiedenis hebben. De moeder was slechts zestien jaar oud toen zij beviel van de minderjarige. Toen al waren er zorgen over psychische problematiek van de vader. De moeder heeft de vader, met de minderjarige, verlaten na ernstige bedreigingen en incidenten. De vader hield de minderjarige, nog geen twee weken oud, uit een open raam van een woning van de vierde etage en dreigde hem te laten vallen. De gemoederen zijn destijds zo hoog opgelopen dat ingrijpen van de politie noodzakelijk was om de minderjarige in veiligheid te brengen. Dit heeft mede geresulteerd in de ondertoezichtstelling van de minderjarige. In verband met de bedreigingen van de vader destijds verblijft de moeder met de minderjarige tot op heden op een voor de vader geheim adres. De minderjarige is inmiddels vier jaar oud. De moeder heeft haar leven na vier turbulente jaren weer op de rails. Zij woont samen met haar nieuwe partner en heeft werk. De omgang tussen de vader en de minderjarige is door de gecertificeerde instelling in januari 2014 opgeschort omdat de veiligheid van de minderjarige niet gewaarborgd kon worden. De vader zou in behandeling gaan bij [instantie] en hij zou de gecertificeerde instelling hiervan op de hoogte houden, maar het was voor de gecertificeerde instelling onmogelijk om contact te leggen met de vader en te informeren naar de behandeling. De vader heeft drie jaar lang, met behulp van de gecertificeerde instelling, de mogelijkheid gehad om te laten zien dat hij op een constructieve wijze contact met de minderjarige kan hebben. Daarin is de vader niet geslaagd. De moeder vindt dat de mogelijkheden zijn uitgeput om de omgang voor de minderjarige positief in te vullen. Door alle gebeurtenissen uit het verleden is het contact tussen de ouders heel beladen geworden, wat de omgang belemmert. De situatie bij de vader is nog steeds instabiel en het contact heeft een negatieve weerslag op de minderjarige. De gespreksverslagen waar de vader naar verwijst dateren van eind 2015. Het gaat hier dus niet om nieuwe feiten of omstandigheden op basis waarvan de omgang opgestart zou moeten worden. De minderjarige heeft de vader in zijn leven slechts een paar keer gezien. De minderjarige weet niet dat de vader zijn vader is, hoewel de minderjarige de nieuwe partner van de moeder ook geen ‘papa’ noemt. Het gaat goed zoals het nu gaat en de minderjarige schijnt hier geen last van te hebben. Als de minderjarige oud genoeg is, dan zal de moeder hem informeren over zijn vader. De omgang die er eind 2013 was heeft geleid tot veel onrust en onveiligheid. De minderjarige is gevoelig voor nieuwe situaties. De minderjarige mag niet als proefkonijn worden gebruikt om te testen of de vader daadwerkelijk is veranderd en in staat is omgang te hebben met de minderjarige. Nu er duidelijkheid is over het niet plaatsvinden van de omgang is er geen onrust meer voor de moeder en dus voor de minderjarige. De stabiliteit voor de minderjarige dient voorop te staan.

6. De zittingsvertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling voert aan dat de gecertificeerde instelling niet recent meer betrokken is geweest bij de minderjarige, nu de ondertoezichtstelling door de rechtbank niet verlengd is. De ondertoezichtstelling was toentertijd gericht op het contactherstel tussen de vader en de minderjarige. De gecertificeerde instelling is van mening dat ieder kind in beginsel contact moet hebben met beide ouders. Wat toen werd geconstateerd, en wat nu nog steeds aan de orde is, is dat het ontzettend veel spanningen oplevert als er contact is tussen de vader en de minderjarige. Door deze spanningen is het niet gelukt om het contact tussen de vader en de minderjarige vorm te geven. Het is goed dat de vader bereid is gebleken te werken aan zijn problematiek bij [instantie] . De vraag is echter wat het maakt dat de situatie op dit moment anders is dan in het verleden. De gecertificeerde instelling is bang weer terug bij af te zijn op het moment dat er omgang tussen de vader en de minderjarige zou moeten worden opgestart.

7. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het BW hebben een kind en de niet met gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

8. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden de omgang van de vader met de minderjarige heeft ontzegd. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat er in het verleden tussen de ouders veel is voorgevallen en dat de verhoudingen tussen de ouders ernstig verstoord zijn. Op dit moment vindt er geen enkele communicatie tussen de ouders plaats en woont de moeder op een voor de vader geheim adres. De vader heeft gedurende de ondertoezichtstelling meerdere jaren de mogelijkheid gehad om aan te tonen dat hij in staat is de omgang met de minderjarige vorm te geven en een stabiele factor in het leven van de minderjarige te zijn. Eerdere langdurige begeleiding door de gecertificeerde instelling heeft echter niet tot positieve resultaten geleid. Uit de overgelegde stukken blijkt wel van een positieve ontwikkeling van de vader sinds hij in behandeling is bij [instantie] . Dit positieve aspect doet echter niet af aan het feit dat het belang van de minderjarige voorop dient te staan en de minderjarige momenteel het meest gebaat is bij rust en stabiliteit in de opvoedingssituatie. De spanningen die het contact met de vader zullen oproepen, hebben ongetwijfeld zijn weerslag op de ontwikkeling van de minderjarige, hetgeen niet in zijn belang is. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat omgang tussen de vader en de minderjarige op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige.

9. Het hof overweegt ten overvloede dat de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tijdelijk van aard is, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden om vaststelling van een dergelijke regeling te verzoeken (HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045). Het staat de vader dan ook vrij om in geval van gewijzigde omstandigheden of na verloop van een jaar een nieuw verzoek tot omgang in te dienen bij de rechtbank, indien de omstandigheden daartoe op dat moment aanleiding geven.

10. Het hof merkt tot slot op dat het hof het zorgelijk acht dat de minderjarige niet op de hoogte is wie zijn vader is. Uitgangspunt is immers dat elk kind het recht heeft om te weten wie zijn of haar ouders zijn, of er nu omgang plaatsvindt of niet. Voor de minderjarige kan dit recht alleen een werkelijk recht zijn, als hij op enig moment op de hoogte wordt gebracht van de identiteit van zijn vader. Het hof geeft de moeder dan ook in overweging de minderjarige op afzienbare termijn voor te lichten over zijn afstamming, rekening houdende met de mate van rijpheid van de minderjarige.

Gezag

11. De vader is van mening dat er een basis is voor het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap. De vader erkent dat de spanningen tussen de ouders tot op heden in de weg hebben gestaan aan het vormgeven van het contact tussen de vader en de minderjarige. De weigering van de moeder om, zelfs bij de inzet van een gezinsvoogd, mee te werken aan het herstel van het contact kan echter niet tot de conclusie leiden dat het in het belang van de minderjarige zou zijn om aan de vader geen gezag toe te kennen, aldus de vader.

12. De moeder stelt dat het standpunt van de vader dat zij niet meewerkt aan het herstel van het contact niet gebaseerd is op feiten. De moeder heeft de afgelopen 3,5 jaar veel inspanningen verricht en inzet getoond om het leven van de minderjarige stabiel en veilig te laten verlopen, inclusief de (tijdelijke) omgangsregeling. De moeder is tot op heden nog steeds genoodzaakt om op een geheime locatie te wonen en zij heeft de minderjarige de afgelopen periode alleen verzorgd en opgevoed. Het is voorzienbaar dat de uitoefening van het gezamenlijk gezag tot ernstige problemen zal leiden, waardoor het in het belang van de minderjarige is dat het gezag alleen door de moeder wordt uitgeoefend.

13. Het hof overweegt als volgt. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om op enige wijze met elkaar te communiceren. De moeder woont nog altijd op een voor de vader geheim adres en de ontzegging van de omgang tussen de vader en de minderjarige maakt dat het contact de komende tijd niet vormgegeven gaat worden. De moeder neemt sinds kort na de geboorte van de minderjarige de dagelijkse zorg op zich en neemt alle beslissingen in het leven van de minderjarige. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen basis is voor het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap en acht het in het belang van de minderjarige dat de moeder alleen met het gezag blijft belast.

Ondertoezichtstelling

14. De vader stelt dat de minderjarige baat heeft bij de verlenging van de ondertoezichtstelling. De stelling dat contact, in welke vorm dan ook, tussen de vader en de minderjarige een weerslag op de moeder zou hebben die schadelijk zou zijn voor de minderjarige is slechts gebaseerd op een verwachting van de moeder zelf. Indien de moeder niet zou kunnen omgaan met de omgang tussen de minderjarige en de vader waardoor er schadelijke gevolgen voor de minderjarige te vrezen zouden zijn, dan is dat een reden voor continuering van de ondertoezichtstelling. Daarnaast geeft de moeder geen gevolg aan de verplichting om de vader te informeren over het welzijn van de minderjarige. Dit is eveneens een indicatie dat het in het belang van de minderjarige is om de ondertoezichtstelling te verlengen. De verlenging van de ondertoezichtstelling ziet niet slechts op het herstel van het contact tussen de vader en de minderjarige, maar dient tevens ter ondersteuning van de belangen van de minderjarige.

15. De moeder stelt dat de gecertificeerde instelling duidelijk in het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling heeft aangegeven dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de omgang en de ondertoezichtstelling. De omgang tussen de vader en de minderjarige is op de juiste gronden ontzegd, waardoor er ook geen ondertoezichtstelling meer noodzakelijk is. De moeder benadrukt dat de gecertificeerde instelling nimmer heeft gesteld dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk was ter voorkoming van eventuele spanningen bij de moeder. Dit blijkt dan ook niet uit de relevante processtukken.

16. De gecertificeerde instelling heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat er slechts een ondertoezichtstelling noodzakelijk is indien omgang plaatsvindt tussen de vader en de minderjarige. Mocht de omgang opgestart worden tussen de vader en de minderjarige, dan is de gecertificeerde instelling van mening dat er opnieuw gekeken dient te worden naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.

17. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de ondertoezichtstelling als (voornaamste) doel had het vormgeven van het contact tussen de vader en de minderjarige. De moeder is de afgelopen periode in staat gebleken de minderjarige een veilige en gestructureerde opvoedingsomgeving te bieden. Naar het oordeel van het hof bestaat er thans geen noodzaak tot het verlengen van de ondertoezichtstelling.

18. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Den Haag;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, P.B. Kamminga en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. E.T.P. Merkx als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2017.