Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:859

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
22-003533-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een destijds 17-jarige scholier.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen. Verder stelt het hof bijzondere voorwaarden (contactverbod en reclasseringstoezicht) op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-003533-16

Parketnummer: 09-817783-16

Datum uitspraak: 20 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 20 juli 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortejaar] 1977,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 6 maart 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 31 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een contactverbod met [benadeelde partij] en reclasseringstoezicht als dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven en is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2016 te Den Haag met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Melis Stokelaan te Den Haag, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit:

- het bij de keel vastpakken van voornoemde [benadeelde partij] en/of

- het met gebalde vuist (met kracht) slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of lichaam van voornoemde [benadeelde partij]

- het schoppen tegen de buik, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde partij].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 31 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een contactverbod met [benadeelde partij] en reclasseringstoezicht als dadelijk uitvoerbaar te verklaren bijzondere voorwaarden, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overweging omtrent het bewijs

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever en van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], zoals afgelegd tegenover de politie, onbetrouwbaar zijn en om die reden dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Daartoe is aangevoerd dat de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de aangever, inhoudende dat het inderdaad best zou kunnen dat de verdachte hem niet had geslagen, zijn politieverklaring onbetrouwbaar maakt en zijn verklaring bovendien op diverse punten afwijkt van de verklaringen van de overige getuigen. Voorts is ten aanzien van de getuige [getuige 1] aangevoerd dat ook hij ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat het best mogelijk is dat de verdachte de aangever niet had geslagen, hetgeen zijn eerdere verklaring onbetrouwbaar maakt. Daarnaast wijkt de verklaring van deze getuige af van de overige verklaringen en heeft hij het incident bij het portiek niet waargenomen, aldus de verdediging.

Met betrekking tot de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij voorafgaand aan hun verklaring bij de politie overleg met elkaar hebben gevoerd en samen een verklaring hebben afgelegd, hetgeen de betrouwbaarheid van hun verklaringen niet ten goede komt. Daarbij komt dat beide getuigen te ver van het incident afstonden om te kunnen zien wat zich had afgespeeld. [getuige 2] heeft bovendien ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat het mogelijk is dat de verdachte de aangever niet had geslagen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof vormt de enkele omstandigheid dat de aangever en de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] op enkele punten anders hebben verklaard onvoldoende grond om de conclusie te rechtvaardigen dat daarmee hun verklaringen onbetrouwbaar zijn. De aangever is bovendien bij de rechter-commissaris gehoord en heeft daar – in lijn met zijn eerdere verklaring - opnieuw en uit zichzelf verklaard dat de verdachte hem had geslagen. Ook de getuigen zijn bij de rechter-commissaris gehoord en hebben bij die gelegenheid nog eens uit zichzelf herhaald dat de verdachte wel degelijk had geslagen. De omstandigheid dat de aangever vervolgens op een vraag van de raadsvrouw bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het zou kunnen zijn dat de verdachte niet had geslagen doch slechts had geduwd, en de getuigen – na met deze verklaring van de aangever te zijn geconfronteerd – dit vervolgens voor mogelijk hielden - doet daar onvoldoende aan af. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat zowel de aangever als de getuigen hebben volhard in de verklaring dat de verdachte geweld heeft toegepast en de aangever heeft uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte geen de-escalerende houding heeft aangenomen, zoals door de verdediging is betoogd. Verder wijst het hof in dit verband op de verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris, waarin hij – na te zijn geconfronteerd met de verklaring dat het zou kunnen dat de verdachte niet zou hebben geslagen – uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij er zeker van is dat de verdachte en de mededader beiden de aangever hebben geslagen.

Ook overigens zijn op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de onbetrouwbaarheid van hun afgelegde verklaringen moet worden aangenomen.

In dit verband is voorts van belang dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen op kernpunten steun vinden in andere wettige bewijsmiddelen. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof – anders dan is betoogd door de verdediging – ook geen aanwijzingen naar voren gekomen op grond waarvan dient te worden getwijfeld aan de waarneming van de getuigen. Dat de door de verdediging genoemde getuigen te ver verwijderd stonden van het incident om te kunnen zien wat zich precies heeft afgespeeld, is ook niet aannemelijk geworden.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] dan ook betrouwbaar en kunnen die daarom voor het bewijs van het de verdachte ten laste gelegde worden gebezigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 18 april 2016 te Den Haag met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Melis Stokelaan te Den Haag, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen Kevin Roberto [benadeelde partij], welk geweld bestond uit:

- het bij de keel vastpakken van voornoemde [benadeelde partij] en/of

- het met gebalde vuist (met kracht) slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of lichaam van voornoemde [benadeelde partij]

- het schoppen tegen de buik, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde partij].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft voorts betoogd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd

– zakelijk weergegeven – dat de verdachte het slachtoffer juist wilde beschermen tegen zijn zoon en daarom tussenbeide was gekomen. De verdachte heeft de aangever nimmer geslagen, geschopt of bij de keel gegrepen, aldus de verdediging.

Het hof verwerpt dit verweer. Dit scenario is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. De gestelde sussende acties van de verdachte vinden geen steun in het tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen bewijs in deze. Veeleer komt daaruit overtuigend naar voren dat niet alleen diens zoon, maar ook de verdachte zelf, geweld heeft gehanteerd jegens de aangever. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de aangever en de getuige [getuige 1].

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een destijds 17-jarige scholier. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat als gevolg van het gebeurde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Een feit als het onderhavige versterkt in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof zal op de voet van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat de hierna te stellen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, nu het hof van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passende en geboden reacties vormen.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 653,71. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 35,71 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 35,71 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 31 (eenendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [benadeelde partij], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat voormelde voorwaarde en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 35,71 (vijfendertig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 35,71 (vijfendertig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. S. Verheijen en mr. E.P.J. Myjer, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2017.

Mr. E.P.J. Myjer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.