Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:85

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
22-001816-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoewel niet is vast komen te staan dat verdachte daadwerkelijk zelf bij de woning aan het [adres 1] naar binnen is geweest en daar goederen heeft weggenomen, heeft hij door middel van de uit de gebezigde bewijsmiddelen volgende handelingen toch een aanzienlijke en substantiële bijdrage aan die inbraak geleverd. Daarbij wordt met name in aanmerking genomen dat het de tip was van de verdachte om aldaar op het gekozen tijdstip en in dat specifieke huis in te breken, dat de verdachte, te oordelen naar het woordje “we”, wèl feitelijk betrokken was bij de inbraakpoging omstreeks 21 december 2015 aan het [adres 2], dat afgesproken was dat de buit zou worden verdeeld en dat (een groot deel van) deze buit vervolgens (deels verstopt) is aangetroffen in de woning waar de verdachte op dat moment verbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001816-16

Parketnummer: 10-681330-15

Datum uitspraak: 23 januari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

adres: [adres] te [plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 januari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is er beslist op de vordering van de benadeelde partij zoals nader is omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 26 december 2015 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan het [adres 1] heeft weggenomen een of meerdere laptop(s)/computer(s) en/of een geldbedrag (ongeveer 1650 euro) en/of buitenlandse valuta (ongeveer 319 US-dollars) en/of een schuurmachine en/of een of meerdere (bank)pasje(s) en/of een paspoort en/of een geldkistje/kluisje en/of een of meerdere siera(a)d(en) en/of een of meerdere huissleutel(s) en/of diverse bankbescheiden en/of een of meerdere fototcamera('s) en/of een e-reader en/of een jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte, en/of zijn mededader(s), zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)/geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 december 2015 te Papendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een laptop en/of een externe cd-writer en/of een externe harddisk en/of een portable dvd-speler en/of een e-reader en/of een of meerdere siera(a)d(en) en/of een fotocamera en/of een adaptor en/of diverse bankbescheiden heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, almede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair:
hij op of omstreeks 26 december 2015 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan het [adres 1] heeft weggenomen een of meerdere laptop(s)/computer(s) en/of een geldbedrag (ongeveer 1650 euro) en/of buitenlandse valuta (ongeveer 319 US-dollars) en/of een schuurmachine en/of een of meerdere (bank)pasje(s) en/of een paspoort en/of een geldkistje/ en -kluisje en/of een of meerdere siera(a)d(en) en/of een of meerdere huissleutel(s) en/of diverse bankbescheiden en/of een of meerdere fotocamera('s) en/of een e-reader en/of een jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte, en/of zijn mededader(s), zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)/geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot medeplegen

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw, overeenkomstig de door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, betoogd dat de verdachte van het hem primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De verdediging voert aan dat de verdachte niet bij de uitvoering van de ten laste gelegde inbraak aanwezig was en dat zijn bijdrage daaraan ook overigens niet van zodanig gewicht was dat hij als medepleger dient te worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de beoordeling van een tenlastelegging van medeplegen behoort in het bijzonder aandacht te worden gewijd aan de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en zulks temeer ingeval het medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Bij de vorming van zijn oordeel of al dan niet sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, houdt het hof rekening met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Het hof stelt op grond van de zich in het dossier bevindende wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de maand december 2015 is twee keer een poging gedaan om in te breken in een woning aan het [adres 2], een woning gelegen in de dichte nabijheid van de woning aan het [adres 1], waar de in de tenlastelegging bedoelde inbraak heeft plaatsgevonden. Op 22 december 2015 hebben verdachte en [medeverdachte 1] via het medium WhatsApp contact met elkaar gehad. Verdachte heeft toen bericht dat “we” gisteren het verkeerde huis hebben gepakt. De medeverdachte noemde daarna het [adres 2]. Dat in dit Whatsapp-gesprek gerefereerd wordt aan de woning aan het [adres 2], wordt ondersteund door de omstandigheid dat in het navigatiesysteem van de auto van [medeverdachte 2], de laatste twee ingevoerde adressen [adres 3] en [adres 2] waren.

Op 25 december 2015 heeft er tussen de verdachte en [medeverdachte 1] eveneens een gesprek plaatsgevonden via WhatsApp. In dit gesprek sprak de verdachte over ‘zelf shoppe op kerstavond’ omdat iedereen dan ‘loesoe is van huis’ en er dus ‘genoeg te pakke is’. Vervolgens heeft er op 25 december 2015 een gesprek plaatsgevonden via WhatsApp tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. In dit gesprek werd er een afspraak gemaakt om elkaar te ontmoeten bij de KFC om daarna naar [naam 1] (het hof begrijpt: verdachte) te rijden. [naam 1] zou dan in Papendrecht instappen en [naam 1] zal dan laten zien hoe zij moeten rijden “want het is zijn tip”. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en nog iemand hadden het plan opgevat om naar binnen te rennen en weer terug. [medeverdachte 2] zou in de auto wachten, totdat de anderen weer terug zouden zijn. Vervolgens zouden zij naar het huis van [naam 1] gaan, om aldaar de buit te verdelen.

De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] met twee vrienden op de avond van 25 december 2015 bij hem is langs geweest in Papendrecht. Voorts is de auto van [medeverdachte 2] op 25 december 2015 door de buren om 23:00 uur bij de [adres 3], het woonadres van de moeder van de vriendin van de verdachte, gezien. De vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte, terwijl hij die nacht bij haar op dat adres verbleef, even is weggeweest.

Dat de verdachte heeft meegedeeld in de buit blijkt uit het feit dat een deel van de gestolen goederen is aangetroffen in de woning waar de verdachte op dat moment verbleef. De verklaring van de verdachte dat hij die zaken tijdelijk voor [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] bewaarde, omdat de spullen niet goed in de auto pasten, acht het hof ongeloofwaardig. Dat de gestolen goederen wèl in de auto pasten blijkt immers reeds uit de omstandigheid dat de medeverdachten met de gestolen spullen in de auto naar het huis van de (moeder van de) vriendin van de verdachte, waar hij op dat moment verbleef, zijn gereden. Dat de verdachte de goederen tijdelijk zou bewaren wordt bovendien gelogenstraft door het feit dat deze goederen verspreid door en deels verstopt in de woning zijn aangetroffen. Zou de verdachte de spullen slechts tijdelijk ter bewaring onder zich hebben, dan had het in de rede gelegen dat deze bij elkaar zouden zijn gebleven. De verdachte heeft hier desgevraagd ter zitting geen verklaring voor kunnen geven.

Hoewel niet is vast komen te staan dat verdachte daadwerkelijk zelf bij de woning aan het [adres 1] naar binnen is geweest en daar goederen heeft weggenomen, heeft hij door middel van de uit de gebezigde bewijsmiddelen volgende handelingen toch een aanzienlijke en substantiële bijdrage aan die inbraak geleverd. Daarbij wordt met name in aanmerking genomen dat het de tip was van de verdachte om aldaar op het gekozen tijdstip en in dat specifieke huis in te breken, dat de verdachte, te oordelen naar het woordje “we”, wèl feitelijk betrokken was bij de inbraakpoging omstreeks 21 december 2015 aan het [adres 2], dat afgesproken was dat de buit zou worden verdeeld en dat (een groot deel van) deze buit vervolgens (deels verstopt) is aangetroffen in de woning waar de verdachte op dat moment verbleef.

Uit de hiervoor vastgestelde gang van zaken leidt het hof af dat de verdachte bij het plegen van het strafbare feit een sturende rol heeft gehad en dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot de diefstal met braak.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger wordt, gelet op het hiervoor overwogene, verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met braak. De verdachte heeft aldus blijk gegeven van een tekort aan respect voor de persoonlijke eigendommen van anderen en hun persoonlijke levenssfeer. Daarnaast heeft hij voor de betrokkenen overlast en financiële schade veroorzaakt.

De verdachte heeft zich daarbij kennelijk laten leiden door alleen zijn eigen financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als het onderhavige in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. De ernst van het feit brengt mee dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Het hof heeft mede acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ervan blijk gegeven beter inzicht te hebben gekregen in de gevolgen van zijn handelen. Hij heeft inmiddels een full-time baan en zegt vast van plan te zijn zijn leven weer op orde te krijgen. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding voor het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.514,23.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.514,23, bestaande uit € 2.900,23 aan gestolen gelden, € 250,-- wegens eigen risico inboedelverzekering en het verschil tussen de aan de inboedel toegebrachte schade en de door de verzekering vergoede schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot (hoofdelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 714,-- (€ 250,-- eigen risico en € 464,-- inboedelschade) schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Voor het overige levert de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, met name nu (nog) niet vast staat dat het gestolen, onder de medeverdachten in beslag genomen, geldbedrag niet aan de benadeelde partij zal worden geretourneerd (in welk geval van schade zoals gevorderd immers geen sprake zal zijn). Het hof zal de benadeelde partij daarom in zoverre niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 714,00 aansprakelijk is voor de schade die ten gevolge van het bewezen verklaarde aan de benadeelde partij is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 714,00 (zevenhonderdveertien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 714,00 (zevenhonderdveertien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. A. de Groot.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 januari 2017.