Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:848

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
200.197.496
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontbinding; (ernstig) verwijtbaar handelen? verstoorde verhoudingen? psychiatrisch verpleegkundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0411
AR 2017/1782
GZR-Updates.nl 2017-0206

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.197.496/01

Zaak- en rolnummer rechtbank: 5001034 HA VERZ 16-68

beschikking van 4 april 2017

inzake

Stichting Yulius,

gevestigd te Dordrecht,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: Yulius,

advocaat: mr. J.D. de Rooij te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Dordrecht,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.B. van Voorthuizen te Den Haag.

Het geding

Bij beroepschrift (met bijlagen) ter griffie ingekomen op 18 augustus 2016, is Yulius in hoger beroep gekomen van de tussen haar als verzoekster en [geïntimeerde] als verweerster gewezen beschikking van 15 juni 2016 van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht (hierna: de kantonrechter). Daarbij heeft Yulius geen expliciet als zodanig aangeduide grieven aangevoerd, maar wel stellingen geponeerd die er – samengevat – op neerkomen dat de kantonrechter haar verzoeken ten onrechte heeft afgewezen. Deze stellingen/grieven zijn door [geïntimeerde] bij verweerschrift (met bijlage) bestreden. Op

16 december 2016 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen toelichten door hun voornoemde advocaten aan de hand van aantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is een datum van de uitspraak bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

[geïntimeerde], geboren op 17 mei 1970, is sinds 1 juli 2003 bij Yulius in dienst, laatstelijk in de functie van psychiatrisch verpleegkundige. Het salaris bedraagt
€ 2.955,59 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en andere emolumenten.

1.2

Yulius is een zorginstelling die zich richt op het aanbieden van zorg aan personen in iedere levensfase met complexe psychiatrische problemen. Yulius biedt ambulante hulp, thuis of op een polikliniek. Daarnaast kunnen patiënten worden opgenomen op een behandelafdeling of voor langere tijd in een begeleidwonenlocatie.

1.3

[geïntimeerde] is werkzaam in een kliniek van Yulius, De Gantel te Sliedrecht. Daar worden patiënten behandeld met een acute psychiatrische problematiek en BOPZ opname-indicatie. [geïntimeerde] is werkzaam op een gesloten afdeling.

1.4

Patiënte X (hierna: X) is op 18 december 2015 vrijwillig opgenomen op de gesloten afdeling van De Gantel nadat zij twee weken daarvoor uit De Gantel was ontslagen. In de tussenliggende twee weken bleek X thuis onregelmatig haar medicatie te hebben ingenomen en alcohol te hebben gebruikt. X kent een langdurige psychiatrische voorgeschiedenis met vele vrijwillige en gedwongen opnamen.

1.5

De psychiater heeft in een op 18 december 2015 gedateerde “Rapportage algemeen” onder meer vermeld dat er sprake was van “staken medicatie vanuit therapieontrouw”, “[f]ors alcoholgebruik laatste weken”, “opletten eventuele onthoudingsverschijnselen alcohol (en in dat verband ontslagwens)”, “maniforme ontregeling bij bekende schizo-affectieve stoornis” en “uit zich suïcidaal, verhoogd associatief, eufoor beeld”. Bij de verpleegkundige probleemomschrijving (PES) is onder meer vermeld: “Medicatieontrouw/staken van medicatieinname – alcoholgebruik”.

1.6

In het door de psychiater ook op 18 december 2015 gedateerde “Behandelingsplan” is een aantal doelstellingen en interventies genoemd. Over alcoholgebruik is daarin niets vermeld.

1.7

In het BOPZ dwangbehandelingsplan van 5 januari 2016 van de psychiater(s) is vermeld dat X een “schizo-affectieve stoornis” heeft, dat er een aantal ernstige gevaren dreigt waaronder “brandstichting, agressie en opwekken van agressie van anderen” en “gevaar voor uitputting en teloorgang”. Als evaluatiecriteria zijn genoemd: “Aanwezigheid van gevaar, aanwezigheid van medicatietrouw, aanwezigheid van psychiatrische stoornis”. Over alcoholgebruik is daarin niets vermeld.

1.8

Vanaf 7 januari 2016 is de opname van X voortgezet in het kader van een (gedwongen) BOPZ-maatregel.

1.9

In de evaluatie van 10 januari 2016 van het “Verpleeg/Sociotherapeutische plan” is bij de “Verpleegkundige probleembeschrijving” onder meer vermeld: “Medicatieontrouw/staken van medicatieinname – alcoholgebruik”.

1.10

In een op 22 januari 2016 gedateerd verslag van een “systeemgesprek” van de psychiater in opleiding (hierna: psychiater i.o.) mevrouw [psychiater i.o.] met een nicht van X – die zeer met het lot van X is begaan – is onder meer vermeld:

“Pt is veel bezig met het vervolgtraject na deze opname bij Yulius. Wilt graag weten over volgerlanden, tussenoplossingen, hulp thuis. Naast dat pt goed weet dat ze zeker nog niet klaar is om naar huis te gaan wilt pt wel veel stappen tegelijk zetten. Ze vraagt over verlof naar huis en dit blijkt voort te komen uit een zucht naar alcohol. Besproken wordt dat ze nog niet klaar is voor verlof en dat op verlof ook niet gedronken zou mogen worden. Dit nieuws ontstemt pt welke direct suïcidale opmerkingen maakt. Afgesproken wordt dit onderwerp uit te stellen tot een toekomstig gesprek zodra verlof wat dichterbij gaat komen.”

1.11

Op 26 januari 2016 is X met [geïntimeerde] buiten de locatie geweest voor een wandeling en is haar door [geïntimeerde] toegestaan een glas wijn te drinken in de nabijgelegen horecagelegenheid “Spek en Bonen”. X had een verzoek van die strekking aan [geïntimeerde] gedaan voorafgaand aan de wandeling. Dit verzoek heeft [geïntimeerde] toen besproken met collega psychiatrisch verpleegkundige mevrouw [collega 1] (hierna: [collega 1]).

1.12

In het rapport van psychiater [psychiater] van 26 januari 2016 is als onderwerp vermeld “testen om eens met de groep naar buiten te gaan” en verder:

“Gesprek met patiënte en VPK. Uitbreiden van vrijheden besproken (aanbod van PB dat zij ooit met de groep mee zou kunnen gaan om eens te gaan kijken of dit de goede kant uit gaat.

Zij is het hiermee eens. Verder vragen omtrent medicatie doorgegaan. Wil een medicatie die helpt. Uitleg dat de manie eerst zou moeten worden doorstaan want de medicatie helpt bij haar niet voldoende in de acte fase maar de hoop is wel dat Risperdal en Depakine kans geven om toekomstig toch zonder een recidief verder te kunnen. Trillen wat minder lijkt het. Patiënte geeft aan nooit meer naar huis te kunnen, omdat zij daar straks weer aan de alcohol raakt. Geeft aan suïcidale gedachten te hebben en te denken aan een pand war zij van af zou springen.

Later in de middag was zij weer geagiteerd en roepend op de afdeling.

Conclusie > testen of zij eens bij de groep buiten mag lopen”

1.13

Twee dagen later, op 28 januari 2016, heeft X tijdens een wandeling met mevrouw
[collega 2] (hierna: [collega 2]), een collega psychiatrisch verpleegkundige, ook een glas wijn gedronken in een horecagelegenheid.

1.14

Op 29 januari 2016 heeft een – door psychiater [psychiater] geaccordeerde - groepswandeling plaatsgevonden. X is weggelopen tijdens deze groepswandeling en vervolgens thuis aangetroffen. Zij had toen veel (sterke) drank gedronken.

1.15

Eerder bedoelde nicht van X heeft op diezelfde dag de afdeling waar [geïntimeerde] werkt gebeld met vragen over de gang van zaken. Deze nicht heeft uiteindelijk een klacht bij Yulius ingediend.

1.16

Bij brief van 5 februari 2016 heeft Yulius aan [geïntimeerde] meegedeeld dat zij met onmiddellijke ingang is geschorst voor de duur van een week, welke schorsing is verlengd. De schorsing duurt thans nog voort.

1.17

Yulius heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden primair op grond van verwijtbaar handelen (art. 7:669 lid 3 onderdeel e BW) en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW), zonder inachtneming van een opzegtermijn en zonder toekenning van de transitievergoeding, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

1.18

De kantonrechter heeft de verzoeken van Yulius afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

2. In hoger beroep vordert Yulius vernietiging van de bestreden beschikking, het alsnog toewijzen van de verzoeken uit de eerste aanleg op de in r.o. 17 genoemde gronden, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

3. Yulius onderbouwt het verwijtbaar handelen (art. 7:669 lid 3 onderdeel e BW), als volgt.

3.1

De psychiatrisch verpleegkundigen maken deel uit van het multidisciplinair behandelteam, dat op zijn beurt bestaat uit het behandelteam en het verpleegkundig team alsook uit activiteitenbegeleiders en groepswerkers. Het behandelteam bestaat uit de psychiater, verpleegkundig specialist, maatschappelijk werker en arts in opleiding tot psychiater. Dit team schrijft het behandelplan en bezit het coördinerend behandelaarschap. In de kliniek is de psychiater de hoofdbehandelaar. Het verpleegkundig team bestaat uit de psychiatrisch verpleegkundige, de leerling-verpleegkundigen en de verpleegkundige met addendum (coördinerende beleidstaken).

3.2

Aangezien in 24-uursdiensten wordt gewerkt en het multidisciplinair behandelteam dus voortdurend van samenstelling wisselt is rapportage uitermate belangrijk om op de hoogte te blijven van het verloop van de behandeling van de patiënt.

3.3

X is een gedwongen opgenomen psychiatrische patiënte met een schizo-affectieve stoornis met complex medicijngebruik en ernstige alcoholproblematiek. Het was [geïntimeerde] bekend dat de oorzaak van de crisis waarvoor opname nodig was, gelegen is in overmatig alcoholgebruik en het stoppen van de medicatie. [geïntimeerde] heeft X alcohol gegund, een interventie die absoluut contra geïndiceerd was. Dit vanwege de negatieve gevolgen van het gebruik van alcohol in combinatie met de medicatie en wanneer er dan toch een alcoholische consumptie wordt genuttigd de zucht naar alcohol – de zogenaamde craving – fors toeneemt. [geïntimeerde] wist dit, althans behoorde dit te weten. Indien [geïntimeerde] in het multidisciplinair behandelteam aan de orde zou hebben gesteld dat zij aan het verzoek van X gehoor wilde geven, dan zou het team deze interventie hebben afgekeurd. Dit wist [geïntimeerde]. Om die reden – en dus bewust - heeft zij haar voornemen niet in het team aan de orde gesteld. Ook achteraf heeft [geïntimeerde] het nuttigen van het glas wijn door X niet gerapporteerd omdat zij dan wist dat er “gedoe van zou komen”. Aldus heeft [geïntimeerde] (i) geen veilig klimaat voor X gecreëerd waarbinnen X optimaal kon (mee)werken aan haar herstel en (ii) de kern van het multidisciplinair werken ondermijnd.

4. Het hof overweegt als volgt.

4.1.

Het debat spitst zich toe op de vraag of – zoals Yulius stelt – [geïntimeerde] bewust in strijd met de geldende regels en afspraken heeft gehandeld door X alcohol te gunnen, dit niet in het multidisciplinair behandelteam voor te bespreken en dit nadien niet te rapporteren.

4.2.

Door [geïntimeerde] is onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat voor de behandeling door de psychiatrisch verpleegkundige het meest actuele behandelplan en verpleegplan leidend zijn. Door [geïntimeerde] is in dat kader gesteld dat – onder meer – het intakeverslag van 21 december 2015, het behandelplan van 23 december 2015 en het verpleegplan van eind december/begin januari ontbreken (verweerschrift eerste aanleg onder 2.8). Het bestaan van deze stukken is niet door Yulius betwist, maar deze zijn door haar niet overgelegd.

4.3.

Het hof gaat voorbij aan het op 22 januari 2016 gedateerde verslag van
psychiater i.o. Voogt van een “systeemgesprek” (zie r.o. 1.10). [geïntimeerde] heeft betwist dit – eerst in hoger beroep door Yulius overgelegde stuk – te kennen. Zij stelt dat ze niet wist van de in dit stuk genoemde “zucht naar alcohol” en dat zij – zo begrijpt het hof – het verzoek van X om een glas wijn te drinken niet had toegestaan als zij daarvan op de hoogte was geweest. Yulius heeft deze betwisting onvoldoende ontkracht. Zo heeft [geïntimeerde] gesteld dat bedoeld verslag niet op enigerlei wijze is teruggekoppeld aan het multidisciplinair behandelteam. Voor die stelling is voldoende aanknoping. Zo heeft [geïntimeerde] ook gesteld dat Voogt de dag na het gesprek van 22 januari 2016 op vakantie is gegaan, terwijl een collega psychiatrisch verpleegkundige, mevrouw De Bliek- van Hasselt, bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat zij heeft waargenomen dat bedoeld verslag eerst na 2 februari 2016, de dag waarop Voogt van vakantie terug kwam, in het systeem is gezet. Deze gang van zaken is door Yulius niet gemotiveerd betwist. Van belang op dit punt is voorts dat – zoals [geïntimeerde] terecht stelt - niet is in te zien waarom psychiater [psychiater] toestemming voor de groepswandeling zou hebben gegeven als hij wist van de inhoud van het systeemgesprek. Immers, uit het rapport van het systeemgesprek blijkt duidelijk van een verlofwens vanwege een zucht naar alcohol en dat verlof daarom nog niet was toegestaan. Dit alles wordt door Yulius niet gemotiveerd betwist.

4.4.

In de diverse regels waaruit volgens Yulius volgt dat alcoholgebruik niet is toegestaan, is deze boodschap niet te lezen. Deze regels kennen vooral open normen. Over de Huisregels waarin is bepaald dat alcoholgebruik op de locatie niet is toegestaan, heeft [geïntimeerde] gesteld dat deze regels zijn afgeleid van de Modelhuisregels van GGZ Nederland, die uitsluitend zien op de orde op de locatie en dus niet (ook) op de behandeling van de individuele patiënt. Dit is door Yulius niet gemotiveerd betwist.

4.5.

In de diverse plannen is evenmin te lezen dat alcoholgebruik van X niet is toegestaan. Het enkele feit dat X bekend was met fors alcoholgebruik thuis, daardoor medicatieontrouw was en een ontslagwens zou kunnen hebben bij eventuele onthoudingsverschijnselen maakt niet per definitie dat het nuttigen van één alcoholische consumptie in een gecontroleerde setting – zoals in onderhavig geval – voor de psychiatrische verpleegkundigen kenbaar evident contra geïndiceerd, of anderszins ontoelaatbaar was. Ook heeft Yulius tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten dat ook één alcoholische consumptie in combinatie met medicijngebruik ernstige gevaren kon opleveren. Dat er daadwerkelijk gevaar is geweest voor X vanwege de combinatie van een glas wijn aan het begin van de avond en de inname van medicijnen later, is gesteld noch gebleken.

4.6.

Het hof is wel van oordeel dat [geïntimeerde] het voorgenomen alcoholgebruik in het multidisciplinair behandelteam had dienen voor te bespreken. Evident is dat alcohol voor X een ernstig probleem was en dat [geïntimeerde] dit wist. Het ligt voor de hand aan te nemen dat het gunnen van alcohol relevant is voor de behandeling van X. Dat X in De Gantel niet voor haar alcoholprobleem werd behandeld maakt dit niet anders. In dit opzicht heeft [geïntimeerde] verwijtbaar gehandeld.

4.7.

Aan de ernst van het verwijt doet voorts af dat de psychiatrisch verpleegkundigen op de afdeling van [geïntimeerde] veel vrijheid werd gegund en werden gestimuleerd om out of the box te denken. De kans dat daardoor beslissingen worden genomen door deze verpleegkundigen die achteraf onjuist of minder gelukkig waren, neemt daardoor toe en is daarmee – in enige mate – ingecalculeerd.

4.8.

Het hof verwerpt de stelling dat [geïntimeerde] het voorgenomen alcoholgebruik bewust niet in het multidisciplinair behandelteam aan de orde heeft gesteld omdat zij wist dat het team deze interventie zou afkeuren. Deze stelling is door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist, terwijl het uit de vaststaande feiten niet is af te leiden. Yulius heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die wijzen op bewust verzwijgen. Van belang is voorts dat [geïntimeerde] de kwestie met collega [collega 1] heeft besproken en deze, evenals collega [collega 2], er kennelijk geen probleem in zag aan X de alcoholische consumptie te gunnen. Desgevraagd of er bij – onder meer – [geïntimeerde] kwade opzet in het spel was heeft psychiater dr. J.A.C. Oosterwijk bij de mondelinge behandeling verklaard dat niet zo te zien, maar de handelwijze niet professioneel te achten.

4.9.

Het hof is om de in r.o. 4.6 genoemde redenen ook van oordeel dat [geïntimeerde] de alcoholische consumptie nadien in haar verslag had moeten melden dan wel anderszins met het multidisciplinair behandelteam had moeten delen. Ook op dit punt heeft [geïntimeerde] verwijtbaar gehandeld.

4.10.

Het hof ziet geen reden om het incident van 29 januari 2016 aan [geïntimeerde] toe te rekenen. Het incident is ontstaan doordat X uit de groepswandeling is weggelopen. Niet in geschil is dat de zucht naar alcohol hierin bepalend is geweest. Deze zucht naar alcohol was bekend bij de behandelend psychiaters, evenals het gevaar voor weglopen. Onweersproken is dat de psychiatrisch verpleegkundigen [psychiater] al eerder voor het gevaar van weglopen hadden gewaarschuwd. Dit laatste wordt bevestigd door het verpleegkundig verslag van 26 januari 2016, waarin [geïntimeerde] heeft vermeld; “Na de maaltijd met mw. naar buiten gegaan, wilde wat drinken bij Spek en Bonen. Zei daar dat zij de neiging had om weg te lopen, zou toch harder kunnen rennen dan o.g.”. [geïntimeerde] heeft voorts onweersproken gesteld dat het nodig is om nagenoeg zeker te weten dat een patiënt niet de neiging heeft weg te lopen alvorens deze met een groep en één begeleider naar buiten te sturen, juist omdat de gevolgen van het weglopen desastreus kunnen zijn. Dat juist het nuttigen van de alcoholische consumpties op 26 en/of 28 januari 2016 tot een ander oordeel van psychiater [psychiater] had geleid als hij daarvan op de hoogte was geweest, is onvoldoende onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling dat [geïntimeerde] dit had moeten weten. Dat neemt niet weg dat deze consumpties de bestaande zucht naar alcohol kunnen hebben versterkt, maar het komt het hof voor dat de verantwoordelijkheid voor het incident ten onrechte volledig op het conto van de psychiatrisch verpleegkundigen, waaronder [geïntimeerde], wordt geschreven, nu (i) wezenlijk is af te dingen op de beslissing van [psychiater] om de groepswandeling goed te vinden – er was een bij Yulius bekende zucht van X naar alcohol, een verlofwens in verband daarmee, X uitte zich suïcidaal en [psychiater] was gewaarschuwd voor weglopen – en (ii) de terugkoppeling van de problematiek van de craving door de psychiaters aan het multidisciplinair behandelteam niet voldoende (duidelijk) is geweest en in de diverse behandelplannen en rapportages (afgezien wellicht van het op 22 januari 2016 gedateerde verslag van psychiater i.o. Voogt van een “systeemgesprek”, welk verslag buiten beschouwing wordt gelaten gezien het onder 4.3 overwogene), niet was opgenomen dat X geen (enkele) alcohol mocht krijgen.

4.11.

Het verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] is in deze context van onvoldoende gewicht om te oordelen dat sprake is van verwijtbaar handelen in de zin van art. 7:669 lid 3 onderdeel e BW. Het feit dat [geïntimeerde] in 2007 een waarschuwing heeft gehad leidt vanwege het tijdverloop niet tot een ander oordeel.

5. Yulius onderbouwt de verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW), als volgt. Het behandelteam was in grote shock door de handelwijze van [geïntimeerde]. Dat er veel collegiale steun was voor [geïntimeerde] op de mondelinge behandeling maakt dit niet anders. Er is een totaal gebrek aan vertrouwen in [geïntimeerde]. Zij bagatelliseert de ernst van de situatie. Van Yulius mag in redelijkheid niet worden verlangd kwetsbare patiënten aan de zorg van [geïntimeerde] toe te vertrouwen.

6. Het hof verwerpt het beroep op art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW, als zijnde prematuur. Van Yulius als professionele zorgverlener op het vlak van – samengevat – de psychiatrie mag worden verwacht serieuze pogingen te doen om de ontstane (wederzijdse) vertrouwensbreuk te dichten/helen. Als hiervoor geoordeeld heeft te gelden dat [geïntimeerde] verwijtbaar heeft gehandeld door de interventie niet vooraf te overleggen en niet achteraf te melden, maar ook dat wezenlijk is af te dingen op de beslissing van [psychiater] om de groepswandeling goed te vinden en dat de terugkoppeling van de problematiek door de psychiaters aan het multidisciplinair behandelteam, alsmede de regels voor incidenteel alcohol gunnen aan patiënten in het algemeen en aan X in het bijzonder niet voldoende (duidelijk) zijn geweest. Een intercollegiaal overleg dan wel intercollegiale toetsing met alle betrokkenen inclusief [geïntimeerde] en het gehele multidisciplinaire team naar aanleiding van het incident met X, waarbij ieders aandeel en verantwoordelijkheid in het geheel wordt benoemd en heldere regels en afspraken worden gemaakt en vastgelegd voor de toekomst, was op zijn plaats geweest en zou bij voorkeur alsnog moeten plaatsvinden. Zo nodig dient ook de mogelijkheid van herplaatsing te worden onderzocht. Vooralsnog heeft Yulius geen pogingen gedaan de arbeidsverhouding te herstellen. Naar het oordeel van het hof kan op dit moment dan ook niet worden geoordeeld dat de verstoring van de arbeidsverhouding duurzaam is.

7. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter terecht de verzoeken van Yulius heeft afgewezen. In hoger beroep zullen deze verzoeken evenmin worden toegewezen.

8. Aan bewijslevering komt het hof niet toe nu geen concrete feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, en geen ter zake dienende bewijsaanbiedingen zijn gedaan.

9. Yulius zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 1.788,-- aan salaris advocaat (volgens liquidatietarief 2 punten x tarief II).

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter van 15 juni 2016 ten aanzien van het oordeel over de proceskosten van deze instantie;

  • -

    wijst de verzoeken van Yulius in hoger beroep af;

- veroordeelt Yulius in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.788,-- salaris advocaat;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of andere verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, H.M. Wattendorff en
A.R. Houweling en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.