Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:826

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
BK-16/00407
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:9030, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de onder 4.4 bedoelde aanslag leges terecht is opgelegd. (Omgevingsvergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/29.16.10
V-N Vandaag 2017/928
FutD 2017-0994
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00407

Uitspraak d.d. 21 maart 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Y], de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2016, nummer SGR 16/704, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 3 juli 2015 een aanslag leges opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van een op 29 januari 2015 ingediende aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2015 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag van 3 juli 2015 vernietigd, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ten bedrage van € 1.238 en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 gelast.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De Heffingsambtenaar is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 februari 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3.1.

De raad van de gemeente [Y] heeft in zijn openbare vergadering van 4 november 2014 de Verordening op de heffing en invordering van leges 2015 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel (hierna: de Tarieventabel) op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

3.2.

Voor zover thans van belang luidt de tekst van de Verordening als volgt:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam leges worden rechten geheven voor:

a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

(…)

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overige in dit artikel bepaalde.

(…)

3.3.

Voor zover thans van belang luidt de tekst van de Tarieventabel als volgt:

(…)

2.3

Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om (…) een omgevingsvergunning: De som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra [toetsen, Hof] die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel.

In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief 1,47% van de bouwkosten met een minimum van € 310,00.”

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1.1.

Belanghebbende heeft met haar woonark een ligplaats op het adres [A] te [Z] . Een toezichthouder van de gemeente [Y] heeft op 8 oktober 2012 geconstateerd dat op dit adres bouwactiviteiten plaatsvonden. Belanghebbende heeft op 22 november 2012 een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel geheel vervangen van een woonark ingediend, waarbij belanghebbende tevens ontheffing voor de hoogte van de woonark heeft aangevraagd. Op 3 januari 2013 heeft belanghebbende, in aanvulling op de aanvraag, een aangepaste bouwtekening ingediend waarin een hoogte van de woonark van 3,8 meter is vermeld.

4.1.2.

Bij brief van 16 januari 2013 heeft het college van Burgemeester en Wethouders bericht dat vervanging van de woonark vergunningsvrij was voor wat betreft de activiteit bouwen, maar dat wel in strijd met het bestemmingsplan werd gehandeld in verband met de hoogte van de woonark.

4.1.3.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college van Burgemeester en Wethouders belanghebbende wegens strijdigheid met het bestemmingsplan, gelast binnen zes weken na verzending van het besluit de met het bestemmingsplan strijdige woonark te verlagen tot een daarin specifiek genoemde hoogte of deze te verwijderen op straffe van een dwangsom van

€ 20.000 ineens.

4.1.4.

Met dagtekening 21 januari 2013 is aan belanghebbende een aanslag leges ten bedrage van € 146 opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van de onder 4.1.1 bedoelde aanvraag, met daarop de omschrijving “Omgevingsvergunningsvrij, grondslag: vast bedrag”.

4.2.

Op 10 december 2014 heeft tussen belanghebbende, haar gemachtigde en een drietal vertegenwoordigers van de gemeente [Y] , waaronder een wethouder, overleg plaatsgevonden. In het verslag van dit overleg, dat op 18 december 2014 aan de gemachtigde van belanghebbende is gezonden, is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Conclusie naar aanleiding van het verloop van de zaak en het gesprek

Het initiatief om tot een oplossing te komen is de verantwoordelijkheid van mevrouw [X] . De gemeente heeft meerdere malen aangegeven dat uit ambtelijke toetsing naar voren is gekomen dat medewerking verleend kan worden aan een maximale hoogte van 3,45 meter. Ten aanzien van het verruimen van de breedte is aangegeven dat hierin geen haalbare mogelijkheid wordt gezien.

Gelet op het vorenstaande verzoeken wij mevrouw [X] dan ook om uiterlijk 2 februari 2015 een definitieve en volledige aanvraag om een omgevingsvergunning bij ons in te dienen, voor de realisatie van de woonark binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. (…). Indien wij niet/niet tijdig een uitgewerkte optie ontvangen, dan zullen wij ons beraden over nadere bestuursrechtelijke maatregelen. (…)”

4.3.

Naar aanleiding van voornoemd overleg heeft belanghebbende op 3 februari 2015 een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel geheel vervangen van dezelfde woonark voor een hoogte van 3,45 meter ingediend.

4.4.

Met dagtekening 3 juli 2015 is aan belanghebbende de onderhavige aanslag leges ten bedrage van € 3.672,98 opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van de onder 4.3. bedoelde aanvraag.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de onder 4.4 bedoelde aanslag leges terecht is opgelegd, zoals de Heffingsambtenaar stelt en belanghebbende betwist.

5.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de onder 4.4 bedoelde aanslag.

6.2.

Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het hoger beroep.

Oordeel van de Rechtbank

7. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“8. Met het beroep tegen de beslissing op [bezwaar, Hof] ten aanzien van de in 2012 door [belanghebbende] ingediende aanvraag beoogde [belanghebbende] een omgevingsvergunning te krijgen voor een woonark met een hoogte van 3,80 meter. Voordat de rechtbank op dit beroep had beslist, heeft zij bij wijze van compromis alsnog een aanvraag ingediend voor een bouwhoogte van 3,45 meter, waarop de gemeente in juni 2015 positief heeft beslist. Haar beroep is vervolgens wegens het niet meer aanwezig zijn van een belang door de rechtbank in november 2015 niet ontvankelijk verklaard, omdat de verleende vergunning ziet op dezelfde woonark op hetzelfde perceel.

9. Wat er zij van de kennelijk door [belanghebbende] ingevulde aanvraag omgevingsvergunning van 29 januari 2015, die overigens door [de Heffingsambtenaar] niet is overgelegd, deze aanvraag kan niet als losstaand van die in 2012 worden beschouwd en moet gezien het compromis materieel worden aangemerkt als een wijziging van die aanvraag. Voor legesheffing vanwege het in behandeling van deze aanvraag is dan geen aanleiding. [Belanghebbende] heeft immers al leges voldaan voor de oorspronkelijk ingediende aanvraag. De aanslag van 3 juli 2015 had niet mogen worden opgelegd. Het beroep is gegrond.”

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar, desgevraagd, verklaard dat bij de beoordeling van de aanvraag van 22 november 2012 de bouw dan wel vervanging van de woonark abusievelijk als vergunningsvrij is aangemerkt, dat daarbij abusievelijk geen bouwactiviteiten zijn onderkend, en dat daardoor de met dagtekening 21 januari 2013 opgelegde aanslag naar een onjuiste heffingsmaatstaf en daarmee naar een te laag bedrag is opgelegd. Voorts heeft hij, desgevraagd, verklaard dat de aanvraag van 22 november 2012 en de aanvraag van 3 februari 2015 in wezen dezelfde bouwaanvragen zijn. Naar de Heffingsambtenaar ter zitting heeft gesteld, is het enige verschil tussen de aanvragen de hoogte van de woonark en het feit dat in eerste instantie door de Heffingsambtenaar niet is onderkend dat de situering van de woonark moest worden aangepast doordat het aanduidingsvlak van de woonark op het bestemmingsplan niet juist was, en dit het slaan van een damwand in het talud bij de woonark noodzakelijk maakte.

8.2.

Gelet op de stukken van het geding en hetgeen door partijen daaraan ter zitting is toegevoegd, in het bijzonder het onder 8.1 vermelde, kan niet anders worden geoordeeld dan dat de aanvraag van 3 februari 2015 dezelfde bouwactiviteit betrof als de aanvraag van 22 november 2012. De omstandigheid dat tussen beide aanvragen verschil bestaat in de opgegeven hoogte van de woonark en het feit dat de Heffingsambtenaar bij de eerste aanvraag abusievelijk niet heeft onderkend dat sprake was van bouwactiviteiten, maakt niet dat de aanvraag van 3 februari 2015 ziet op een andere bouwactiviteit dan die van 22 november 2012. Uit de systematiek van de Tarieventabel leidt het Hof af dat een aanvraag voor afwijking van het bestemmingsplan opgaat in de aanvraag van de bouwactiviteit. Nu ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van 22 november 2012 reeds met dagtekening 21 januari 2013 leges zijn geheven, had de aanslag leges met dagtekening 3 juli 2015 niet mogen worden opgelegd. De bouwactiviteit is immers reeds in de legesheffing betrokken. Dat de Heffingsambtenaar de aanslag leges met dagtekening 21 januari 2013 abusievelijk tot een te laag bedrag heeft vastgesteld door het niet onderkennen van bouwactiviteiten, doet hier niet aan af. Voor zover de Heffingsambtenaar stelt dat het slaan van een damwand leidt tot een andere bouwactiviteit en een verplichting tot het doen van een nieuwe aanvraag kan het Hof hem daarin niet volgen. Vaststaat immers dat de Heffingsambtenaar in de maatstaf van heffing van de onderhavige legesnota niet de kosten van het slaan van een damwand heeft betrokken.

8.3.

Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is derhalve ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

9.1.

In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.485 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van een verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, derhalve 2 punten à € 495 x 1,5 gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

9.2.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Heffingsambtenaar een griffierecht geheven van € 503.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.485.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffiers mr. E.J. Nederveen en D.W. van der Voort. De beslissing is op 21 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

Van de Heffingsambtenaar wordt ter zake van het hoger beroep een griffierecht geheven van € 503.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.