Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:798

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
200.210.840/01 en 200.210.840/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Geen Verdragsluitende Staat. Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Weigeringsgronden artikel 13 HKOV. Dwangsom; Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 maart 2017

Zaaknummer : 200.210.840/01 en 200.210.840/02

Rekestnummer rechtbank : FA RK 17-217 en FA RK 17-1196

Zaaknummer rechtbank : C/09/525075 en C/09/527203

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.E.C. Verhoeff en mr. M.E.M. Beijersbergen te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats] , Suriname,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.D.S. Doelam te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 3 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 februari 2017 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 14 maart 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 9 maart 2017 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 16 maart 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaten mr. M.E.M. Beijersbergen en mr L.J. Zietsman;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de terugkeer gelast van de minderjarige [minderjarige] , (geboren [in] 2007 te [geboorteplaats] , hierna ook: de minderjarige) naar Suriname uiterlijk op 8 maart 2017, waarbij de vrouw de minderjarige dient terug te brengen naar Suriname, en heeft de rechtbank bevolen dat indien de vrouw dit nalaat, zij de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man zal afgeven uiterlijk op 8 maart 2017, opdat de man de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Suriname. Voorts is bepaald dat ieder de eigen proceskosten draagt, en is het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de man om de vrouw in de kosten te veroordelen, haar een dwangsom op te leggen en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen hebben een affectieve relatie gehad;

- uit die relatie is uit de vrouw de minderjarige geboren;

- de minderjarige is door de man erkend;

- partijen en de minderjarige hebben ieder de Nederlandse nationaliteit;

- de minderjarige heeft na haar geboorte met partijen in Nederland gewoond;

- op 6 november 2012 is de vrouw met de minderjarige naar Suriname gegaan, om zich bij de man te voegen;

- op 1 februari 2013 zijn partijen in [plaats] , Suriname, in het huwelijk getreden;

- partijen hebben door het huwelijk gezamenlijk gezag over de minderjarige;

- op 11 augustus 2014 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken in Suriname, welk vonnis is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van het district [plaats] op 1 november 2014;

- bij beschikking van 12 april 2016 van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo , Suriname is de man tot voogd over de minderjarige benoemd en de vrouw tot toeziend voogd;

- tevens is een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige vastgesteld;

- na het uiteengaan van partijen in Suriname woonde de minderjarige bij de man en haar stiefmoeder, en werd uitvoering gegeven aan de zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige;

- de vrouw is op 26 december 2016 met de minderjarige – met toestemming van de man – met vakantie naar Curaçao gegaan en aansluitend – zonder toestemming van de man – met de minderjarige naar Nederland vertrokken;

- op 28 december 2016 heeft de vrouw de man een bericht gestuurd waarin zij, samengevat, mededeelt dat de man de minderjarige in Nederland kan komen halen en dat de vrouw nooit meer zal terugkeren naar Suriname;

- op 1 januari 2017, op de dag van de aankomst van de man in Nederland, heeft de vrouw de man bericht dat de minderjarige niet terug wil naar Suriname en bij haar en bij de halfzussen van de minderjarige wil blijven;

- de minderjarige verblijft sinds 28 december 2016 met de vrouw in Nederland;

- de man heeft zich op 3 januari 2017 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit; de zaak is daar bekend onder iko-nummer: [nummer] .

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- bij incident te bepalen dat de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking wordt geschorst, zolang er in deze zaak geen onherroepelijke uitspraak is gewezen door dit hof in goede justitie te bepalen;

- de bestreden beschikking te vernietigen, althans een nieuwe beschikking te wijzen zodanig dat het verzoek van de man om teruggeleiding van de minderjarige wordt afgewezen nu het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Een en ander onder verwijzing naar de motieven van de grief genoemd in het beroepschrift en waaruit volgt dat de belangen van de minderjarige met zich brengen dat de minderjarige alsnog in Nederland kan blijven wonen;

- de raad opdracht te geven een onderzoek te doen naar de belangen van de minderjarige en haar verblijf in Nederland alsmede de wijze waarop de zorgregeling tussen haar en beide ouders tot stand dient te komen;

- crossborder mediation te verzoeken via het IKO te Hilversum;

- de minderjarige te horen in een kindgesprek.

2. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof in principaal hoger beroep de vrouw in het door haar gedane verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar grieven af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man het hof de bestreden beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen, het hof begrijpt voor zover de door hem verzochte voorlopige voorziening, oplegging dwangsom en veroordeling van de vrouw in de proceskosten zijn afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat de minderjarige onmiddellijk wordt toevertrouwd aan de man, voor de duur van de procedure;

- te bepalen dat de vrouw daaraan haar medewerking verleent op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat de vrouw in gebreke blijkt haar medewerking op welke wijze dan ook te verlenen;

- de vrouw te verplichten aan de man te vergoeden de kosten die door de man noodzakelijk zijn gemaakt in verband met de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige, zoals de advocaatkosten en reiskosten om de zittingen bij te wonen, conform de eerdere specificatie en een nader te overleggen specificatie;

- kosten rechtens en uitvoerbaar bij voorraad.

3. De vrouw verzet zich daartegen.

Schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4. De vrouw heeft verzocht om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. Het hof overweegt hieromtrent dat alleen al vanwege het feit dat de rechtbank de bestreden beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, schorsing niet mogelijk is. Het hof zal dit verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

Toepassing van het HKOV en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet)

5. Vaststaat dat Suriname geen Verdragsluitende Staat is in de zin van het HKOV, zodat op grond van de artikelen 2 en 3 van de Uitvoeringswet, waarin is bepaald dat de Uitvoeringswet tevens van toepassing is in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die jonger zijn dan 16 jaren en die niet door een verdrag worden beheerst , artikel 13 lid 3 Uitvoeringswet van toepassing is. Dat artikellid bepaalt dat in de gevallen waarin geen verdrag toepasselijk is de rechter het verzoek kan afwijzen op de gronden vermeld in de artikelen 12, tweede lid, 13 en 20 van het HKOV. Het hof zal voornoemde artikelen van het HKOV, mede gelet op de universele toepassing daarvan, als toetsingskader hanteren.

Ongeoorloofde overbrenging minderjarige

6. Tussen partijen staat vast dat er sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige naar Nederland.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 lid 1 van het HKOV

7. Gezien het feit dat minder dan een jaar is verstreken tussen het niet doen terugkeren van de minderjarige naar Suriname, en het tijdstip van de indiening van het verzoek van de man tot teruggeleiding, moet op grond van artikel 12 HKOV de terugkeer van de minderjarige worden gelast, tenzij sprake is van (een van) de weigeringsgronden van artikel 13 van het HKOV.

Artikel 13 HKOV

8. In artikel 13 van het HKOV is het volgende bepaald:

1. Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:

a. a) de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat

b) er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

2. De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

3. Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 13 lid 1 sub a van het HKOV (toestemming of berusting)

9. Het hof overweegt dat zodra de vrouw te kennen gaf niet terug te zullen keren met de minderjarige naar Suriname, de man alles in het werk heeft gesteld om de terugkeer van de minderjarige te bewerkstelligen. Van een berusting van de man in of toestemming met een voortgezet verblijf in Nederland van de minderjarige vanaf 1 januari 2017 is het hof niet gebleken.

Artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV (lichamelijk of geestelijk gevaar)

10. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte beslist dat de minderjarige dient terug te keren naar Suriname. Dit is in strijd met het belang van de minderjarige. De vrouw verwijst naar de uitzonderingsgronden van artikel 13 lid 1 sub b HKOV die verzet tegen terugkeer mogelijk maken. De vrouw vreest dat de man agressief gedrag zal vertonen naar de minderjarige naarmate zij ouder wordt en een eigen wil krijgt. Daar is de man volgens de vrouw niet tegen opgewassen. De vrouw heeft om die reden onvoldoende vertrouwen en veiligheid om zich weer in Suriname te vestigen. Zij heeft inmiddels vaste woonruimte in Den Haag en een baan als verpleegkundige in de gezondheidszorg.

De vrouw heeft geen mogelijkheden en perspectieven in Suriname, nog los van de politiek onveilige situatie in Suriname. Daarnaast kan zij, zo heeft zij ter zitting bij het hof gesteld, in Suriname door de hoge prijzen niet rondkomen van het veel lagere salaris dat zij zou verdienen in Suriname ten opzichte van haar salaris in Nederland. De vrouw kan verder door het verbreken van de relatie met haar vriend niet terugkeren naar Suriname omdat haar voormalige vriend uit een bekende familie komt. Het belang van de minderjarige is er niet bij gediend als de vrouw hier in Nederland woont en de minderjarige in Suriname. De minderjarige is nog te kwetsbaar om in een voor haar ongewisse situatie te belanden in Suriname zonder haar moeder, hetgeen uitdrukkelijk in strijd is met haar belang in de zin van artikel 3 lid 1 IVRK en 8 EVRM.

11. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man betoogt dat terecht is overwogen door de rechtbank dat er geen ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel anderszins in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De man betwist de door de vrouw gestelde mishandeling of agressief gedrag, hij is hiervoor ook nooit veroordeeld. De vrouw zou wat de man betreft met de minderjarige kunnen terugkeren naar Suriname. De vrouw kan daar net als voorheen, veilig en ongestoord wonen en werken.

Het belang van de minderjarige verzet zich tegen een langer verblijf in Nederland, aldus de man.

12. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat het beroep van de vrouw op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 aanhef en onder b HKOV niet opgaat. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen de vrouw daarover in hoger beroep nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep zijn er, mede gelet op de in deze toe te passen restrictieve uitleg van de weigeringsgrond (vgl. HR 20 januari 2006, NJ 2006,545 en HR 20 oktober 2006, NJ 2007,383 en 385), onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat sprake is van een ernstig risico dat de minderjarige door haar terugkeer naar Suriname wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De minderjarige heeft van 2012 tot eind december 2016 in Suriname in gezinsverband met de man gewoond. Gesteld noch gebleken is dat het niet goed ging met de minderjarige aldaar. De minderjarige is daar naar school gegaan. Nadien heeft zij regelmatig contact met de man gehad en zij is ook in Nederland geregeld weekenden dan wel anderszins bij hem (geweest). De man heeft een woning in Nederland vlakbij de woning van de vrouw. Anders dan waar de vrouw kennelijk van uit gaat, zijn de door deze bepaling gestelde voorwaarden niet reeds vervuld op de enkele grond dat het belang van de minderjarige in Suriname minder goed zou zijn gediend dan in Nederland.

13. Het beroep van de vrouw op artikel 3 lid 1 IVRK en artikel 8 EVRM en haar, door de man gemotiveerd weersproken, stelling dat zij niet terug kan gaan naar Suriname als gevolg waarvan het belang van de minderjarige wordt geschaad omdat de minderjarige niet zonder haar moeder in Suriname kan en wil verblijven, maakt het oordeel van het hof niet anders. Uit de stukken in het dossier en, met name, uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat er voor de vrouw geen beletselen zijn om in Suriname te wonen, anders dan economische redenen of het gebrek aan familieleden. Dat door de teruggeleiding naar Suriname, de vrouw en de minderjarige in strijd met het Verdrag voor de rechten van het kind en het EVRM zullen worden gescheiden, is naar het oordeel van het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, door de vrouw dan ook onvoldoende onderbouwd. Het lijkt eerder een bewuste keuze van de vrouw geweest te zijn om Suriname te verlaten en zich in Nederland te vestigen, zo heeft zij al op de dag van haar aankomst in Nederland een arbeidsovereenkomst als verpleegkundige ondertekend.

Artikel 13 lid 2 van het HKOV (verzet van de minderjarige)

14. De vrouw stelt dat de minderjarige uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven niet terug te willen naar Suriname.

15. De man betwist de stelling van de vrouw. De man betoogt dat de rechtbank terecht de stelling van de vrouw dat de minderjarige zich verzet tegen terugkeer naar Suriname heeft gepasseerd.

16. Het hof overweegt als volgt. De minderjarige is in raadkamer door het hof gehoord zoals dat in beginsel in alle kinderontvoeringszaken, waarbij kinderen van zes jaar of ouder betrokken zijn, plaatsvindt. Het hof heeft ter zitting van dit kindgesprek zakelijk verslag gedaan. Aan het verzoek van de vrouw om de minderjarige te horen is daarmee voldaan.

17. Het hof is van oordeel dat hetgeen de minderjarige heeft aangegeven, nog afgezien van de vraag of de minderjarige een mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden, onvoldoende is in het licht van de uitzonderingsbepaling van artikel 13 lid 2 van het HKOV. Van verzet tegen haar terugkeer als bedoeld in laatstgemelde bepaling is niet gebleken. De door de minderjarige geuite bezwaren, die voornamelijk zien op de tijd die zij moet besteden aan school in Suriname, zijn aan te merken als een wens om liever (op een school) in Nederland te blijven, aangezien zij de omstandigheden in Nederland beter/prettiger vindt.

Conclusie

18. Nu geen sprake is van één of meer van de in artikel 13 HKOV genoemde weigeringsgronden, terwijl minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, alsmede gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 13 is overwogen, dient ingevolge artikel 12 lid 1 HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

19. Het hof zal dan ook in zoverre de bestreden beschikking bekrachtigen, met dien verstande dat het hof, nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding vanwege dit hoger beroep is verstreken en het hof uit de opstelling van de vrouw afleidt dat zij de minderjarige niet zelf naar Suriname zal terugbrengen, de vrouw zal bevelen dat zij de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man afgeeft uiterlijk op 25 maart 2017, opdat de man de minderjarige zo spoedig mogelijk zelf mee terug kan nemen naar Suriname.

Raadsonderzoek

20. De vrouw heeft verzocht om de raad opdracht te geven een onderzoek te doen naar de belangen van de minderjarige en haar verblijf in Nederland alsmede de wijze waarop de zorgregeling tussen haar en beide ouders tot stand dient te komen. In het licht van het hiervoor overwogene heeft de vrouw aan haar verzoek niet zodanige argumenten ten grondslag gelegd dat een onderzoek desondanks in het belang van de minderjarige nog nodig is. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Crossborder mediation

21. Nu de man ter zitting bij het hof desgevraagd heeft verklaard niet open te staan voor crossborder mediation, zal het hof het verzoek van de vrouw afwijzen.

Incidenteel verzoek om voorlopige voorziening

22. Gelet op het voorgaande en nu het hof een eerdere afgifte van de minderjarige dan bovengenoemde datum niet in het belang van de minderjarige acht, zal het hof het incidentele verzoek van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening, namelijk om te bepalen dat de minderjarige onmiddellijk wordt toevertrouwd aan de man voor de duur van de procedure, afwijzen.

Incidenteel verzoek tot oplegging dwangsom

23. De man heeft verzocht om te bepalen dat de vrouw haar medewerking verleent aan de onmiddellijke toevertrouwing op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat de vrouw in gebreke blijkt haar medewerking op welke wijze dan ook te verlenen. Het hof leest dit verzoek zo dat de man verzoekt om een dwangsom vast te stellen, ook in het geval de vrouw niet meewerkt aan de afgifte van de minderjarige in het kader van de teruggeleiding.

24. Het hof zal voornoemd verzoek van de man afwijzen nu het hof geen aanwijzingen heeft dat de vrouw hetgeen het hof in onderhavige beschikking zal bepalen, niet zal nakomen. Gelet op de aard van de onderhavige beschikking kan de man zich blijkens artikel 13 lid 6 Uitvoeringswet ook op andere wijze verzekeren van de afgifte van de minderjarige.

Proceskosten

25. De rechtbank heeft volgens de man de vrouw ten onrechte niet veroordeeld tot betaling aan de man van de door hem gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding van de minderjarige van € 6.060,02 + PM.

De man stelt dat de vrouw op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan worden veroordeeld tot betaling van de kosten. De man onderbouwt de door hem gemaakte kosten in zijn verweerschrift.

26. Het hof overweegt als volgt. De man heeft de door hem opgevoerde kosten van € 6.060,02 gemaakt in de procedure in eerste aanleg gespecificeerd en onderbouwd met stukken. De man heeft verzuimd om, zoals aangekondigd in zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, een specificatie over te leggen van de door hem gemaakte (advocaat)kosten in hoger beroep. Naar aanleiding van een vraag ter zitting van het hof aan de man hierover, heeft de vrouw pas in de tweede termijn, dus na de schorsing van de mondelinge behandeling, bezwaar gemaakt tegen de eventueel door de man op te voeren kosten van het hoger beroep. Zij heeft daarbij omtrent de specificatie van de kosten gemaakt door de man in eerste aanleg alleen gesteld dat de kosten van de vliegreis van de partner van de man volgens haar niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

27. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen reden bestaat om de man te belasten met de door hem gemaakte kosten en dit temeer niet nu in deze zaak vanaf het begin vaststaat dat de minderjarige ongeoorloofd is overgebracht naar Nederland. Nu de vrouw geen ander bezwaar heeft gemaakt tegen de door de man opgevoerde kosten zal het hof de vrouw op de voet van artikel 13 lid 5 Uitvoeringswet veroordelen tot betaling daarvan, met uitzondering van de reiskosten voor de partner van de man van € 1.136,51. Het hof is met de vrouw van oordeel dat het de eigen keuze van de man is geweest om zijn partner mee te nemen naar Nederland en dat deze kosten niet afgewenteld kunnen worden op de vrouw. Nu de man heeft nagelaten de door hem gemaakte kosten in hoger beroep te specificeren, zal het verzoek de vrouw ook in deze kosten te veroordelen worden afgewezen.

28. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de man niet-ontvankelijk is verklaard in de voorlopige voorzieningenprocedure, bepaald is dat iedere partij de eigen proceskosten in eerste aanleg draagt en de terugkeer naar Suriname is gelast van de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2007 te [geboorteplaats] uiterlijk op 8 maart 2017, en, in zoverre, opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de man om een voorlopige voorziening te treffen om de minderjarige voor de duur van de procedure onmiddellijk toe te vertrouwen aan de man;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van de door de man gemaakte kosten in eerste aanleg in verband met de ontvoering en teruggeleiding van de minderjarige ter hoogte van een bedrag van € 4.923,51;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, met dien verstande dat de terugkeer van de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2007 te [geboorteplaats] , wordt gelast en de vrouw wordt bevolen de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man af te geven uiterlijk op 25 maart 2017, opdat de man de minderjarige zelf zo spoedig mogelijk mee terug kan nemen naar Suriname;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, C.M. Warnaar en D. Wachter, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2017.