Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:762

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
BK-16/00597
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8892, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2378
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/252 met annotatie van M.P. van der Burg
V-N Vandaag 2017/878
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00597

Uitspraak van 3 maart 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Gemeenschappelijke regeling Regionale Belasting Groep te [D] , de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2016, nr. ROT 16/4269.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is 25 februari 2016 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente [B] opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven.

1.6.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend (zie ook 5.3).

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 februari 2017 in Den Haag. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen.

1.8.

Bij faxbericht van 20 februari 2017 betreffende "BK SGR 16 / 00597 ( [X] te [Z] )" heeft de gemachtigde van belanghebbende meegedeeld: "Vrijdag 24 februari 2017 vindt de mondelinge behandeling plaats in opgemelde zaak. Wegens onvoorziene omstandigheden zal daarbij zijdens [belanghebbende] geen vertegenwoordiging aanwezig zijn. De zaak hoeft niet te worden aangehouden."

Feiten

Met inachtneming van de vaststelling door de rechtbank gaat het Hof uit van de volgende feiten:

2.1.

De auto van belanghebbende staat 25 februari 2016 om 19.31 uur (controletijdstip) op een parkeerplaats aan de [A] in [B] .

2.2.

Blijkens het door de Heffingsambtenaar in kopie in het geding gebrachte Aanwijzingsbesluit betaald parkeren [B] 2016 zijn parkeerplaatsen aan de [A] in [B] door de raad van de gemeente [B] aangewezen als door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaatsen.

2.3.

Naar aanleiding van de ten tijde van de controle gedane bevinding dat niet blijkt dat parkeerbelasting is voldaan, is de naheffingsaanslag van € 89 opgelegd, te weten € 29 (belasting) plus € 60 (kosten).

2.4.

Het door mr. drs. [C] als gemachtigde van belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 5 april 2016 meldt:

"(…)

Ik treed op namens [X] te [Z] , cliënt, en maak hierbij tijdig bezwaar tegen opgemelde naheffingsaanslag. Cliënt voert primair aan dat geen sprake is geweest van parkeren in de zin van artikel 1 van de Rw. Er is slechts sprake geweest van een zeer korte tijd stilstaan die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat cliënt geen parkeerbelasting verschuldigd was. Cliënt voert subsidiair aan dat de auto niet op een fiscale parkeerplek geplaatst stond. Gelet hierop is het opleggen van een naheffingsaanslag niet toegelaten. Tot slot voert cliënt aan dat de bebording ter plaatse van de [A] te [B] onvoldoende duidelijk is. Ik verzoek u de naheffingsaanslag te vernietigen en cliënt een vergoeding te doen toekomen op grond van artikel 7:15 Awb wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast verzoek ik u om te worden gehoord ter zake van dit bezwaarschrift. Tot slot verzoek ik u mij namens cliënt om, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, alle zaakstukken in dit dossier te doen toekomen zodat deze bestudeerd kunnen worden voordat de hoorzitting plaats heeft."

2.5.

De door de Heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende gerichte brief van 18 april 2016 betreffende "Uitnodiging hoorzitting" meldt:

"In het kader van de behandeling van uw bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting, namens [X] , nodig ik u hierbij uit voor de hoorzitting. De hoorzitting is op: Woensdag 4 mei 2016 om 11.00 uur in [D] , [E] . De hoorzitting duurt ongeveer 15 minuten.

Zaakstukken

Bijgaand ontvangt u het brondocument.

Nieuwe stukken

Tot tien dagen voor het horen kunt u op grond van artikel 7:4 Awb nadere stukken indienen.

Terinzagelegging

Het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken liggen vanaf 10 dagen voorafgaand aan de hoorzitting ter inzage ten kantore van de Regionale Belasting Groep, [F] te [B] . Indien u inzage wenst, verzoek ik u daarvoor eerst telefonisch contact op te nemen met de contactpersoon om een afspraak te maken.

Uitstel

Uitstel van de hoorzitting vindt slechts plaats op gemotiveerd, schriftelijk verzoek binnen één week na de datum van verzending van deze brief. Bij uw verzoek dient u eventuele verhinderdata aan te geven in de 30 dagen na bovengenoemd zittingsdatum. Daarna is alleen uitstel mogelijk in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Als veel verhinderdata worden opgegeven, is er een grote kans dat het niet lukt om met alle verhinderingen rekening te houden. In dat geval zal de eerder vastgestelde datum gehandhaafd blijven.

Afzien van horen

Indien u alsnog afziet van het recht om gehoord te worden, verzoek ik u dit schriftelijk te laten weten binnen één week na de datum van verzending van deze brief."

2.6.

Het door de gemachtigde van belanghebbende ingediende beroepschrift van 18 mei 2016 meldt:

"Namens [X] te [G] (…) stel ik beroep in bij uw rechtbank tegen de beslissing op bezwaar van 17 mei 2016 van de clustermanager klanten van de Regionale Belasting Groep te [D] (…). (…)

Beroepsgronden

In zijn bezwaarschrift heeft [belanghebbende] aangevoerd dat geen sprake is geweest van parkeren in de zin van artikel 1 van de Rw. Er is slechts sprake geweest van een zeer korte tijd stilstaan die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Eveneens heeft [belanghebbende] betoogd dat de auto niet op een fiscale parkeerplek geplaatst stond. Reeds hieruit volgt dat geen naheffingsaanslag had mogen worden opgelegd. De beslissing op bezwaar komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Eveneens is [belanghebbende] van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarschriftprocedure is geschonden. Niet in geschil kan zijn dat [belanghebbende] in zijn bezwaarschrift gevraagd heeft ter zake te worden gehoord. [De Heffingsambtenaar] stelt [belanghebbende] voor een hoorzitting op 4 mei 2016 uitgenodigd te hebben en hierop geen reactie van [belanghebbende] te hebben ontvangen. Uit de gedingstukken kan niet worden afgeleid dat [belanghebbende], voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, afstand heeft gedaan van het recht om te worden gehoord. [Belanghebbende] voert nadrukkelijk aan dat hij van het recht op horen geen afstand heeft gedaan. [Belanghebbende] heeft te kennen gegeven te willen worden gehoord, zodat [de Heffingsambtenaar] uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op zijn uitnodiging, niet direct had mogen afleiden dat [belanghebbende] afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden. [De Heffingsambtenaar] was gehouden om [belanghebbende] nogmaals voor een hoorgesprek uit te nodigen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751). Gelet hierop is de hoorplicht geschonden. Nu [belanghebbende] en [de Heffingsambtenaar] van mening verschillen over de van belang zijnde feiten en omstandigheden, had van het horen niet mogen worden afgezien. Aldus letterlijk: Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114.

Afronding

Redenen waarom [belanghebbende] uw rechtbank verzoekt het beroep gegrond te verklaren, de beslissing op bezwaar te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar [de Heffingsambtenaar] met de opdracht opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van uw uitspraak. Tevens verzoekt [belanghebbende] uw rechtbank om [de Heffingsambtenaar] te veroordelen in de kosten van deze procedure."

2.7.

De door de gemachtigde van belanghebbende ingediende aanvulling op het hoger beroep van 22 januari 2017 meldt:

"(…)

Gronden van hoger beroep

De rechtbank overweegt ten onrechte dat de hoorplicht niet is geschonden: Uit het gegeven dat geen reactie werd gegeven op de brief van [de Heffingsambtenaar] van 18 april 2016 mocht [de Heffingsambtenaar] niet zonder meer concluderen dat van het horen werd afgezien. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751. [Belanghebbende] heeft in eerste aanleg betoogd dat zijn auto niet op een gefiscaliseerde parkeerplaats stond en dat bovendien slechts sprake was van korte tijd stil staan om goederen te laden en te lossen. De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake was maar motiveert deze overweging - rechtsoverwegingen 3 en 4 - onvoldoende. De als verweer overgelegde zaakstukken zijn niet op ambtseed opgemaakt. Niet valt daarom in te zien waarom aan de verklaringen van [de Heffingsambtenaar] en zijn medewerkers een doorslaggevende of bijzondere bewijskracht toekomt. Verwezen wordt in dat kader naar Gerechtshof Amsterdam 26 april 2005, ECLI:NL:GHAMS:2G05:AT5336. Uit de overgelegde zaakstukken volgt in ieder geval niet dat de auto niet ook deels op de rijbaan geplaatst stond. In het rechtbankdossier bevindt zich overigens naar het oordeel van [belanghebbende] geen enkel bewijsmiddel waaruit de lezing van [de Heffingsambtenaar] volgt.

Afronding

[Belanghebbende] verzoekt uw gerechtshof het hoger beroep gegrond te verklaren, de bestreden uitspraak te vernietigen en te doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen. Tevens verzoekt [belanghebbende] uw gerechtshof om de heffingsambtenaar te veroordelen in de gemaakte proceskosten."

2.8.

Het door de gemachtigde van belanghebbende gezonden faxbericht van 8 februari 2017 meldt:

"(…) De rechtbank heeft ten onrechte acht geslagen op het verweerschrift. Het navolgende is daartoe van belang. Het verweerschrift is opgesteld door [H] , clustermanager productie, en voorzien van een gestempelde handtekening. Reeds wegens het ontbreken van een werkelijke handtekening kan niet worden vastgesteld of het verweerschrift door een daartoe bevoegde persoon is ondertekend en ingediend. Immers, de betreffende stempel kan door iedereen zijn geplaatst. Om deze reden had de rechtbank het verweerschrift buiten beschouwing behoren te laten. Vgl. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4135, r.o. 1.1. Daarbij komt nog dat het dagelijks bestuur van de RBG niet bevoegd is tot het aanwijzen van een ambtenaar belast met heffing, althans is van die bevoegdheid niet gebleken."

2.9.

Het door de gemachtigde van belanghebbende gezonden - in 1.8 aangehaalde - faxbericht van 20 februari 2017 meldt:

"(…) De zaak hoeft niet te worden aangehouden."

De rechtbank

3. De rechtbank overweegt:

"(…)

2. [ Belanghebbende] voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Deze beroepsgrond faalt.

2.1.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet rijksbelastingen wordt in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht de belanghebbende gehoord op zijn verzoek.

2.2.

Niet in geschil is dat [de Heffingsambtenaar] [belanghebbende] bij brief van 18 april 2016 heeft uitgenodigd voor de hoorzitting op 4 mei 2016 om 11.00 uur, dat [belanghebbende] deze brief heeft ontvangen, dat [belanghebbende] toen niet is verschenen, dat hij noch vóór de hoorzitting noch erna contact met [de Heffingsambtenaar] heeft opgenomen over (zijn niet verschijnen op) de hoorzitting en dat hij op geen enkel moment een reden heeft gegeven voor zijn niet verschijnen. [De Heffingsambtenaar] heeft [belanghebbende] aldus deugdelijk in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. In het licht van de geschetste omstandigheden kan niet worden gezegd dat [de Heffingsambtenaar] er niet vanuit mocht gaan dat [belanghebbende] niet wilde worden gehoord en dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [belanghebbende] ook op haar uitnodiging om ter zitting te verschijnen zonder bericht niet is verschenen.

3. [Belanghebbende] stelt dat de auto niet op een fiscale parkeerplaats stond. Deze beroepsgrond faalt.

3.1. [

Belanghebbende] onderbouwt deze ook al in bezwaar ingenomen (kale) stelling op geen enkele manier. Onder verwijzing naar de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting [B] 2016 en het Aanwijzingsbesluit betaald parkeren [B] 2016 (bijlage 4 bij het verweerschrift) onderbouwt [de Heffingsambtenaar] zowel in het verweerschrift als ter zitting dat de [A] een locatie is waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Door niet ter zitting te verschijnen heeft [belanghebbende] dit niet bestreden.

4. [Belanghebbende] voert aan dat er geen sprake was van parkeren maar van een zeer korte tijd stilstaan die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Deze beroepsgrond faalt.

4.1.

Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een (motor)voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Het ligt voor de hand dat een bestuurder in het voertuig blijft dan wel in de directe nabijheid is van zijn voertuig, tijdens de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken.

4.2. [

De Heffingsambtenaar] maakt aannemelijk dat er op het in geding zijnde tijdstip geen sprake was van onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken. [De Heffingsambtenaar] stelt dat uit het overzicht van de controles blijkt dat om 19.15 uur te plaatse is gecontroleerd, dat een kwartier later de naheffingsaanslag is opgelegd en dat de controleur in de tussentijd geen activiteiten bij de auto van [belanghebbende] heeft waargenomen. Door niet ter zitting te verschijnen heeft [belanghebbende] dit niet bestreden.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil en standpunten

4.1.

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Gelet op de beschikbare gegevens heeft de rechtbank naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden geoordeeld dat het gelijk op alle onderdelen van het geschil aan de zijde van de Heffingsambtenaar is. Belanghebbende heeft, tegen de achtergrond van de uitvoerige formele en inhoudelijke uiteenzettingen in de verweerschriften, geen feiten of omstandigheden en evenmin valabele argumenten aangevoerd, ook niet in hoger beroep, die een andere conclusie rechtvaardigen.

5.2.

Bij zijn oordeel neemt het Hof in aanmerking, ook met betrekking tot de beweerdelijk geschonden hoorplicht, dat de gemachtigde van belanghebbende gedurende de gehele procedure niet of nauwelijks aandacht heeft besteed aan de feitelijke parkeeromstandigheden, dat hij daar kennelijk ook niet in is geïnteresseerd en dat, in het verlengde, het hem ook niet is te doen (geweest) door de heffende instantie te worden gehoord dan wel ter gelegenheid van een gerechtelijke zitting een inhoudelijke toelichting te geven. Wat dat aangaat stelt het Hof met betrekking tot de aan belanghebbende toe te rekenen proceshouding van diens gemachtigde, een en ander aan de hand van de in 2.4 tot en met 2.9 aangehaalde geschriften, de overwegingen van de rechtbank overnemend, vast:

- de gemachtigde van belanghebbende heeft de - in 2.5 aangehaalde - brief van de Heffingsambtenaar van 18 april 2016, waarbij hij is uitgenodigd voor een hoorgesprek, ontvangen;

- de gemachtigde van belanghebbende heeft in de bezwaarfase noch op enig ander moment in de procedure aangegeven waarom hij niet is ingegaan op de uitnodiging en waarom hij niet op de uitnodigingsbrief heeft gereageerd, terwijl hij evenmin heeft aangegeven wat hij in een hoorgesprek heeft willen toelichten;

- de gemachtigde van belanghebbende is, ondanks het verzoek in het bezwaarschrift (zie 2.4), niet ingegaan op het door de Heffingsambtenaar in de brief van 18 april 2016 gedane voorstel "alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken" in te zien en heeft daarvoor ook geen verklaring gegeven;

- de gemachtigde van belanghebbende heeft zich in alle fasen van de procedure beperkt tot het aanvoeren van in vrij algemene termen verwoorde, dat wil zeggen niet op de specifieke zaak betrekking hebbende, stellingen - tekenend zijn bijvoorbeeld de stelling in het beroepschrift (zie 2.6): "Er is slechts sprake geweest van een zeer korte tijd stilstaan die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.", en de stelling in (de aanvulling op) het hogerberoepschrift (zie 2.7): "Uit de overgelegde zaakstukken volgt in ieder geval niet dat de auto niet ook deels op de rijbaan geplaatst stond.";

- de heffingsambtenaar heeft ter zitting, in dat licht aannemelijk, verklaard dat de ervaring is dat de gemachtigde van belanghebbende ook in zaken die hij voor andere belastingplichtigen behartigt nimmer gevolg geeft aan een uitnodiging voor een hoorzitting of een gerechtelijke zitting.

5.3.

De stelling van de gemachtigde van belanghebbende waarmee hij de geldigheid van de ondertekening van de verweerschriften - het Hof neemt aan dat de gemachtigde beide verweerschriften op het oog heeft - in twijfel trekt omdat het stempelafdrukken zijn, faalt naar 's Hofs oordeel, reeds omdat zulks niet a priori afbreuk doet aan de authenticiteit van de ondertekening of aan de bevoegdheid van de ondertekenaar en ook omdat bij het Hof geen twijfel bestaat, gelet ook op wat de Heffingsambtenaar ter zitting, onder overlegging van een bescheid, als volstrekt aannemelijk heeft verklaard, dat beide verweerschriften door of namens de bevoegde ambtenaar zijn opgesteld en ingediend.

5.4.

De stelling van de gemachtigde van belanghebbende over de bevoegdheid van het dagelijks bestuur van het Openbaar Lichaam van de Gemeenschappelijke regeling van de Regionale Belasting Groep een in het kader van de parkeerbelastingen bevoegde heffingsambtenaar aan te wijzen, faalt naar 's Hofs oordeel evenzeer, omdat die bevoegdheid rechtstreeks voortvloeit uit artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet.

5.5.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof heeft geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 3 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.