Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:749

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
200.201.568/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Medewerking aan het onder begeleiding op gang brengen en uitvoeren van omgang op straffe van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.201.568/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/512500/KG ZA 16-700

arrest van 7 maart 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.A. Ossentjuk te Leiden,

tegen

[de man] ,

wonende te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 4 augustus 2016 is de vrouw in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen op 15 juli 2016 in kort geding gewezen vonnis. Bij memorie van grieven met producties heeft de vrouw drie grieven aangevoerd. Tegen de man is verstek verleend.

Vervolgens heeft de vrouw de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De door de rechtbank in het vonnis van 15 juli 2016 onder 2. vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

1. In een tussen partijen lopende bodemprocedure heeft de rechtbank Den Haag bij tussenbeschikking van 5 januari 2016 bepaald dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan het onder begeleiding op gang brengen en uitvoeren van omgang tussen de vader en [naam] , het [in] 2006 geboren kind van partijen. Partijen zijn voor die omgang verwezen naar het omgangshuis Cardea Jeugdzorg in [in] (hierna: Cardea). De rechtbank heeft hieraan een door de moeder te betalen dwangsom verbonden voor het geval zij niet naar het startgesprek of vervolggesprekken in het kader van (het starten van) de begeleide omgang zou komen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard door de rechtbank. De zaak is vervolgens aangehouden in afwachting van het verloop van het traject bij Cardea. Van deze tussenbeschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld en bij incidentele vordering heeft zij in hoger beroep een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank gedaan. Bij beschikking van 11 mei 2016 heeft het hof Den Haag de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank geschorst, dit uitsluitend met betrekking tot de opgelegde veroordeling tot betaling van een dwangsom omdat het hof - kort gezegd - van oordeel was dat de rechtbank met het ambtshalve opleggen daarvan buiten de rechtsstrijd van partijen was getreden.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter in conventie opnieuw een dwangsom aan de moeder opgelegd voor zolang zij in gebreke blijft te voldoen aan het bepaalde in de beschikking van 5 januari 2016 met betrekking tot het op gang brengen en uitvoeren van de begeleide omgang tussen de man en de minderjarige. De dwangsom is bepaald op € 500,- per keer dat de moeder in gebreke blijft op uitnodiging van Cardea naar het startgesprek te komen en € 250,- per keer dat de moeder niet meewerkt aan de vervolguitnodigingen van Cardea voor het op gang brengen en uitvoeren van begeleide contacten tussen de man en de minderjarige, tot een maximum van € 10.000,-. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van de vrouw tot schorsing van de beschikking van 5 januari 2016, voor zover daarin is bepaald dat de vrouw aan het traject bij Cardea moet meewerken totdat door het hof in hoger beroep daarover is beslist, afgewezen.

3. De vrouw vordert dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover in conventie is bepaald dat de vrouw een dwangsom verbeurt en in reconventie het gevorderde is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, het door de man gevorderde alsnog zal afwijzen, de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 januari 2016 zal schorsen tot dat dit hof definitief zal hebben beslist over een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige en de man zal veroordelen in de (proces)kosten van beide instanties.

4. Met haar eerste grief betoogt de vrouw dat de voorzieningenrechter ten onrechte het door de vrouw ingestelde appel tegen de beschikking van 5 januari 2016 niet heeft willen afwachten. In haar toelichting op deze grief stelt de vrouw dat gelet op haar bezwaren tegen contacten tussen de minderjarige en de man en het ontbreken van draagvlak bij de vrouw alsmede haar verzoek aan het hof om in de bodemprocedure een deskundigenbericht te gelasten, de voorzieningenrechter zich had moeten onthouden van het forceren van contacten tussen de minderjarige en de man. Bovendien was te voorzien dat het hof op een redelijk korte termijn de bodemprocedure in behandeling zou nemen zodat ook om die reden - zo begrijpt het hof de toelichting op deze grief - de voorzieningenrechter de vordering tot het opleggen van een dwangsom had moeten afwijzen omdat het hof in de bodemprocedure op korte termijn zou beslissen.

5. Voor zover de vrouw met deze grief geacht moet worden een beroep te hebben gedaan op het ontbreken van een spoedeisend belang aan de zijde van de man verwerpt het hof deze grief. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat nu de vordering in kort geding van de man strekte tot nakoming van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke beslissing dat daarmee het spoedeisend belang is gegeven.

6. Voor het overige valt (ook) niet in te zien waarom de voorzieningenrechter de beslissing van het hof in de bodemprocedure had moeten afwachten. Ten tijde van de behandeling van het kort geding in eerste aanleg bestond er voor partijen (en de voorzieningenrechter) immers geen enkel zicht op de termijn waarbinnen het hof in de bodemprocedure in hoger beroep zou oordelen. De eerste grief wordt gepasseerd.

7. In haar tweede grief voert de vrouw aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de beschikking van 5 januari 2016 niet heeft geschorst totdat in hoger beroep over een eventuele omgangsregeling tussen de man en de minderjarige is beslist.

8. In r.o. 4.3 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter het toetsingskader met betrekking tot de vordering tot schorsing van de werking van de beschikking van 5 januari 2016 weergegeven. Er moet ofwel sprake zijn van een juridische of feitelijke misslag, ofwel van feiten die na de beschikking zijn voorgevallen die maken dat de gegeven beslissing niet meer in het belang van de minderjarige kan worden geacht. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de inhoudelijke bezwaren die de vrouw aanvoert tegen de beschikking van 5 januari 2016 al behandeld zijn in de daaraan voorafgaande procedure zodat zij daar niet in kort geding op terug kan komen. Voor het overige heeft de vrouw ook geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de verwijzing naar Cardea niet (meer) in het belang van de minderjarige zou zijn. Deze overwegingen van de voorzieningenrechter acht het hof juist en maakt deze tot de zijne. In de toelichting op de grief stelt de vrouw nog dat de beschikking van 5 januari 2016 niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht en verwijst zij vervolgens naar het als productie in het geding gebrachte appelrekest in de bodemprocedure en verzoekt zij dit als herhaald en ingelast te beschouwen. Het op een dergelijke wijze verwijzen naar producties heeft niet het door de vrouw gewenste gevolg. Volgens vaste rechtspraak dient als uitgangspunt dat het overleggen van processtukken uit een andere procedure in het algemeen niet voldoende is om hetgeen in die stukken aan stellingen en feiten is te vinden, kan worden beschouwd als aangevoerd in het geding waarin het overleggen heeft plaatsgevonden. De partij die zulke stellingen en feiten wil inroepen, dient dit op een zodanige wijze te doen dat dit voor de rechter duidelijk is. Daar komt nog bij dat de stellingen van de vrouw in de bodemprocedure in volle omvang aan bod komen en dat in deze kort-geding procedure een ander - beperkter - toetsingskader geldt. De tweede grief faalt ook.

9. Met de derde grief stelt de vrouw aan de orde dat de voorzieningenrechter naar haar oordeel ten onrechte is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de vrouw totaal geen vertrouwen in Cardea heeft. In de toelichting op deze grief voert de vrouw aan dat zij geen draagkracht heeft ten aanzien van de contacten met Cardea en dat als Cardea daar rekening mee zou houden dat deze instelling zou inzien dat voor haar geen rol is weggelegd.

10. De voorzieningenrechter heeft overwogen in het bestreden vonnis dat het niet aan de vrouw is om voorwaarden te stellen aan Cardea, gelet op het feit dat de rechtbank gemotiveerd heeft beslist dat het traject bij Cardea gevolgd moet worden en geen contra-indicaties daartoe heeft gezien in de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming die mede ten grondslag heeft gelegen aan de beschikking van 5 januari 2016. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat de vrouw bezwaren tegen Cardea had ontwikkeld omdat Cardea had geweigerd één op één met de moeder te spreken voorafgaand aan een gezamenlijk intakegesprek. Bij zijn oordeel dat het gebrek aan vertrouwen van de moeder in Cardea geen rol mag spelen heeft de voorzieningenrechter het eindverslag van Cardea betrokken waaruit blijkt dat Cardea onverminderd bereid is het traject uit te voeren, rekening houdend met de draagkracht van de moeder.

11. Het hof overweegt hierover als volgt. De vrouw dient op basis van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank in de bodemzaak haar medewerking te verlenen aan het onder begeleiding op gang brengen en uitvoeren van omgang tussen de man en de minderjarige. Daarmee is niet verenigbaar – zoals de voorzieningenrechter terecht overweegt – dat de vrouw voorwaarden stelt aan de wijze waarop een dergelijk traject vormgegeven wordt door de daartoe door de rechtbank aangewezen instelling. Het in de toelichting op de grief opgeworpen argument, dat de vrouw geen draagkracht heeft voor het aangaan van de opgelegde contacten met Cardea en dat Cardea daarmee rekening houdende moet concluderen dat voor haar geen rol is weggelegd, komt er op neer dat de vrouw het door de rechtbank opgelegde traject probeert te blokkeren. Met het door de vrouw gestelde gebrek aan draagkracht heeft de rechtbank in de bodemprocedure al rekening gehouden. Het oordeel van de voorzieningenrechter is naar het oordeel van het hof juist en voldoende begrijpelijk gemotiveerd gelet op de daaraan in kort geding te stellen eisen. Ook de derde grief faalt daarom.

12. Hoewel niet geformuleerd als een zelfstandige grief merkt de vrouw aan het slot van haar memorie van grieven op dat de veroordeling in de bodemprocedure ook onuitvoerbaar is geworden omdat Cardea de opdracht teruggegeven zou hebben. Hieraan verbindt de vrouw de consequentie dat de beslissing van de voorzieningenrechter ook daarom dient te worden vernietigd. Daarom zal het hof ingaan op hetgeen in dit kader door de vrouw wordt aangevoerd. Nog los van de omstandigheid dat het niet de voorzieningenrechter is geweest die het traject bij Cardea heeft bepaald maar de rechtbank in de bodemzaak, leest het hof de in dit kader door de vrouw overgelegde brief van Cardea van 7 november 2016 anders dan de vrouw dat doet. Cardea heeft aan partijen laten weten dat zij in het kort geding vonnis geen aanleiding zag om de uitkomst van de appelprocedures af te wachten, maar geen afspraak te zullen plannen omdat de vrouw had aangegeven daaraan niet te zullen meewerken totdat in hoger beroep zou zijn beslist. Cardea verzoekt vervolgens aan “rechtbank en hof” om de uitspraak te ontvangen voor het geval het traject omgangsbegeleiding alsnog moet worden opgestart. Anders dan de vrouw betoogt leidt de brief van Cardea niet tot de conclusie dat de beschikking van 5 januari 2016 niet uitvoerbaar zou zijn en dat daarom het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd zou moeten worden. De opstelling van Cardea komt het hof zeer begrijpelijk voor omdat zij niet over (dwang)middelen beschikt om de vrouw te laten deelnemen aan de omgangsbegeleiding.

13. Nu alle grieven falen zal het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter worden bekrachtigd en zal de gevorderde proceskostenveroordeling worden afgewezen.

Beslissing

Het hof

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst de vordering tot veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.M. van Baardewijk en D. Wachter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.