Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:722

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
200.190.001/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Uitleg uiterste wilsbeschikking ex artikel 4:46 lid 1 BW. Onduidelijkheid ontstaan door tweede huwelijk erflaatster. Bij aangaan van dat tweede huwelijk afgelegde verklaringen blijven buiten beschouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0091
ERF-Updates.nl 2017-0068
FJR 2017/58.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.190.001/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/475943 / HA ZA 15-510

arrest van 7 februari 2017

inzake

[de echtgenoot van erflaatster] ,

wonende te [woonplaats]

appellant,

advocaat, mr. M.H.C. Morshuis te Den Haag,

tegen

[de dochter van erflaatster] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

[de zoon van erflaatster] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat, mr. G.N. Sanders te Utrecht,

Het geding

Bij exploot van 31 maart 2016 is appellant in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2016 tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Appellant heeft bij memorie van grieven 14 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven weersproken.

Op 6 januari 2017 hebben beide partijen nog een tweetal akten overlegging producties genomen.

Op 6 januari 2017 is de zaak door beide advocaten bepleit in aanwezigheid van partijen. Het hof had gelast dat partijen in persoon zouden verschijnen. Alle partijen waren aanwezig.

Beide partijen hebben arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. In appel heeft appellant gevorderd: alsdan op nader aan te voeren gronden te horen eisen en concluderen dat het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Het vonnis d.d. 6 januari 2016 van de rechtbank Rotterdam, tussen partijen gewezen, te vernietigen;

Opnieuw rechtdoende, de hiernavolgende vorderingen van mijn requirant alsnog toe te wijzen:

1. Te verklaren voor recht dat appellant erfgenaam is in de nalatenschap van mevr. [erflaatster] , overleden [in] 2014 te [plaatsnaam] ;

2. Geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan appellant te voldoen het aan appellant toekomende erfdeel van € 54.179,54, alsmede € 2.330,50 (teruggave Inkomstenbelasting 2012 en 2013 en zorgtoeslag 2013), alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door uw hof in goede justitie te bepalen datum;

3. De wijze van verdeling van de nalatenschap van mevr. [erflaatster] , overleden [in] 2014 te [plaatsnaam] , vast te stellen, alsmede het aan appellant toekomende erfdeel;

4. Geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan appellant te voldoen het door uw gerechtshof vast te stellen aan appellant toekomende erfdeel, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen datum;

Geïntimeerden te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan appellant af te geven de bescheiden, zoals opgenomen in randnummer 99 van deze memorie van grieven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat geïntimeerden in gebreke zullen blijven hieraan te voldoen;

Geïntimeerden niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans deze af te wijzen;

Geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties, daaronder begrepen een vergoeding van de redelijke en evenredige werkelijke (advocaat)kosten en de nakosten, althans begroot op € 20.000,- althans een door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag, althans in de proceskosten en nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na het in deze te wijzen arrest.

Kern van het geschil en enige achtergrondinformatie

3. De kern van het geschil tussen partijen is of appellant erfgenaam is in de nalatenschap van [erflaatster] die [in] 2014 te [plaatsnaam] is overleden (hierna te noemen: erflaatster).

4. Appellant is de tweede echtgenoot van erflaatster. Erflaatster is op 28 augustus 2012 na het maken van huwelijkse voorwaarden met appellant getrouwd. Uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat sprake is van koude uitsluiting, derhalve een volledige scheiding van de vermogens waaraan geen enkel verrekenbeding is toegevoegd.

5. Geïntimeerden zijn de twee kinderen van erflaatster die geboren zijn uit het eerste huwelijk van erflaatster met [de eerste echtgenoot] . [de eerste echtgenoot] is overleden [in] 2005 (hierna te noemen: erflater).

6. Erflaatster en erflater hebben op 11 november 1980 bij uiterste wil over hun nalatenschap beschikt. De testamenten zijn over en weer gelijkluidend. De uiterste wil van beide echtgenoten bevat een ouderlijke boedelverdeling ex artikel 4:1167 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) (oud) waarbij de bescherming van de langstlevende echtgenoot naar de toen geldende maatstaven zo goed mogelijk werd geregeld. De afstammelingen, zijnde geïntimeerden, zijn in de legitieme gesteld. Zij hebben een vordering in geld gekregen op de langstlevende ouder, te weten erflaatster. Over deze vordering is de langstlevende echtgenoot aan de afstammelingen een rente verschuldigd en wel gelijk aan de rente van een normale hypothecaire geldlening aan te gaan bij de Rijkspostspaarbank ten tijde van het overlijden.

7. Uit de aangifte voor het recht van successie, gedaan naar aanleiding van het overlijden van erflater, zijn erflaatster en geïntimeerden niet uitgegaan van het testament van erflater. Het erfdeel van geïntimeerden in de nalatenschap van erflater is vastgesteld op een bedrag van € 34.790,- per persoon. In de visie van geïntimeerden is de vordering ter zake van hun erfdeel in de nalatenschap van erflater niet aan hen voldaan.

8. Erflaatster heeft in haar uiterste wil eveneens bepaald: “Voor het geval ik na of tegelijk in de zin der wet met mijn genoemde echtgenoot kom te overlijden, beschik ik als volgt: Ik bekrachtig bij deze de vererving van mijn nalatenschap volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf.”

Rechtbank

9. De rechtbank heeft in r.o 4.3 overwogen: “Het feit dat het gezin van erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament bestond uit de vader en [de zoon en de dochter] , betekent op zichzelf niet dat de uiterste wil kennelijk ook slechts die verhoudingen wenst te regelen. De gezinssamenstelling ten tijde van het opmaken van het testament is echter wel een belangrijke omstandigheid bij de uitleg van het testament. Door in het testament één regeling te treffen, namelijk de vererving van de nalatenschap volgens de bepalingen van de wet voor vererving bij versterf, voor zowel de situatie dat erflaatster na de vader zou overlijden als de situatie dat zij tegelijk met hem zou overlijden, terwijl op dat moment de gezinssamenstelling was zoals hiervoor vermeld, heeft erflaatster kennelijk beoogd voor beide situaties [de zoon en de dochter] als haar erfgenamen aan te wijzen. Het testament van erflaatster moet daarom aldus worden uitgelegd dat [de zoon en de dochter] haar enige erfgenamen zijn. De vorderingen van partijen genoemd in 3.1 onder a, b en d en in 3.3 onder a en b, zijn gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat [de echtgenoot van erflaatster] mede-erfgenaam is en zullen daarom worden afgewezen.”

Uitleg testamenten juridisch kader.

10. Het in 1980 verleden testament van erflaatster dient te worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf van art 4:46 BW nu erflaatster na de inwerkingtreding van het huidige erfrecht is overleden.

11. Artikel 4:46 BW luidt als volgt:

Lid 1 Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Lid 2 Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

Lid 3 Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld.

12. Een uiterste wilsbeschikking is geen consensuele rechtshandeling. Voorts is de bemoeienis van de notaris verplicht (art. 4:94 BW); dat verklaart dat de speelruimte bij uitleg beperkter is. Onder het oude recht werd de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen beheerst door drie hoofdregels neergelegd in art. 4:932-933 BW (oud). Aan uitleg werd slechts toegekomen indien de bewoordingen onduidelijk waren. Dit vereiste vindt men nu terug in art. 4:46 lid 1 BW.

13. Bij de uitlegging van een uiterste wil op de voet van art. 4:46 BW is niet de maatstaf de zuiver grammaticale methode, waarbij uitsluitend wordt nagegaan welke betekenis de in de uiterste wil opgenomen bewoordingen op zichzelf genomen hebben, doch dient rekening te worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en de omstandigheden waaronder deze is verleden. De te regelen verhoudingen en de omstandigheden waaronder als bedoeld in lid 1, hoeven niet uit het testament te blijken.

14. In het kader van de uitleg van een uiterste wil is van belang dat er twee fasen worden onderscheiden. In de eerste fase dient te worden vastgesteld of de uiterste wil van erflaatster onduidelijk is. Nadat is vastgesteld dat de uiterste wil onduidelijk is, dient in de tweede fase vastgesteld te worden wat erflaatster heeft bedoeld.

15. Het feit dat erflaatster op hoge leeftijd met appellant trouwt, na het maken van huwelijkse voorwaarden waarbij elke vermogensvermenging is uitgesloten, kan een omstandigheid zijn waardoor de uiterste wil van erflaatster onduidelijk wordt. De uiterste wil van erflaatster is in 1980 immers onder geheel andere omstandigheden tot stand gekomen. Zij was toen met erflater getrouwd en tot het gezin van erflaatster behoorden eveneens geïntimeerden.

16. Relevant is wat erflaatster in 1980 beoogd heeft te willen regelen na haar overlijden. Op de omstandigheid waaronder erflaatster haar uiterste wil heeft gemaakt, moet worden gelet omdat haar daarbij verklaarde wil een reactie op die omstandigheid is. Toen heeft zij willen regelen de positie van haar eerste echtgenoot en haar kinderen. Die wil kan echter niet beïnvloed worden door een posterieure gebeurtenis, behalve als erflaatster het voorvallen van deze, toen nog toekomstige, gebeurtenis kon verwachten, in welk geval deze verwachting als een omstandigheid, waaronder de uiterste wil is gemaakt, in aanmerking komt. Haar tweede huwelijk op hoge leeftijd is een toekomstige gebeurtenis en de vraag is of zij daarmee bij het opmaken van haar uiterste wil in 1980 rekening mee heeft willen houden.

17. Gezien het tweede huwelijk op hoge leeftijd is de tekst van de uiterste wil onduidelijk geworden en dat geldt met name voor de passage: ”Voor het geval ik na of tegelijk in de zin der wet met mijn genoemde echtgenoot kom te overlijden, beschik ik als volgt: Ik bekrachtig bij deze de vererving van mijn nalatenschap volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf.” De uiterste wil van erflaatster dient derhalve te worden uitgelegd.

Grieven van appellant

18. Uit de grieven volgt dat appellant het niet eens is met de beslissing van de rechtbank dat hij op basis van de uiterste wil van erflaatster geen erfgenaam van haar is.

19. Gezien de onderlinge samenhang bespreekt het hof de grieven van appellant zoveel mogelijk gezamenlijk.

20. De kerngrieven van appellant zijn de grieven 2 en 3. Onder de punten 8 tot en met 10 van zijn memorie van grieven geeft appellant de kern van het geschil weer.

21. Onder de punten 8 tot en met 10 stelt appellant:

”8. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de heer [de echtgenoot van erflaatster] al dan niet erfgenaam is in de nalatenschap van erflaatster (zijn echtgenote).

9. [de zoon en de dochter] stelt dat dit niet het geval is, omdat - zo stellen [de zoon en de dochter] - het in casu gaat om een "oud" testament uit 1980 en het de bedoeling van erflaatster was, zo stellen [de zoon en de dochter] althans, dat alleen de kinderen van erflaatster ( [de zoon en de dochter] ) zouden erven.

10. De heer [de echtgenoot van erflaatster] is – kort samengevat – van oordeel dat, nu in het testament van erflaatster bepaald is dat de erfgenamen van erflaatster zijn de erfgenamen bij versterf en ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden in 2012, ook de erfrechtelijke gevolgen voor zowel erflaatster als voor de heer [de echtgenoot van erflaatster] en tevens het testament van erflaatster zijn besproken bij de notaris en erflaatster naar aanleiding van de verkregen informatie geen reden zag haar testament aan te passen, hij wel degelijk (samen met [de zoon en de dochter] ) erfgenaam is.”

22. Door appellant zijn onder meer de navolgende feiten en stellingen naar voren gebracht:

  • -

    Erflaatster en appellant kennen elkaar al tientallen jaren en hebben in 2009/2010 een relatie gekregen;

  • -

    Appellant en erflaatster zijn op 28 augustus 2012 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden;

  • -

    In 2012 hebben meerdere besprekingen plaatsgevonden bij notariskantoor [naam] Notarissen, waarin zowel de huwelijkse voorwaarden als de testamenten van appellant en erflaatster aan bod zijn gekomen;

  • -

    Deze besprekingen resulteerden erin dat appellant geen testament wilde opstellen en erflaatster haar testament uit 1980 niet wilde herroepen/wijzigen. Dit impliceert dat op de nalatenschap van appellant de wettelijke verdeling van toepassing zou zijn geweest als hij als eerste zou zijn overleden en op de nalatenschap van erflaatster het versterferfrecht, hetgeen er in resulteert dat de erfgenamen van erflaatster zijn: appellant en geïntimeerden;

  • -

    Notaris mr. [naam] was blijkens de verklaring van erfrecht van oordeel dat appellant erfgenaam was;

  • -

    Erflaatster was bij het opmaken van het testament 41 jaar oud en de kans was aanwezig dat zij eventueel zou hertrouwen na het overlijden van haar toenmalige echtgenoot. Dat is ook gebeurd. Als zij niet had gewild dat een eventuele toekomstige echtgenoot van haar zou erven, had zij haar kinderen in onderdeel II van haar testament tot haar enige erfgenamen moeten en kunnen benoemen en niet het wettelijke versterferfrecht van toepassing moeten verklaren;

  • -

    Mr. [naam] , als kandidaat-notaris verbonden aan genoemd notariskantoor, is van mening dat appellant erfgenaam is. Het hof verwijst naar nummer 40, 41 en 42 van de memorie van grieven van appellant;

  • -

    Dat de erfrechtelijke gevolgen met erflaatster en appellant zijn besproken blijkt tevens uit het e-mailbericht van 22 maart 2016;

  • -

    Aan de uitleg wordt immers pas toegekomen, wanneer de bewoordingen van het testament onduidelijk zijn. Het testament is duidelijk: appellant is erfgenaam;

  • -

    Indien het testament al uitgelegd dient de worden, dan blijkt dat uit de verklaringen van het notariaat (productie 2/5) overduidelijk dat het de bedoeling en de wens van erflaatster was dat appellant van haar zou erven. Productie 2 is een brief van mr. [naam] van 28 mei 2014 aan mr. [naam] en productie 3 is een brief van mr. [naam] van 16 januari 2015 aan mr. [naam] , productie 4 is een e-mail van mr. [naam] aan mr. [naam] en productie 5 is eveneens een e-mail van mr. [naam] .

23. Bij akte van 6 januari 2017 heeft appellant een brief van mr. [naam] en mr. [naam] , respectievelijk als kandidaat-notaris en notarieel jurist verbonden aan notariskantoor [naam] Notarissen in het geding gebracht. In deze brief van 20 december 2016 geven de medewerkers van het notariskantoor aan wat zij met erflaatster en appellant hebben besproken bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden tussen erflaatster en appellant. Deze medewerkers verklaren onder meer: “Hierbij was het de bedoeling van cliënten dat de vererving krachtens de wet van toepassing zou zijn, waarbij de langstlevende echtgenoot mede erfgenaam zou worden (een en ander zoals ook reeds tot uiting kwam in de subsidiaire regeling in het genoemde testament van mevrouw [erflaatster] ). ... Cliënten hebben besloten af te zien van het opmaken van testamenten en enkel huwelijkse voorwaarden op te stellen.”

Verweer geïntimeerden

24. Door geïntimeerden is gemotiveerd verweer gevoerd. In punt 6 van de memorie van antwoord stellen geïntimeerden: ”In de inleidende opmerkingen in deze procedure willen geïntimeerden benadrukken dat het partijdebat primair gaat over de vraag of appellant erfgenaam is van zijn overleden echtgenote. Subsidiair gaat het partijdebat over de mondelinge afspraken die door partijen gezamenlijk zijn gemaakt en waarvan appellant (louter bij monde van anderen zoals zijn advocaat, kinderen en partners van kinderen) ontkent dat deze afspraken zijn gemaakt, terwijl geïntimeerden nakoming van de gemaakte afspraken hebben gevorderd." (toevoeging hof: dit betreft de afspraak tussen appellant en geïntimeerden, dat appellant zijn aandeel in de nalatenschap aan geïntimeerden zou (terug) schenken).

25. Met betrekking tot deze mogelijke schenking is een concept-akte van schenking (niet gepasseerd) in het geding gebracht. Deze concept-akte is opgesteld door het hiervoor vermelde notaris kantoor. Op blz. 2 van de akte is door notaris mr. [naam] de navolgende passage opgenomen: ”De verschenen personen zijn het er echter over eens dat bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden in tweeduizend twaalf tussen erflaatster en de verschenen persoon sub 1 (lees: appellant), het genoemde testament van erflaatster abusievelijk niet is gewijzigd, in die zin dat het haar bedoeling zou zijn geweest dat haar genoemde kinderen haar enige erfgenamen zouden zijn.”

26. In het kader van het verweer is door geïntimeerden onder meer het navolgende naar voren gebracht:

  • -

    Geïntimeerden hebben tot het laatst een goede band gehad en onderhouden met erflaatster;

  • -

    Geïntimeerde sub 1 deed voor erflaatster de administratie, ook nadat zij in het huwelijk was getreden met appellant;

  • -

    Ook na het overlijden van erflaatster verstrekte appellant aan geïntimeerde sub 1 enveloppen met betrekking tot de administratie;

  • -

    Het was de wens van erflaatster om de financiën volledig gescheiden te houden;

  • -

    Erflaatster was namelijk van mening dat het vermogen dat zij bezat in het huwelijk met haar eerste echtgenoot aan de kinderen toekwam;

  • -

    In de brief van 16 januari 2015 van mr. [naam] staat: ”In de aantekeningen van de kandidaat-notaris is niet expliciet te lezen wat de gevolgen zullen zijn van de bepalingen in het testament bij overlijden van mevrouw [erflaatster] …”;

  • -

    Van belang voor geïntimeerden is dat zij kort na het overlijden van hun moeder een gesprek voerden waar appellant bij aanwezig was bij de notaris. De bespreking werd gehouden om een verklaring van erfrecht te verkrijgen en zo een blokkade van bankrekeningen te voorkomen casu quo op te heffen. Appellant geeft in dat gesprek zelf aan dat hij van mening is dat hij niet deelt in de nalatenschap met de woorden “dat was niet de bedoeling, dat is van jullie, dat behoort bij jullie” en woorden van gelijke strekking;

  • -

    De notaris heeft in die bespreking vervolgens uitgelegd dit anders te zien en in de verklaring van erfrecht appellant als erfgenaam te zullen opnemen. Voor die situatie is toen vervolgens in onderling overleg met appellant een oplossing besproken, te weten dat appellant hetgeen hij zou erven terug zou schenken aan geïntimeerden omdat klip en klaar was dat de gevolgen die nu door de notaris worden beschreven niet de kenbare wil van erflaatster kon verwoorden. Dat was voor een ieder aan tafel (met uitzondering van de notaris) duidelijk. Uiteraard is de besproken oplossing afkomstig van het notariskantoor en niet van geïntimeerden die daarvoor niet de benodigde kennis hadden. Dit moment was weliswaar kort na het overlijden van erflaatster, te weten op 22 januari 2014. Maar ook later, op 7 april 2014, dit was op een maandagmiddag, zijn geïntimeerden naar appellant toegegaan om een en ander met elkaar aan tafel te bespreken. Appellant geeft dan opnieuw aan af te willen handelen zoals eerder afgesproken door het passeren van de akte van schenking en belooft dit aan de notaris te berichten;

  • -

    Het testament van erflaatster dat is opgemaakt in 1980 moet worden gelezen met in acht name van de omstandigheden waaronder die uiterste wil is gemaakt en gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wil regelen (HR 11 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013:911);

  • -

    Het systeem van het wettelijk versterferfrecht hield dus in dat de nalatenschap bij de gezinssamenstelling van destijds aan de kinderen zou worden toegedeeld;

  • -

    Overigens zijn geïntimeerden van mening dat erflaatster, een eenvoudige vrouw, woorden als versterferfrecht in het geheel niet kon duiden, laat staan dat zij begreep wat dat inhield en betekende.

De informatievoorziening door het notariskantoor

27. Het hof overweegt als volgt. De informatie die afkomstig is van het hiervoor vermelde notariskantoor is voor een buitenstaander niet consistent. De medewerkers van voormeld notariskantoor verklaren in hun brief van 20 december 2016 dat het de bedoeling van erflaatster zou zijn geweest dat ook appellant in haar nalatenschap als erfgenaam opkomt. Uit de brief van mr. [naam] blijkt dat geen dossieraantekeningen voorhanden zijn met betrekking tot de erfrechtelijke consequenties van het huwelijk tussen appellant en erflaatster. De huidige medewerkers van het notariskantoor zijn bovendien niet betrokken geweest bij het opstellen van de uiterste wil van erflaatster in 1980 en kunnen derhalve niet uit eigen wetenschap oordelen omtrent de wil van erflaatster op het moment van het passeren van het testament. Het hof zal binnen het hiervoor genoemde juridisch kader de rechtsvraag beantwoorden of appellant al dan niet erfgenaam is.

Bekrachtiging

28. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat appellant op basis van de uiterste wil van erflaatster geen erfgenaam is. De rechtbank heeft zulks op goede gronden geoordeeld. Naar het oordeel van het hof gaat appellant uit van een grammaticale uitleg van het testament. De stelling van appellant dat erflaatster – indien zij appellant had willen uitsluiten als erfgenaam – expliciet in haar uiterste wil had dienen te vermelden dat na het overlijden van haar eerste echtgenoot alleen haar kinderen (geïntimeerden) zouden erven doet geen recht aan de situatie waarin erflaatster in 1980 haar uiterste wil formuleerde. Op het moment van het formuleren van haar uiterste wil in 1980 was sprake van een gezinssituatie met haar eerste echtgenoot en geïntimeerden. De positie van haar eerste echtgenoot heeft zij geregeld alsmede de positie van geïntimeerden. Het feit dat zij is gehuwd is een omstandigheid waardoor de uiterste wil van erflaatster uit 1980 onduidelijk wordt omdat appellant bij een grammaticale uitleg van de uiterste wil wel als erfgenaam moet worden aangemerkt.

Een dergelijke uitleg acht het hof met de rechtbank in strijd met de omstandigheden waaronder de uiterste wil in 1980 is geformuleerd. Bij het formuleren van haar uiterste wil heeft de toenmalige gezinssituatie bij erflaatster centraal gestaan en voor haar is nadien er geen aanleiding geweest om de wil die zij in 1980 heeft geformuleerd en vastgelegd in haar uiterste wil te veranderen. Appellant en erflaatster zijn op hoge leeftijd getrouwd, bewust hebben zij gekozen voor het gescheiden houden van hun vermogens; zij sloten huwelijkse voorwaarden inhoudende een zogenaamde koude uitsluiting. Wat erflaatster mogelijk heeft verklaard bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden doet niet af aan het feit dat zij desondanks niet haar uiterste wil heeft gewijzigd. Volgens de wettekst (art. 4:46 lid 2 BW) en de parlementaire geschiedenis mogen daden en verklaringen van de erflaatster buiten de uiterste wil slechts dan voor de uitleg van een uiterste wil worden gebruikt indien de uiterste wilsbeschikking zonder die verklaring geen duidelijke zin heeft. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat die situatie zich hier niet voordoet.

29. De grieven treffen derhalve geen doel. Hetgeen appellant overigens heeft gesteld behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet relevant is voor het onderhavige oordeel.

Proceskosten

30. Gezien het feit dat appellant in het ongelijk wordt gesteld dient hij veroordeeld te worden in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2016 tussen partijen gewezen;

veroordeelt appellant in de kosten van dit hoger beroep tot aan deze uitspraak begroot op € 5.611,- en als volgt gespecificeerd:

- € 718,- griffierecht;

- € 4.893,- salaris advocaat;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, J.M. van Baardewijk, A.S. Mertens-de Jong, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.