Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:674

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
BK-16/00435
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:9455, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voor het jaar 2015 is voldaan aan de in artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen verplichting, en zo nee, of op grond daarvan dient te worden beslist dat er voor de heffing van een BIZ-bijdrage geen wettelijke grondslag bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/34.31 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/632
Belastingblad 2017/164 met annotatie van J.P. Kruimel
NTFR 2017/1237 met annotatie van Mr. A. Dinée
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00435

Uitspraak d.d. 15 maart 2017

in het geding tussen:

[X] h.o.d.n. [Y] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 5 augustus 2016, nummer SGR 16/221, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag in de BIZ-bijdrage voor het jaar 2015 ten bedrage van € 1.000 opgelegd (hierna: de aanslag).

1.2. De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 46.

1.4. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag vernietigd, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 742 en de heffingsambtenaar opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan haar te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 februari 2017. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

De Verordening

3. De raad van de gemeente [Z] heeft in zijn openbare vergadering van 30 mei 2011 de “Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone [A] ” (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening luidt, voor zover hier van belang:

"Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. BI-zone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het aangewezen gebied wordt begrensd door de ononderbroken rode lijn op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende gebiedskaart.

b. de wet: de Experimentenwet BI-zones;

c. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

d. Uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente [Z] en Stichting [B] gesloten Uitvoeringsovereenkomst van 21 april 2011.

Artikel 2 Aanwijzing stichting

De Stichting [B] (hierna: stichting) wordt aangewezen als stichting als bedoeld in artikel 7 van de wet.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 3 Aard van de belasting

Onder de naam 'BIZ-bijdrage' wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

Artikel 4 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt gedurende een periode van vijf jaar jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

2. De BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.

(…)

Artikel 6 Maatstaf van heffing

1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2010.

2. Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt, buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

3. De heffingsmaatstaf als bedoeld in het eerste lid geldt voor de gehele in artikel 4, eerste lid genoemde periode.

(…)

Artikel 7 Belastingtarief

1. De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak, per belastingjaar:

Bij een WOZ-waarde van

Tot

BIZ-bijdrage

(…)

e.

€ 500.000

€ 1.000.000

€ 1.000

(…)

(…)

Artikel 8 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven.

(…)

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

(…)

Artikel 12 Subsidievaststelling

1. De subsidie wordt verstrekt aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst.

2. De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen, verminderd met de daarmee samenhangende perceptiekosten.

3. In de Uitvoeringsovereenkomst worden nadere regels gesteld over de wijze van bevoorschotting en de verrekening van meer- en minderopbrengsten van de ontvangen BIZ-bijdragen."

Vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende dreef bij het begin van het belastingjaar in de onroerende zaak [A] […] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) een onderneming onder de naam “ [Y] ”. De onroerende zaak is gelegen in de in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Verordening aangewezen bedrijveninvesteringszone (hierna: de BI-zone).

4.2. De heffingsambtenaar heeft op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken bij beschikking de waarde van onroerende zaak op 1 januari 2010 vastgesteld op € 540.000.

4.3. In de in artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Verordening genoemde Uitvoeringsovereenkomst (hierna: de Uitvoeringsovereenkomst) zijn de gemeente en de Stichting [B] (hierna: de BIZ-stichting), voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

"3. Duur van de overeenkomst

De overeenkomst eindigt van rechtswege op 31 december 2016, tenzij tussentijds wordt besloten de looptijd van de overeenkomst te verlengen.

Wanneer zich een van de volgende situaties voordoet:

 (…)

 het niet nakomen van de afspraken door de Stichting;

 (…)

zullen de partijen in overleg treden omtrent de alsdan ontstane situatie, hetgeen kan leiden tot beëindiging van deze overeenkomst.

4 Prestatieafspraken

De Stichting:

 zal zich richten op collectieve belangenbehartiging van ondernemers in de BIZ en de realisatie van de activiteiten zoals vastgelegd in het activiteitenplan als bedoeld in artikel 6 van deze overeenkomst;

 (…)

 verplicht zich de activiteiten bedoeld in artikel 6 van deze overeenkomst en voor het jaar 2012 en volgende opgenomen in de bijlage bij deze overeenkomst te verrichten waarvoor de subsidie wordt verstrekt (in overeenstemming met artikel 7, lid 3, van de Experimentenwet BI-zones);

(…)

6 Begroting en activiteitenplan Stichting

Ten behoeve van de subsidie dient de Stichting jaarlijks een begroting en een activiteitenplan in voor het betreffende gebied. De hiervoor bedoelde stukken worden jaarlijks uiterlijk op 1 mei van het kalenderjaar voorafgaand aan het betreffende subsidiejaar ingediend bij het college van burgemeester en wethouders.

Voor het jaar 2012 zijn deze stukken als bijlage (als onderdeel van het plan van aanpak) bij deze overeenkomst gevoegd."

4.4.

Het Hof heeft bij uitspraken van 16 november 2016 beslist op vier hoger beroepen die eveneens een op de voet van de Verordening opgelegde aanslag in BIZ-bijdrage voor het jaar 2015 betroffen. Eén van deze uitspraken is op www.rechtspraak.nl gepubliceerd (nummer BK-16/00241, ECLI:NL:GHDHA:2016:3426). Tot de stukken van het geding van die zaak behoorde het in artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst genoemde plan van aanpak dat op 24 maart 2011 door de Winkeliersvereniging [A] onder de naam “BIZ Plan van aanpak [A] [Z] ” is vastgesteld (hierna: het Plan van Aanpak). De heffingsambtenaar heeft een gedeelte van het Plan van Aanpak geciteerd in het hoger beroepschrift. Gelet op het een en ander staat naar het oordeel van het Hof buiten kijf dat het Plan van Aanpak behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Desondanks heeft de heffingsambtenaar het Plan van Aanpak niet overgelegd. Hierin vindt het Hof aanleiding om met toepassing van artikel 8:69, derde lid, Awb de in zijn uitspraak van 16 november 2016, nummer BK-16/00241, geciteerde gedeelten van het Plan van Aanpak hier op te nemen. Deze gedeelten luiden:

"2.4 Activiteiten

De activiteiten van de BIZ worden onderverdeeld in 2 thema's, namelijk:

 Schoon, Heel en Veilig;

 Profilering van het historische karakter van het winkelgebied.

Het bestuur van de stichting van de BIZ zal duidelijke afspraken maken over de gemeentelijke inzet op het gebied van schoon, heel en veilig in de openbare ruimte. Deze inzet betreft de activiteiten die aanvullend zijn op de kwaliteitscatalogus van de gemeente. Dit wordt vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst.

De BIZ stichting is van plan om de volgende extra activiteiten te ontplooien, gerangschikt naar thema.

Activiteiten met als doel het verhogen van de representativiteit, de uitstraling en de veiligheid van de openbare ruimte (schoon, heel en veilig):

 Realiseren en onderhouden van duurzame beplanting;

 Bestrijden van onkruid;

 Aanschaf en plaatsing van banieren, met wisselende banieren per seizoen of per evenement;

 Verzorgen van sfeerverlichting in de maanden november t/m januari;

 Realiseren en onderhouden van stroompunten t.b.v. sfeerverlichting;

 Organiseren van veiligheidstrainingen voor ondernemers en hun personeel;

 Het verwijderen van graffiti;

 Aanschaf van een omroepinstallatie;

 Landmarks bij entree;

 Aanschaf en plaatsing van bewegwijzering;

 Herinrichting en doorontwikkelen straat;

 Bijdragen aan straatinrichting (straatverlichting en -meubilair, kunstwerken).

Activiteiten met als doel profilering van het historische karakter van de [A] door middel van activiteiten met een publiek belang:

 Ontwikkelen nieuwe huisstijl [A] ;

 Bijhouden van verenigingswebsite;

 Investeren in sociale media, zoals Hyves en Twitter;

 Bijdragen aan lifestyle magazine of winkelgids;

 Organiseren van activiteiten gericht op kunst en cultuur, zoals de boerendag, levende beelden, kaarsjesavond, blues, kerstmarkt, oldtimerdag, Halloween, levende etalage, [Z] Jazz, oranjemarkt.

(…)

2.6.

Begroting

(…)

2012

2013

2014

2015

2016

(…)

Beginsaldo

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

Inkomsten

BIZ-bijdragen

104.850,00

104.850,00

104.850,00

104.850,00

104.850,00

Bijdrage vanuit Floravontuur

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

Sponsoring

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

Totaal

104.850,00

104.850,00

104.850,00

104.850,00

104.850,00

Uitgaven

Schoon, Heel, Veilig en Uitstraling [A]

43.627,31

49.299,58

39.005,46

39.005,46

34.593,70

Activiteiten ten behoeve van profilering [A]

29.831,93

28.361,34

38.655,46

38.655,46

38.865,55

Perceptiekosten gemeente

0,00

3.200,00

3.200,00

3.200,00

3.200,00

Onvoorzien, BTW, organisatie en administratiekosten

31.390,75

23.989,08

23.989,08

23.989,08

28.190,76

Totaal

104.850,00

104.850,00

104.850,00

104.850,00

104.850,00

Resultaat

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

(…)

3 Organisatiestructuur

(…)

Het bestuur heeft als taak een BIZ-plan inclusief meerjarenbegroting op te stellen voor de periode van de BIZ (2012 - 2016). Op basis van deze begroting zal het bestuur ook jaarplannen opstellen, welke tevens gemonitord en bewaakt worden.

(…)

4 Monitoring en evaluatie

 Het BIZ-bestuur dient zorg te dragen voor de uitvoering van de afgesproken activiteiten en voor een jaarlijkse verantwoording hierover aan de gemeente [Z] en alle heffingsplichtige ondernemers.

 De stichting stelt binnen 3 maanden na inwerkingtreding van de belastingverordening op basis van de bovenstaande begroting een jaarplan vast en herhaalt telkens voorafgaand aan 1 november van het volgende jaar, waarvoor naar verwachting BIZ-subsidie zal worden verleend. Dit jaarplan maakt duidelijk welke activiteiten de stichting het komende jaar zal verrichten en welke kosten daarvoor begroot worden.

 Het jaarplan behoeft goedkeuring van de gemeente. De gemeente toetst het jaarplan aan het plan van aanpak van de stichting, aan de Wet en het gemeentelijke beleid.

 Minimaal 1 keer per jaar zullen alle activiteiten worden geëvalueerd binnen het bestuur en de stichting en zo nodig het programma van het daarop volgende jaar worden bijgesteld."

4.5.

Tot de stukken van het geding waarin het Hof de onder 4.4 vermelde uitspraak van 16 november 2016, nummer BK-16/00241, ECLI:NL:GHDHA:2016:3426 heeft gedaan, behoorde voorts een ongedateerde “liquiditeitsprognose 2015-2016” waarin ramingen van de inkomsten en uitgaven van de Stichting voor die jaren zijn opgenomen (hierna: de liquiditeitsprognose). Evenals het Plan van Aanpak is de liquiditeitsprognose naar ’s Hofs oordeel een op de zaak betrekking hebbend stuk dat de heffingsambtenaar ingevolge artikel 8:42 van de Awb had behoren te overleggen. Het Hof vindt hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:69, derde lid, van de Awb de in zijn uitspraak van 16 november 2016, nummer BK-16/00241 vermelde, aan de liquiditeitsprognose ontleende raming van de inkomsten en uitgaven voor het jaar 2015, hieronder op te nemen:

Inkomsten

BIZ-bijdrage € 104.500

Contributie WV € 9.000

Perceptiekosten terug € 6.500

Incasso gemeente € 10.000

Incasso WV/SOOZ € 7.500

Nog te innen subsidie 2014 € 5.000

Totaal € 142.500

Uitgaven

Lening [C] € 8.000

Bijdragen evenementen € 25.000

Bloembakken/Kransen € 3.400

Verlichting € 0

Straatmanagement € 15.960

Graffitiverwijdering € 1.200

Vergaderkosten € 2.000

Administratiekosten € 2.400

Perceptiekosten € 3.250

Vrijwilligersvergoeding SHV € 500

Veiligheidsvoorzieningen € 3.500

Gladbestrijding € 2.000

Lief & leed € 1.000

Faillissement € 750

Oninbare BTW € 750

Onvoorzien € 1.000

Totaal € 70.710

Oordeel van de Rechtbank

5. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

"Beoordeling van het geschil

4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:3828) beslist in een met dit beroep vergelijkbaar geval, waarbij het beroep gegrond is verklaard, de uitspraak op bezwaar is vernietigd en de aanslag BIZ-bijdrage is vernietigd. Ter zitting is namens [de heffingsambtenaar] verklaard dat hij in onderhavig geval geen gevolg zal geven aan die uitspraak omdat hij meent dat de beroepsgronden van [belanghebbende] daarop niet zien. De rechtbank deelt dit standpunt niet.

5. Gelet op het inhoud van het beroepschrift van [belanghebbende] ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht en ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. In navolging van haar uitspraak van 5 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:3828) overweegt de rechtbank het volgende.

6. In de Verordening is onder meer bepaald dat onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ een directe belasting wordt geheven ter bestrijding van de kosten, die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone. Deze belasting wordt gedurende een periode van 5 jaar jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

7. Tussen de gemeente [Z] en de Stichting [B] (de Stichting) is een uitvoeringsovereenkomst (de Uitvoeringsovereenkomst) gesloten. Deze overeenkomst is gebaseerd op artikel 7, derde lid, van de Experimentenwet BI-zones (de Wet) en beoogt de afspraken tussen partijen te regelen om te komen tot de inrichting van een BIZ in een deel van de gemeente [Z] . Verder worden daarin de verantwoordingsvoorwaarden voor de Stichting geregeld inzake de bekostiging en realisering van het ondernemersfonds en de subsidieverstrekking door de gemeente. In de Uitvoeringsovereenkomst is bepaald dat de stichting ten behoeve van de subsidie jaarlijks een begroting en een activiteitenplan indient voor het betreffende gebied.

8. [Belanghebbende] was bij aanvang van het kalenderjaar 2015 gebruiker van de onroerende zaak, die een WOZ-waarde voor het jaar 2010 had van € 545.000. Uit hoofde daarvan is aan [belanghebbende] voor het jaar 2015 een aanslag BIZ-bijdrage van € 1.000 opgelegd.

9. De rechtbank stelt voorop dat de Wet ervan uitgaat dat tussen de gemeente en de Stichting een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten waarin dwingend is vastgelegd welke activiteiten moeten worden verricht waarvoor de uit de BIZ-bijdragen gevormde subsidie moet worden aangewend (vgl. HR 11 december 2015, nr. 14/02510, ECLI:NL:HR:2015: 3425, r.o. 2.3.1). Dat is een dwingend voorgeschreven vereiste. Dit vereiste is ook neergelegd in artikel 12, eerste lid, van de Verordening waarin is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt aan de Stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst.

10. Naar volgt uit het bepaalde in de artikelen 4 en 6 van de Uitvoeringsovereenkomst moet de Stichting jaarlijks een begroting en een activiteitenplan indienen voor het betreffende gebied. Daaruit dienen – naar de rechtbank begrijpt – de door de Stichting voor dat jaar te realiseren activiteiten te blijken. De rechtbank acht dit een redelijk en, gelet op wat hiervoor onder 9. is overwogen, ook een noodzakelijk vereiste. Immers, aan de hand daarvan is te beoordelen of de voorgenomen activiteiten voldoen aan de wettelijke criteria, meer in het bijzonder het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet, te weten dat die activiteiten zijn gericht op een ‘mede publiek belang’.

11. [De heffingsambtenaar] heeft geen afschrift van de begroting voor 2015 overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat de Stichting voor 2015 ook een activiteitenplan heeft ingediend. Uit de gedingstukken en wat partijen over en weer hebben aangevoerd, kan ook niet worden afgeleid dat de Stichting voor 2015 een dergelijk plan heeft ingediend. Integendeel, uit wat [de heffingsambtenaar] heeft aangevoerd kan juist worden afgeleid dat de Stichting voor 2015 niet een concreet activiteitenplan heeft ingediend. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de Stichting voor 2015 geen activiteitenplan heeft ingediend en dat in zoverre niet is gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Verordening en de Uitvoeringsovereenkomst. Bezien in samenhang met de hiervoor genoemde eis dat dwingend moet zijn vastgelegd welke activiteiten moeten worden verricht waarvoor de uit de BIZ-bijdragen gevormde subsidie moet worden aangewend, bestaat naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom voor het heffen van een BIZ-bijdrage geen wettelijke grondslag.

12. Voor zover [de heffingsambtenaar] meent dat de Stichting niet jaarlijks een activiteitenplan hoeft in te dienen, omdat reeds voldoende duidelijk is welke activiteiten zij moet verrichten, volgt de rechtbank hem daarin niet. [De heffingsambtenaar] heeft in dit verband aangevoerd dat in het zogenoemde ‘plan van aanpak’ dat is opgesteld en dat was bijgevoegd bij de Uitvoeringsovereenkomst wel de activiteiten zijn vermeld. Voorts volgen uit de begroting voor 2015 in grote lijnen de activiteiten voor dat jaar, terwijl de activiteiten ook doorlopend worden vermeld op de relevante internetsite en daarnaast ook worden besproken in onderlinge overleggen, aldus [de heffingsambtenaar]. Anders dan [de heffingsambtenaar] meent, maken deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet dat voorbij kan worden gegaan aan het feit dat de Stichting voor 2015 niet een concreet activiteitenplan heeft ingediend.

De wijze van presenteren van de activiteiten zoals door [de heffingsambtenaar] geschetst, is naar het oordeel van de rechtbank, ook bezien in samenhang met de voor 2015 door de Stichting ingediende begroting, daartoe onvoldoende concreet en inzichtelijk en daarmee onvoldoende toetsbaar en afdwingbaar. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat in de Uitvoeringsovereenkomst specifiek is bepaald dat naast een begroting jaarlijks ook een activiteitenplan moet worden ingediend. Daaruit kan reeds worden afgeleid dat het enkele indienen van een begroting, waarmee [de heffingsambtenaar] in feite genoegen neemt, niet voldoende is om te voldoen aan het bepaalde in de Uitvoeringsovereenkomst. Dat, naar [de heffingsambtenaar] stelt, de gemeente genoegen neemt met deze werkwijze van de Stichting, maakt dit niet anders. Dat is een keuze van de gemeente die voor haar risico komt.

13. Vast is komen te staan dat voor het jaar 2015 voor het betreffende gebied geen begroting en een activiteitenplan is ingediend. Niet kan worden beoordeeld of de kosten ter bestrijding waarvan de BIZ-bijdrage wordt geheven kosten zijn als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de aanslag BIZ-bijdrage zullen worden vernietigd. Nu de aanslag BIZ-bijdrage reeds om voornoemde reden niet in stand kan blijven, behoeven de overige gronden die [belanghebbende] tegen de BIZ-heffing heeft aangevoerd geen behandeling.

Proceskosten

15. De rechtbank veroordeelt [de heffingsambtenaar] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 742 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1)."

Geschil in hoger beroep en standpunten en conclusies van partijen

6.1.

In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voor het jaar 2015 is voldaan aan de in artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen verplichting, en zo nee, of op grond daarvan dient te worden beslist dat er voor de heffing van een BIZ-bijdrage geen wettelijke grondslag bestaat.

6.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

6.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

6.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

Beoordeling van het geschil

7.1.

De Rechtbank heeft met juistheid beslist dat voor het heffen van de BIZ-bijdrage geen wettelijke grondslag bestaat. Het Hof maakt deze beslissing en de gronden waarop zij berust tot de zijne. Aan deze gronden voegt het Hof nog het volgende toe.

7.2.

Naar ’s Hofs oordeel heeft de Rechtbank, anders dan de heffingsambtenaar in hoger beroep stelt, door te toetsen of voor het jaar 2015 is voldaan aan de in artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen verplichting, de grenzen van de rechtsstrijd niet overschreden. Bij dit oordeel overweegt het Hof het volgende. In eerste aanleg was in geschil of er voor de heffing van een BIZ-bijdrage voor het jaar 2015 een wettelijke grondslag bestaat. Voor de beantwoording van deze vraag heeft de Rechtbank terecht relevant geacht of is voldaan aan de in artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen verplichting. In dit verband verwijst het Hof naar zijn uitspraak van 16 november 2016, nummer BK-16/00241, ECLI:NL:GHDHA:2016:3426 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Voor zover de Rechtbank bij de beoordeling of voor het jaar 2015 is voldaan aan de in artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen verplichting, ambtshalve de rechtsgronden heeft aangevuld, was zij daartoe ingevolge artikel 8:69, tweede lid, Awb gehouden.

7.3.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Experimentenwet BI-zones, Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 3, blz. 8, wordt als één van de uitgangspunten van het wetsvoorstel genoemd dat “[d]e organisatie van de [BI-zone] transparant en kostenefficiënt [moet] zijn en verantwoording [moet] afleggen aan de ondernemers in de BI-zone.” Even later wordt in de memorie van toelichting, blz. 13, opgemerkt: “De [BI-]organisatie dient hierbij te zorgen voor voldoende draagvlak voor de plannen onder de ondernemers in de BI-zone. De organisatie van de [BI]-zone moet bovendien efficiënt, transparant en controleerbaar zijn en verantwoording afleggen aan alle ondernemers in het gebied, zodat ondernemers en gemeente inzicht hebben in de bestedingen en voortgang van de activiteiten in de [BI]-zone.”

Deze passages laten er geen misverstand over bestaan dat de wetgever heeft beoogd het verstrekken van inzicht in de activiteiten van de BI-stichting en het afleggen van verantwoording daarover aan de ondernemers in de BI-zone wezenskenmerken van de BIZ-bijdrage te laten zijn.

7.4.

De gemeente en de Stichting hebben, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, derde lid, van de Experimentenwet BI-zones, een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Awb gesloten (de Uitvoeringsovereenkomst). Bij de Uitvoeringsovereenkomst is het Plan van Aanpak gevoegd (zie onder 4.4). Hoewel het Plan van Aanpak is opgesteld door de Winkeliersvereniging en niet door de Stichting en tot stand is gekomen voordat de Uitvoeringsovereenkomst is gesloten, maakt het, doordat het bij de Uitvoeringsovereenkomst is gevoegd, deel uit van de Uitvoeringsovereenkomst.

7.5.

In § 6 van de Uitvoeringsovereenkomst is bepaald dat de Stichting jaarlijks een begroting en een activiteitenplan moet indienen. In onderdeel 4 van het Plan van Aanpak wordt dienaangaande opgemerkt dat het BIZ-bestuur (lees: het bestuur van de Stichting) zorg dient te dragen voor de uitvoering van de afgesproken activiteiten en voor een jaarlijkse verantwoording hierover aan de gemeente [Z] en alle heffingsplichtige ondernemers (curs. Hof). Daartoe dient de Stichting, aldus het Plan van Aanpak, jaarlijks een jaarplan op te stellen waarin duidelijk wordt gemaakt welke activiteiten de Stichting het komende jaar zal verrichten en welke kosten daarvoor begroot worden.

7.6.

Naar luid van § 6, slotzin, van de Uitvoeringsovereenkomst maken de begroting en een activiteitenplan voor het jaar 2012 deel uit van het Plan van Aanpak. Kennelijk worden hiermee de onderdelen 2.4 (Activiteiten) en 2.6 (Begroting) van het Plan van Aanpak bedoeld.

7.6.1.

De heffingsambtenaar stelt (blz. 5 van het hogerberoepschrift) en het Hof acht aannemelijk dat in onderdeel 2.4 van het Plan van Aanpak de “kaderstellende activiteiten” voor de gehele periode waarvoor de Verordening geldt (2012-2016) zijn opgesomd. Bij deze opsomming is niet vermeld welke activiteiten voor de afzonderlijke jaren zijn gepland. Dat betekent dat, in afwijking van hetgeen in de slotzin van § 6 van de Uitvoeringsovereenkomst is bepaald, het Plan van Aanpak niet het activiteitenplan voor het jaar 2012 bevat. Evenmin bevat het plan van aanpak de jaarlijkse activiteitenplannen voor de overige jaren waarvoor de Verordening geldt (2013, 2014, 2015 en 2016). Voor geen van de jaren waarvoor de Verordening geldt is, naast of in aanvulling op het Plan van Aanpak, een afzonderlijke activiteitenplan ingediend.

7.6.2.

Onderdeel 2.6 bevat een meerjarenbegroting voor de periode 2012-2016. De per jaar per activiteit geraamde uitgaven worden niet genoemd; volstaan is met geraamde bedragen voor twee clusters van activiteiten (“Schoon, Heel, Veilig en Uitstraling [A] ” en “Activiteiten ten behoeve van de [A] ”) alsmede geraamde bedragen voor de perceptiekosten van de BIZ-bijdrage en de post “Onvoorzien (BTW), organisatie en administratiekosten”.

7.7.

Tot de stukken van het geding behoort een “Begroting 2015” waarin ramingen van de inkomsten en/of uitgaven van de Stichting voor 2015 zijn opgenomen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard geen toelichting van de ramingen te kunnen overleggen.

7.8.

De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van jaarlijkse activiteitenplannen niet van belang is, omdat uit de begroting voor een bepaald jaar voldoende blijkt welke activiteiten er voor dat jaar op het programma staan. Het Hof volgt de heffingsambtenaar hierin niet. De in het geding gebrachte ramingen geven, zo zij al als begrotingen in de zin van artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst kunnen worden aangemerkt, geen inzicht in de activiteiten die de Stichting van plan is in een bepaald jaar – in dit geval 2015 – te ondernemen doordat de in de ramingen opgenomen kostenposten niet zijn toegelicht of geconcretiseerd (zie onder 7.7). Voor zover de heffingsambtenaar heeft willen betogen dat die toelichtingen en concretiseringen er wel zijn, maar dat deze hem niet ter beschikking staan, zodat hij ze niet kan overleggen, brengt dit het Hof niet tot een ander oordeel. Het niet (kunnen) overleggen van de desbetreffende stukken moet voor rekening van de heffingsambtenaar blijven.

7.9.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het Hof voor het jaar 2015 niet voldaan aan de in artikel 6 van de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen verplichting. Op grond hiervan en mede gelet op het belang dat de wetgever hecht aan het verstrekken van inzicht in de activiteiten van de BI-stichting en het afleggen van verantwoording daarover aan de ondernemers in de BI-zone (zie onder 7.2), is het Hof van oordeel dat er voor de heffing van de BIZ-bijdrage voor de BI-zone [A] voor het jaar 2015 geen wettelijke grondslag bestaat.

Slotsom

7.10.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 990 (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een bedrag per punt van € 495 en een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak).

8.2.

Van de heffingsambtenaar zal, nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, een griffierecht van € 501 worden geheven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990;

- gelast dat van de heffingsambtenaar een griffierecht van € 501 wordt geheven.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 15 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.