Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:67

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
BK-16/00322
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep houdt partijen met betrekking tot de naheffing uitsluitend verdeeld, zo hebben partijen ter zitting bevestigd, het antwoord op de vraag of ten tijde van de controle de in de cabine van de auto aangetroffen achterbank vast is gemonteerd. Belanghebbende heeft zich ook gekant tegen de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/148
V-N 2017/19.10.2
FutD 2017-0218
NTFR 2017/413 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00322

Uitspraak van 13 januari 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Semi massale processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2016, nr. SGR 16/76.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is 10 december 2013 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen van € 22.184 en een boete van € 11.092 opgelegd en is bij beschikking € 757 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag, de boeteschikking en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 168 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag ongegrond en voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking vernietigd, de boete verlaagd naar € 5.546, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.238 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 251 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 januari 2017 in Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

Met inachtneming van wat de rechtbank heeft vastgesteld, gaat het Hof uit van de volgende feiten:

2.1.

Op 20 september 2012 is belanghebbendes auto, een Volkswagen van het type Amarok, als vrachtwagen met twee zitplaatsen opgenomen in het kentekenregister. De na de RDW-keuring gedane invoeraangifte (Fiscaal akkoord van 21 september 2012) maakt melding van "Geaccepteerd door de RDW" als Status fiscaal akkoord, van "B-Bestelauto" als Fiscale categorie, van "TUSSENSCHOT GECONTROLEERD. 2E RIJ STOELEN DAARDOOR VERWIJDERD. EXTRA DAKVERHOGING AANGEBRACHT" en van "BPM te betalen volgens aangever: € 0".

2.2.

Op 4 december 2012 is bij een controle de auto op de openbare weg aangetroffen en is geconstateerd dat in de auto een achterbank en geen scheidingswand aanwezig zijn. Door de controlerende ambtenaren zijn foto’s van (het interieur van) de auto gemaakt, die in kopie tot de gedingstukken behoren.

2.3.

Naar aanleiding van de controlebevindingen heeft de Inspecteur de auto aangemerkt als een niet van de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) uitgezonderde bestelauto en heeft hij belanghebbende bij brief van 16 september 2013 meegedeeld voornemens te zijn een naheffingsaanslag in de BPM en een boete op te leggen. De brief vermeldt: "(…) Ten tijde van de controle voldeed het motorrijtuig niet aan de in het derde lid van artikel 3 van de Wet BPM gegeven inrichtingseisen. In de laadruimte zijn zitplaatsen aangebracht. Het motorrijtuig werd door de RDW gekeurd als bestelauto met enkele cabine met twee zitplaatsen. Het motorrijtuig voldoet na het aanbrengen van de extra zitplaatsen ook niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto met dubbele cabine, aangezien niet ten minste 40% van de lengte van de laadruimte voor het hart van de achterste as is geplaatst. Het motorrijtuig voldoet niet aan de inrichtingseisen in de zin van artikel 3, lid 3, van de Wet BPM. Het gebruik van het grijze kenteken is daarmee niet juist. Gezien het voorgaande heeft uw zeer onzorgvuldige handelwijze er toe geleid dat de belasting die op aangifte moet worden afgedragen niet (geheel) (of) niet tijdig is betaald. U had moeten begrijpen dat het risico bestond dat te weinig belasting zou worden betaald. (…)"

2.4.

In reactie geeft belanghebbende bij brief van 25 oktober 2013 te kennen: "(…) Ik heb mijn bestelauto aangepast, ik de laadruimte volledig verbouwd, de stoel heb ik eruit gehaald. Mijn transportmiddel voldoet aan alle eisen waar een grijze kenteken moet voldoen. Als bewijs stuur ik u de stoel (achterbank) dat is verwijderd. Tevens moet ik mededelen dat ik mijn voertuig niet meer kan aantonen want mijn auto is gestolen. (…)" en in aansluiting bij brief van 13 november 2015 (aanvulling op het bezwaarschrift): "(…) 3. Allereerst bevonden de stoelen zich niet in de laadruimte, maar achter de bestuurdersstoel in de cabine. Derhalve voldeed de bestelbus aan de inrichtingseisen die de Wet BPM stelt om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van de BPM. 4. Daarbij komt dat de stoelen niet waren gemonteerd in de bus, maar louter los vervoerd werden. Om die reden is de inrichting van de bus ook niet aangepast. Sinds de aanschaf van de bestelbus, die de heer [X] pas heel kort in eigendom had en waarvan hij de eerste eigenaar was, is er niets aan de bus aangepast. De [bus] voldeed aldus aan de inrichtingseisen. (…)"

De rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

6. In geschil [is] het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht zijn opgelegd.

7. [ Belanghebbende] stelt dat de naheffingsaanslag en de vergrijpboete ten onrechte zijn opgelegd omdat hij de auto geleverd heeft gekregen als bestelauto, de achterbank door het garagebedrijf was gedemonteerd en meegegeven en los in de auto lag. Na de controle van de belastingdienst is de bank uit de auto verwijderd en voldeed de auto weer aan de inrichtingseisen. [De Inspecteur] heeft ten onrechte het herstelbeleid niet toegepast en niet gemotiveerd waarom hieraan niet voldaan zou zijn. [De Inspecteur] heeft niet bewezen dat sprake is van opzet of grove schuld als gevolg waarvan te weinig belasting is geheven.

8. [ De Inspecteur] stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd nu tijdens de controle is gebleken dat de auto niet aan de inrichtingseisen uit artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) voldeed. [Belanghebbende] voldoet niet aan de eisen zoals die zijn geformuleerd in het Besluit van 27 juni 2012, BLBK 2012/1106M. Ten aanzien van de vergrijpboete dient primair uitgegaan te worden van voorwaardelijk opzet. Subsidiair stelt [de Inspecteur] dat sprake is van grove schuld.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 1, eerste lid, Wet BPM wordt belasting geheven met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de belasting verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het kentekenregister. Uit het derde lid volgt dat ingeval een geregistreerd motorrijtuig zodanig wordt veranderd dat het een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto is geworden en daarvoor geen nieuw kenteken wordt afgegeven, de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto, motorrijwiel of bestelauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

10. In artikel 3, derde lid, Wet BPM is bepaald wat onder een bestelauto moet worden verstaan.

11. De rechtbank is van oordeel dat uit de foto’s blijkt dat op het moment van de controle in de cabine van de auto een achterbank aanwezig was en dat er geen tussenschot was gemonteerd. Uit de foto’s blijkt tevens dat de achterbank als zodanig in gebruik althans bruikbaar was. De bank is in de rijrichting geplaatst, de rugleuning staat rechtop, er is beenruimte tussen de bank en de voorstoelen en op de bank staat een tas en liggen verschillende andere voorwerpen. In de foto’s kan geen steun worden gevonden voor de stelling van [belanghebbende] dat de bank los in de auto lag. Aldus is sprake van een voertuig voorzien van een dubbele cabine met zitruimte achter de bestuurder voor een rij naast elkaar in de rijrichting zittende personen. Een dergelijk voertuig kan ingevolge het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel d Wet BPM slechts worden aangemerkt als bestelauto wanneer, onder andere, de laadruimte voor ten minste 40 percent van de lengte voor het hart van de achterste as is geplaatst (het 40% vereiste).

12. [ De Inspecteur] heeft onweersproken gesteld dat niet aan het 40% vereiste is voldaan, zodat geen sprake meer is van een bestelauto. [De Inspecteur] heeft daarom terecht van [belanghebbende] BPM naar het tarief van personenauto’s nageheven.

13. Het herstelbeleid houdt in dat een kentekenhouder eenmalig de gelegenheid krijgt de geconstateerde gebreken te herstellen. [Belanghebbende] verwijst voor zijn stelling dat [de Inspecteur] het herstelbeleid onjuist heeft toegepast naar het arrest van de HR van 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8269. Dat arrest heeft betrekking op het herstelbeleid zoals neergelegd in onderdeel 12 van het besluit van de Minister van Financiën van 4 juni 2010 (DGB2010/1670M), dat besluit is echter ten tijde van de controle niet meer van toepassing. In het per 1 juli 2012 geldende besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 juni 2012 (BLKB 2012/1106M) worden voor de toepassing van het herstelbeleid in onderdeel 12.1 een aantal cumulatieve voorwaarden gesteld, waaronder de eis dat er geen stoelen, banken of andere zitplaatsen in de laadruimte zijn aangebracht. Gezien hetgeen is overwogen onder 11, wordt aan deze voorwaarde niet voldaan. [Belanghebbende] kan dan ook geen beroep doen op het herstelbeleid.

14. De rechtbank volgt [belanghebbende] niet in zijn stelling dat [de Inspecteur] niet heeft gemotiveerd waarom het herstelbeleid niet van toepassing is, nu in de uitspraak op bezwaar hierop uitgebreid is ingegaan en de daarvoor geldende voorwaarden worden opgesomd. Ter zitting heeft [belanghebbende] nog aangevoerd dat het feit dat de belastingdienst in maart 2013 nog een onderzoek aan de auto heeft willen uitvoeren, erop duidt dat het herstelbeleid desondanks zou worden toegepast en dat niet is gemotiveerd waarop daarop is teruggekomen. Ook hierin volgt de rechtbank [belanghebbende] niet. [De Inspecteur] heeft ter zitting voldoende geloofwaardig verklaard dat het onderzoek in maart 2013 betrekking had op aangiftetijdvakken voor de motorrijtuigenbelasting.

Vergrijpboete

15. [ De Inspecteur] heeft aan [belanghebbende] op grond van artikel 67f van de Algemene wet Rijksbelasting een vergrijpboete van 50% opgelegd omdat het volgens hem aan voorwaardelijk opzet van [belanghebbende] is te wijten dat te weinig belasting is voldaan. Onder voorwaardelijk opzet moet worden verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat het handelen of nalaten van betrokkene tot gevolg heeft dat te weinig belasting wordt voldaan. De bewijslast dat hiervan sprake is, rust op [de Inspecteur]. Daarin is [de Inspecteur] niet geslaagd met de enkele stelling dat [belanghebbende] in grote mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Met zijn betoog dat [belanghebbende] redelijkerwijs had dienen te begrijpen dat met de aanwezigheid van de achterbank in de auto niet langer sprake was van een bestelauto en dat daarom BPM verschuldigd was, heeft [de Inspecteur] echter wel zijn subsidiaire standpunt dat sprake is van grove schuld voldoende aannemelijk gemaakt. Het beroep is dan ook in zoverre gegrond en de boete moet worden verminderd tot 25%.

16. Tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrentebeschikking in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is opgelegd dan wel dat de rentebedragen in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen zijn vastgesteld.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond en het beroep tegen de boetebeschikking gegrond.

Proceskosten

18. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep houdt partijen met betrekking tot de naheffing uitsluitend verdeeld, zo hebben partijen ter zitting bevestigd, het antwoord op de vraag of ten tijde van de controle de in de cabine van de auto aangetroffen achterbank vast is gemonteerd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Belanghebbende heeft zich ook gekant tegen de boete.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Met betrekking tot de naheffing komt het Hof tot een andere afweging dan de rechtbank. De Inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft naar 's Hofs oordeel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld dan wel aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de ten tijde van de controle in de cabine van de auto aangetroffen achterbank vast is gemonteerd. Het Hof neemt in aanmerking dat, gelijk ook de Inspecteur ter zitting heeft erkend, uit het controleverslag niet blijkt van een vast gemonteerde achterbank en de foto’s evenmin uitsluitsel geven of de achterbank al dan niet vast in de cabine is gemonteerd.

5.2.

De enkele, ter zitting herhaalde, stelling van de Inspecteur, dat het, gelet ook op het controleverslag en de foto’s, niet anders kan zijn dan dat ten tijde van de controle is geconstateerd dat de achterbank vast is gemonteerd, dat anders het verslag met de foto’s niet zou zijn gemaakt en de controlebevindingen niet zouden hebben geleid tot de maatregel van een naheffing, behelst een - ook in de sfeer van de verdeling van de bewijslast - te karige onderbouwing van de naheffing.

5.3.

Wat dat aangaat moet worden bedacht dat niet duidelijk is wat de controlerende ambtenaren precies hebben waargenomen, vooral ook vergeleken met de status van de auto ten tijde van de RDW-keuring, dan wel dat niet is uitgesloten dat zij zijn uitgegaan van een eigen, mogelijk rechtens onjuiste, interpretatie van de in geding zijnde BPM-criteria, zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, inhoudende dat de achterbank de keren dat die in de auto was, telkens los is vervoerd, meer in het bijzonder dat de auto qua inrichting nimmer anders is geweest dan zoals de auto destijds is afgeleverd door het ombouwbedrijf. Een en ander klemt te meer, nu in geen enkele fase van de procedure de ambtenaren is gevraagd nadere informatie te verstrekken over de staat waarin de achterbank in de cabine is aangetroffen, terwijl het stellig voor de hand heeft gelegen die navraag te doen, omdat belanghebbende van aanvang af uitdrukkelijk heeft betwist dat de achterbank vast in de cabine is gemonteerd.

5.4.

Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. De naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente moeten worden vernietigd.

5.5.

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierechten

6.1.

Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten. Onder handhaving van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, stelt het Hof de kosten vast op € 990 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten à € 495 x 1 (gewicht). Voor een hogere vergoeding van proceskosten acht het Hof geen termen aanwezig.

6.2.

De Inspecteur dient de griffierechten aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behalve de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990; en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende € 251 aan in hoger beroep betaald griffierecht te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.W.P. van Oosten. De beslissing is op 13 januari 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.