Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:66

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
BK-16/00500
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:12182, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep, net als voor de rechtbank, houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of de door belanghebbende aan het [museum] te [Y] als ANBI overgedragen goederen een voor de heffing van IB/PVV relevante schenking vormen en, zo het antwoord op die vraag bevestigend is, welke dan de waarde is en of plaats is voor een aftrekpost. Belanghebbende staat ter beantwoording van de tweede en de derde vraag een waarde voor van ten minste € 7.536, leidend tot een (extra) aftrek van € 7.242. De Inspecteur beantwoordt de tweede en de derde vraag ontkennend in die zin dat, zo al een waarde is toe te kennen, deze de drempel voor de te plegen aftrek niet te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0214
V-N Vandaag 2017/146

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00500

Uitspraak van 13 januari 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2016, nr. SGR 16/5116.

Bezwaar en beroep

1.1.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voor het jaar 2014 voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) overeenkomstig de aangifte opgelegde aanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. Griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Griffierecht van € 124 is geheven

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 januari 2017 in Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

Met inachtneming van wat de rechtbank heeft vastgesteld, gaat het Hof uit van de volgende feiten:

3.1.

In 2014 hebben belanghebbende en zijn broer bij wijze van schenking aan Het [museum] te [Y] , een zogenoemde ANBI, een aantal uit luipaardbont vervaardigde voorwerpen overgedragen, te weten een handtas, een stola, een parapluhouder, een diadeem en twee hoedjes. De voorwerpen, die hier te lande zijn vervaardigd kort nadat door hun vader omstreeks 1964 uit Oost-Afrika twee luipaardvellen zijn meegebracht, zijn door hen verkregen uit de nalatenschap van beider moeder, die [in] 2013 is overleden.

3.2.

De handel in (voorwerpen gemaakt van) luipaardbont is sedert 1975 verboden.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

3. In geschil is of [de Inspecteur] terecht aftrek ter zake van deze schenking heeft geweigerd.

4. [ Belanghebbende] stelt dat zijn gift moet worden gewaardeerd op basis van de vervangingswaarde nu er geen verkoop- of marktwaarde meer bestaat van voorwerpen gemaakt van luipaardvel, omdat het om een bedreigde diersoort gaat waarin sinds 1975 in geen enkele vorm meer mag worden gehandeld. Dit is in overeenstemming met de 'international valuation standards' en meer specifiek met de Guidance Note 5. Hij begroot de kosten voor verkrijging van een luipaardvel op ruim € 31.000. [Belanghebbende] klaagt voorts over de bejegening door medewerkers van de belastingdienst en stelt dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden, schending van de geheimhoudingsplicht, het ambtsgeheim en inbreuk op zijn privacy.

5. [ De Inspecteur] stelt dat [belanghebbende] de giftenaftrek niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat voor de waarde van de gift moet worden aangesloten bij de waarde in het economische verkeer. Vanwege het verbod op handel in luipaardvel en producten daarvan is deze nihil en heeft aldus bij [belanghebbende] door de gift geen verarming plaatsgevonden. Subsidiair stelt [de Inspecteur] dat [belanghebbende] de waarde van de geschonken goederen niet aannemelijk heeft gemaakt. De opgave van de waarde door het [museum] is niet overgelegd. Voor de mogelijke waarde op de zwarte markt verwijst [de Inspecteur] naar een aanbieding van een jas gemaakt uit drie huiden voor € 2.500. Omdat de schenking voor de helft door [belanghebbende] is gedaan, leidt deze benadering niet tot overschrijding van de toepasselijke drempel. [Belanghebbendes] schatting van de vervangingswaarde heeft geen relatie met de geschonken goederen. Tot slot merkt [de Inspecteur] op dat [belanghebbende] bij de verkrijging van de goederen uit de nalatenschap van zijn moeder hieraan geen waarde heeft toegekend in de aangifte erfbelasting.

6. Niet in geschil is dat [belanghebbende] en zijn broer in september 2014 de tas en andere voorwerpen van luipaardvel aan het [museum] hebben geschonken en dat dit museum is aangemerkt als culturele Anbi als bedoeld in artikel 6.39a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Partijen verschillen slechts van mening over de waarde van de schenking.

7. Van Dijck en Van Vijfeijken (Instellingen van algemeen nut, Fed fiscale brochures, Kluwer: Deventer 2005, p. 104) schrijven over de waardering van een gift in natura:

'Het object van de schenking kan bestaan in geld maar ook in goederen: elke waarde die uit het vermogen van de belastingplichtige verdwijnt. Behoudens in art. 6.36 met betrekking tot de waardering van autokosten op basis van een forfait van 18 eurocent per kilometer vindt men in de wet niet een uitdrukkelijke regeling met betrekking tot de bepaling van de waarde die aan een gift in natura moet worden toegekend. Een probleem dat zich hierbij kan voordoen is dat de waarde die de schenker afstaat (aanzienlijk) kan afwijken (zowel positief als negatief) van de waarde die het verkregen goed voor de begiftigde heeft. Hoezeer het eigenlijk gaat om de verrijking van de ANBI, zal de gift in natura voor de inkomstenbelasting toch gewaardeerd moeten worden op de verarming die bij de schenker optreedt. (…). Er is geen twijfel dat de regeling van art. 3.144 (overeenkomstig art. 34 Wet IB 1964) naar analogie moet worden toegepast: de waarde in het economische verkeer. In aanmerking komt de verkoopwaarde: het bedrag dat de schenker bij vervreemding redelijkerwijs zou hebben kunnen bedingen.'

8. Omdat de handel in luipaardvel en in voorwerpen die daarvan zijn vervaardigd, verboden is, hebben deze geen (reguliere) verkoopwaarde. Dat er geen marktwaarde hiervoor is blijkt ook uit de door [belanghebbende] overgelegde email van de zaakvoerder van Pelsland van 28 maart 2015, waarin dit met zoveel woorden wordt gezegd. [Belanghebbende] op wie in deze de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de voorwerpen wel een waarde in het economische verkeer hebben, is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De vervangingswaarde die [belanghebbende] voorstaat waarbij met een jachtvergunning een luipaardvel wordt bemachtigd waarvan vervolgens de voorwerpen zouden kunnen worden gemaakt, kan niet worden aangemerkt als een reële waarde in het economische verkeer van reeds bestaande en al tientallen jaren oude voorwerpen. Daarbij komt dat, voor zover dit al mogelijk zou zijn, aan deze voorwerpen toch geen waarde in het economische verkeer kan worden toegekend omdat het ten enenmale verboden blijft deze voorwerpen te verkopen. Zo de waarde voor de begiftigde al in aanmerking zou kunnen worden genomen, helpt dit [belanghebbende] evenmin. Naar ter zitting is gesteld, heeft het [museum] aan de voorwerpen schattenderwijs een waarde toegekend van € 850. Omdat [belanghebbende] de schenking samen met zijn broer heeft gedaan, zou bij een dergelijke waarde de van toepassing zijnde drempel voor giftenaftrek niet worden overschreden.

9. Nu er geen voldoende verarming bij [belanghebbende] heeft plaatsgevonden, is het beroep ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

In hoger beroep, net als voor de rechtbank, houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of de door belanghebbende aan het [museum] te [Y] als ANBI overgedragen goederen een voor de heffing van IB/PVV relevante schenking vormen en, zo het antwoord op die vraag bevestigend is, welke dan de waarde is en of plaats is voor een aftrekpost. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende staat ter beantwoording van de tweede en de derde vraag een waarde voor van ten minste € 7.536, leidend tot een (extra) aftrek van € 7.242. De Inspecteur beantwoordt de tweede en de derde vraag ontkennend in die zin dat, zo al een waarde is toe te kennen, deze de drempel voor de te plegen aftrek niet te boven gaat.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5.3.

Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat hij zijn grief over het niet zijn gehoord in de bezwaarfase laat varen en niet meer klaagt, althans niet in deze procedure, over de bejegening door de Belastingdienst.

Beoordeling

6.1.

Het Hof stelt voorop dat de onderwerpelijke voorwerpen in elk geval, ondanks het handelsverbod, een geldelijke waarde hebben, zodat in beginsel sprake is van een voor de heffing van IB/PVV relevante schenking.

6.2.

De vraag die dan rest is of belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, de door hem gestelde waarde van de voorwerpen aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof komt met de rechtbank tot het oordeel dat zulks niet het geval is. Bij de totstandkoming van dat oordeel heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat het [museum] de waarde van de voorwerpen heeft gesteld op € 850, dat belanghebbende, naar hij desgevraagd ter zitting heeft verklaard, zich ten tijde van de schenking niet realiseerde dat de voorwerpen enige waarde hebben, dat de gestelde waarde, nu het naar hij stelt om absoluut en relatief hoge bedragen gaat - in de stukken meldt hij onder meer dat Chinezen bereid zijn voor een luipaardvel US $ 100.000 tot US $ 300.000 te betalen - niet is meegenomen in de erfbelastingaangifte na het overlijden van de moeder noch in de vermogensopstelling voor box 3 in de aangifte IB/PVV en dat deze waarde evenmin is meegenomen in zijn inboedelverzekering. Belanghebbende maakt de ter berekening van de gestelde waarde gehanteerde cijfers tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ook niet waar. Het verwijzen naar websites en het overleggen van een kopie van een "Hunting Price List for the 2014 & 2015 hunting seasons in South Africa" acht het Hof onvoldoende. Ook de in de stukken verschillende keren opgenomen specificatie ter onderbouwing van de gestelde waarde, bijvoorbeeld aan de hand van de vervangingswaarde dan wel de douanewaarde van een luipaardvel of de verschuldigde omzetbelasting, is niet voldoende gestaafd.

6.3.

Belanghebbende heeft overigens geen feiten of omstandigheden gesteld dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat vanwege de schenking een hogere aftrek in aanmerking moet worden genomen dan de bij het vaststellen van de aanslag in aanmerking genomen aftrek.

6.4.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.W.P. van Oosten. De beslissing is op 13 januari 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.