Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:643

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
200.151.156/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenleving. Vorderingen over en weer voor gedane betalingen aan derden. Afwikkeling verdelingsoverzicht. Investeringen en onderhoudskosten te zake van de woning: kosten onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.151.156/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/445247/HA ZA 13-699

arrest d.d. 7 maart 2017

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man

advocaat: voorheen mr. J.C.G.J. van der Linden te Voorburg, thans mr. P.C. van der Kuijl te Middelburg,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.D. van Koningsveld te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 11 juni 2014 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2014, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar wat daarover in het bestreden vonnis is vermeld.

De man heeft ter rolzitting van 14 oktober 2014 een memorie van grieven ingediend. Daarin heeft hij zes grieven aangevoerd en daarbij heeft hij zeven producties overgelegd.

De vrouw heeft ter rolzitting van 22 maart 2016 een memorie van antwoord ingediend.

De man heeft pleidooi gevraagd. Dit is bepaald op 9 september 2016.

De man heeft vervolgens bij H12-formulieren, ingekomen op respectievelijk 2 september 2016 (twee H-formulieren), 6 september 2016 en 8 september 2016 producties uit de eerste aanleg (1 tot en met 8, niet doorgenummerd) en andere ontbrekende stukken uit de eerste aanleg overgelegd.

Het pleidooi is toen, omdat (nog altijd) niet een volledig procesdossier ten behoeve van het pleidooi door de man was overgelegd en voorts op verzoek van de man, uitgesteld.

Op 27 januari 2017 heeft de pleidooizitting plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Verschenen zijn:

  • -

    de man en zijn advocaat;

  • -

    de vrouw en haar advocaat.

Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd. De advocaat van de man heeft een tweede deel van zijn pleidooi willen houden aan de hand van een – niet vooraf aangekondigde maar wel voorafgaand aan het pleidooi vervaardigde - tweede pleitnota. Hiertegen is bezwaar gemaakt door de wederpartij. Het hof heeft er niet mee ingestemd dat de advocaat van de man in tweede termijn een (vervolg)pleidooi zou houden aan de hand van deze tweede pleitnota, nu dit in strijd is geacht met de eisen van een goede procesorde. Partijen zijn in tweede termijn wel in de gelegenheid gesteld te reageren op elkaars standpunten en pleitnotities.

Partijen hebben er mee ingestemd dat het arrest zal worden gewezen op basis van het ten behoeve van het pleidooi overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals de rechtbank deze heeft vastgesteld onder ‘2’ in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof (mede) van die feiten zal uitgaan.

2. Voorts is in hoger beroep komen vast te staan dat de woning aan de [adres] ) [plaatsnaam] , die bij partijen in gezamenlijke eigendom was, op 1 april 2015 is verkocht en geleverd. De restschuld bedraagt € 108.000,-. Partijen zijn overeengekomen deze gezamenlijk, ieder voor de helft, af te lossen.

3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van de man afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De man vordert dat hij alsnog ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen jegens de vrouw en dat deze, zoals in eerste aanleg geformuleerd, alsnog zullen worden toegewezen; met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

De man vorderde in eerste aanleg, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. De vordering van de man op de vrouw vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een nominaal bedrag van € 35.651,89;

B. Te bepalen dat de onder A. genoemde vordering uiterlijk voldaan zal worden bij vervreemding van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] ;

C. Te bepalen dat de vrouw wettelijke rente over de onder A. genoemde vordering verschuldigd is vanaf de dag van betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

D. De man te machtigen tot eenzijdige verkoop en levering van de onder B. genoemde woning voor een minimumbedrag van € 230.000,-, indien de vrouw geen medewerking verleent;

E. Te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de vrouw indien de vrouw geen medewerking verleent aan de verkoop en levering van de woning en aan de extra handelingen die daarvoor noodzakelijk zijn;

F. De vrouw te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening.

4. De vrouw concludeert, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

5. Ter zitting heeft de man zijn vorderingen, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3 verwoord onder B, D en E, ingetrokken.

6. De zaak betreft, kort weergegeven, het volgende. Partijen hebben tot april 2010 een affectieve relatie gehad. Zij zijn in de woning, die in eigendom was bij de vrouw, in mei 2007 gaan samenwonen, nadat de man de hem in eigendom toebehorende woning had verkocht. Vervolgens hebben partijen in 2008 samen de woning aan de [adres] ) [plaatsnaam] gekocht en zijn daarin gaan samenwonen. Partijen hebben toen ook een samenlevingsovereenkomst gesloten. De woning van de vrouw is daarna in mei 2008 verkocht, waaruit een restschuld van € 25.279,64 bleef. Deze hebben partijen afgelost, deels door een betaling door de man uit zijn middelen van € 5.279,64 en deels via een lening van € 20.000,- bij de pensioenvennootschap [naam BV] ) van de moeder van de man. Een aantal financiële kwesties houdt partijen nog verdeeld.

Ten onrechte alle vorderingen van de man afgewezen? (eerste grief)

7. In de eerste grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte al zijn vorderingen heeft afgewezen. De man stelt dat dit een algemene grief is, maar dat de rechtbank een volkomen onjuiste opvatting heeft over hetgeen tussen partijen in het geding is.

8. De vrouw stelt dat dit een veeggrief is die onvoldoende specifiek is.

9. Het hof zal de eerste grief passeren, omdat de man daarin onvoldoende concreet maakt welke bezwaren hij tegen het bestreden vonnis heeft en deze grief, zoals hij zelf terecht opmerkt, een algemene grief is.

Vrouw gehouden tot terugbetaling aan de man van het deel dat hij heeft afgelost op een lening ter grootte van € 20.000,- in verband met de restschuld ter zake de hypothecaire lening van de vrouw?

10. In de tweede grief voert de man aan, dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de man geen aanspraak kan maken op terugbetaling van het bedrag dat de man heeft betaald ter aflossing van de restschuld van de vrouw, omdat de lening van [naam BV] als gezamenlijke lening is aangegaan en de man dus is gehouden tot aflossing van de helft. De man stelt, dat hij zonder rechtsgrond heeft betaald. Hij heeft de lening afgesloten om de vrouw op dat moment te helpen. De gehele lening dient te worden betaald door de vrouw, omdat de lening is afgesloten ter aflossing van haar eigen restschuld. De gezamenlijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam] was al aangeschaft voor verkoop van de woning van de vrouw, zodat het niet zo is dat de betaling van de restschuld noodzakelijk was voor de aanschaf van de woning aan de [adres] . De man heeft het bedrag niet aan de vrouw geschonken. Het verbreken van de relatie is niet de reden dat de man dit bedrag vordert, de vordering bestond al en werd pas bij de verrekening van de financiën door de man opgeëist.

11. De vrouw stelt dat partijen een gezamenlijke lening bij de vennootschap van de moeder van de man zijn aangegaan, zodat zij ieder ook de helft van deze schuld moeten betalen. De man heeft bevestigd dat hij de helft van de geldlening niet van de vrouw zou opeisen, maar dat hij dit heeft gedaan toen de relatie veel korter duurde dan de man had verwacht. Partijen zijn niet overeengekomen dat de vrouw de man iets moest terugbetalen voor de geldlening en daarom is zij niet daartoe gehouden. De woning van de vrouw moest worden verkocht, omdat de vrouw niet in staat was dubbele lasten te dragen. Partijen wisten dat de verkoop van de woning van de vrouw zou [plaatsnaam] tot een restschuld. Desondanks hebben zij de gemeenschappelijke woning aangeschaft. Met de moeder van de man is afgesproken dat beiden ieder een bedrag van € 10.000,- aan haar vennootschap zouden terugbetalen, hetgeen ook is gebeurd.

12. Het hof overweegt als volgt.

13. In het onderhavige geval gaat het om de voldoening van de restschuld na verkoop van de woning van de vrouw. De met die woning samenhangende betalingsverplichtingen moeten in beginsel door de vrouw worden gedragen nu die woning niet gemeenschappelijk was. Het is echter aan de man om te stellen en zo nodig te bewijzen, dat hij gelden aan de vrouw heeft geleend om de restschuld van haar woning te voldoen. Het hof stelt voorop dat de vraag of bepaalde afspraken zijn gemaakt, als ook de vraag welke inhoud die afspraken hebben, moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Het komt daarbij aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De (rechts)verhouding waarin partijen tot elkaar staan is daarbij van belang.

14. Partijen hebben op 4 februari 2008 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Op die zelfde datum is aan hen de door hen gekochte woning aan de [adres] te [plaatsnaam] verkocht en geleverd. Dat de vrouw haar woning nog diende te verkopen was beide partijen op het moment van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst volkomen duidelijk. Ook was te voorzien, althans bestond de mogelijkheid, dat uit de verkoop van de woning van de vrouw een restschuld zou voortvloeien. Ondanks dit hebben partijen in de samenlevingsovereenkomst geen afspraken gemaakt over de financiering van die mogelijke restschuld. Partijen hebben in artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst wel een regeling opgenomen voor het geval de samenwoning anders dan door overlijden zou eindigen. Daarin is echter geen voorziening opgenomen over door de een ten behoeve van de ander betaalde gelden.

15. Tussen partijen is niet in geschil dat zij de overeenkomst van geldlening, waarmee de restschuld (deels) werd afgelost, met de pensioenvennootschap van de moeder van de man gezamenlijk zijn aangegaan. Ook op dat moment hebben partijen geen afspraken gemaakt over een mogelijke terugbetaling door de vrouw aan de man van zijn aandeel in de lening van de pensioenvennootschap van zijn moeder. Partijen hebben ieder de helft van die lening afgelost. Beide partijen gingen er – klaarblijkelijk – op dat moment van uit dat zij die schuld gezamenlijk zouden dragen, zonder enige aanspraak op verrekening. Dat dit zo is, volgt ook uit de verklaring van de man ter comparitie van partijen ten overstaan van de rechtbank op 22 januari 2014. De man heeft toen verklaard dat, als partijen waren blijven samenwonen, de lening gemeenschappelijk was geweest, maar dat dit (volgens de man) anders is nu partijen zo snel na het samenwonen uit elkaar zijn gegaan. Dit neemt echter niet weg dat partijen, om een samenleven in een nieuwe gezamenlijke woning te bekostigen, tezamen beslissingen in financieel opzicht hebben genomen en de man daar nu niet op kan terugkomen. Dat de man de gelden aan de vrouw zou hebben geleend, is niet komen vast te staan.

16. De man beroept zich er op dat sprake is van een door hem verrichte onverschuldigde betaling. Deze is zonder rechtsgrond gedaan, aldus de man. Het hof volgt dit standpunt niet. De man is welbewust de schuld aangegaan. De grond daarvoor lag in de samenwoningsrelatie tussen partijen. Zij wilden tezamen de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] kopen en hebben daartoe de woning van de vrouw verkocht. Om een en ander te kunnen financieren is de man de schuld aangegaan en partijen zijn er, in elk geval tot het einde van de samenwoning, beiden van uitgegaan dat hieruit geen verplichting voor de vrouw jegens de man voortvloeide. De uitspraak van dit hof van 12 december 2007 waarop de man zich beroept, ziet op een andere situatie. Daar betrof het een zakelijke schuld in verband met een bedrijf van de echtgenoot die de betreffende echtgenoten waren aangegaan en waarvoor de echtgenote moest meetekenen. In deze gaat het om een schuld die in het kader van de samenleving van partijen is aangegaan.

17. Voor zover de man zich nog beroept op ongerechtvaardigde verrijking overweegt het hof dat ook daarvan geen sprake is. Niet gezegd kan worden dat de vrouw is verrijkt door het (mede) aangaan van de schuld door de man en, als dit al zo zou zijn, deze verrijking een ongerechtvaardigd karakter zou hebben.

18. Ook het beroep van de man op strijd met de redelijkheid en billijkheid faalt. Uitgangspunt is geweest dat de lening gemeenschappelijk zou zijn. De omstandigheid dat de relatie vervolgens is verbroken maakt niet dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de man ter zake niet een vordering heeft op de vrouw.

19. De tweede grief wordt daarom gepasseerd.

Aflossing restschuld van de vrouw door de man uit zijn vermogen met een bedrag van € 5.279,64

20. De derde grief betreft het door de man ter aflossing op de restschuld van de vrouw betaalde bedrag ad € 5.279,64. Daarin voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoofdregel is dat hetgeen vrijwillig door de een is betaald ten gunste van de ander geldt als betaald zonder recht op vergoeding, tenzij partijen expliciet (mondeling dan wel schriftelijk) anders zijn overeengekomen. De man verwijst naar artikel 6:203 BW (onverschuldigde betaling). Door de vrouw is geen enkele omstandigheid aangevoerd waaruit zou moeten voortvloeien dat wel degelijk sprake was van een rechtsgrond op basis waarvan de vrouw dit bedrag niet zou hoeven terugbetalen aan de man.

21. De vrouw voert aan dat de man zich beroept op een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling, maar dat deze, indien deze al bestaat, is verjaard. De betaling is vóór dan wel op 26 mei 2008 verricht en de man heeft de dagvaarding aan de vrouw laten betekenen op 13 juni 2013. Subsidiair meent de vrouw dat hetgeen vrijwillig is betaald ten gunste van de ander geldt als zijnde betaald zonder recht op vergoeding. Een andere opvatting komt in strijd met de rechtszekerheid. Partijen zijn hieromtrent niets overeengekomen in de samenlevingsovereenkomst. Als het hof onverhoopt een andere mening is toegedaan, dan verzoekt de vrouw het hof de gevolgen daarvan uit te sluiten omdat deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en met de eisen van de redelijkheid en billijkheid zijn. De vrouw heeft op geen enkel moment in de relatie rekening gehouden met een terugbetalingsverplichting. De vrouw heeft ook uitgaven ten behoeve van de man verricht, maar heeft daarvan niets bijgehouden. In een relatie kunnen tegenprestaties ook uit het verrichten van handelingen ten gunste van de ander bestaan.

22. Ten aanzien van het beroep door de vrouw op verjaring van deze vordering van de man overweegt het hof als volgt. De man heeft daartegenover gesteld dat hij de verjaringstermijn heeft gestuit. Hij verwijst daartoe naar de e-mailwisseling tussen partijen die op 3 december 2012 plaatsvond. De vrouw heeft deze stelling van de man verder niet weersproken, zodat niet is komen vast te staan dat de vordering is verjaard.

23. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Het hof verwijst hiervoor mede naar wat het hof hiervoor in rechtsoverweging 13 heeft overwogen. Terecht overweegt de rechtbank dat in geval van een niet-huwelijkse samenwoningsrelatie geldt dat niet elke vermogensverschuiving leidt tot een vergoedingsaanspraak. Dit hangt af van de rechtsverhouding tussen partijen en de afspraken die zij daarover met elkaar hebben gemaakt. Daarbij moet acht worden geslagen op de verklaringen en gedragingen van partijen. Partijen hadden een affectieve relatie waarin zij elkaar wederzijds hebben verzorgd en waarin zij de samenwoning in een nieuwe, door hen aangekochte woning, financieel hebben gerealiseerd, onder andere door er gezamenlijk voor zorg te dragen dat de restschuld op de woning van de vrouw werd afgelost. Partijen hebben geen afspraak gemaakt over een verplichting van de vrouw, dit bedrag terug te betalen aan de man, indien de samenleving zou eindigen, noch in de samenlevingsovereenkomst, noch nadien toen de man de betaling verrichtte. Uit de handelwijze en het gedrag van partijen leidt het hof af dat de man zich kennelijk gehouden achtte voornoemd bedrag als eigen schuld te voldoen, zonder dat hier een vergoedingsrecht tegenover stond. Dat sprake zou zijn van een lening van de man aan de vrouw heeft de man niet onderbouwd. Ook de derde grief wordt gepasseerd.

Aanspraken van de man ter zake van het opgestelde ‘verdelingsoverzicht’

24. In de vierde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man geen aanspraak heeft op de vrouw ter zake van de verdeling, omdat de man onvoldoende gesteld c.q. bewezen heeft ten aanzien van de vordering. De man heeft zowel de akte van verdeling als het verdelingsoverzicht van de notaris bijgevoegd. Het betreft de volgende posten:

 Een bedrag ad € 2.228,25 inzake onterecht aanzuiveren van de gezamenlijke rekening door de man naar aanleiding van de tekorten die daarop ontstonden omdat de belastingteruggave met betrekking tot hypotheekrente aftrek niet op de gezamenlijke rekening werd gestort en daardoor tekorten ontstonden;

 Een bedrag van € 5.525,- inzake een door de vrouw ontvangen teruggave van de belastingdienst wegens hypotheekrente aftrek met betrekking tot de periode dat partijen samenwoonden;

 Een bedrag van € 3.400,- inzake de door de vrouw ontvangen teruggave van de belastingdienst wegens aftrek van hypotheekrente met betrekking tot de periode na het verbreken van de samenwoning van april 2010 tot en met december 2012.

De man heeft de vordering ter zake de post accountantskosten van € 1.130,50 ter zitting in hoger beroep ingetrokken.

De posten hebben partijen samen opgegeven bij de notaris en de accountant. Uit de e-mails blijkt duidelijk dat ook de vrouw in de gelegenheid is gesteld om haar mening te geven of stukken in te brengen. De vrouw heeft nimmer expliciet aangegeven dat zij het niet eens was met de verdeling. Uiteindelijk heeft zij de stukken niet getekend. De man legt een verklaring van de accountant inzake de besprekingen met partijen over en een overzicht van de lasten en investeringen voor de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] . Hij is van mening dat partijen over deze vorderingen overeenstemming hadden, hetgeen, aldus de man, volgt uit verschillende e-mails die de vrouw aan de man heeft gestuurd.

25. De vrouw stelt dat de akte van verdeling van de notaris en het verdelingsoverzicht zijn gebaseerd op posten die door de man zijn opgegeven. De vrouw had hierin geen inspraak want zij kon niet beschikken over de gezamenlijke administratie. De vrouw is dan ook niet akkoord gegaan en heeft de overeenkomst niet getekend. Uit de verklaring van de accountant volgt dat partijen drie jaren hebben getracht overeenstemming te bereiken over de verdeling. Dat de vrouw inzage kreeg in de door de man aangeleverde stukken betekent niet dat zij ook inspraak en inbreng heeft gehad bij de totstandkoming van het verdelingsvoorstel. Partijen zijn niet overeengekomen dat de maandelijkse belastingteruggave op een gezamenlijke rekening zou worden gestort. De man heeft dan ook niet voldaan aan zijn stelplicht.

26. Het hof overweegt dat het verdelingsvoorstel een samenstel van verschillende posten betreft, waaronder de hiervoor onder 24 weergegeven posten. Over dit voorstel is geen overeenstemming bereikt. Niet gezegd kan dan worden dat dit ten aanzien van de genoemde posten wel het geval zou zijn, nu deze onderdeel uitmaken van een meeromvattend voorstel. De vrouw stelt verder dat zij niet akkoord is gegaan met de hiervoor weergegeven posten. Nu de vrouw de verschuldigdheid van enig bedrag ter zake van deze posten betwist, had het op de weg van de man gelegen, deze posten deugdelijk te onderbouwen. Dit heeft de man nagelaten. Verder merkt het hof op dat de belastingteruggaven deels betrekking hebben op de periode van samenwoning en deels op de periode daarna. De vrouw mag slechts de helft van de rente van de hypothecaire geldlening in aftrek brengen in haar belastingaangifte, evenals de man. Het is het hof niet duidelijk geworden wie welk fiscaal voordeel heeft genoten, zowel voor als na de verbreking van de samenwoning. Bovendien betwist de vrouw dat zij zijn overeengekomen dat de maandelijkse belastingteruggave op een gezamenlijke rekening zou worden gestort. Tussen partijen staat wel vast dat zij voor de periode na de samenwoning een verdeling van de lasten van de woning - drie vierde gedeelte door de vrouw en een vierde gedeelte door de man - zijn overeengekomen, maar ten aanzien van deze door de man gestelde afspraak is dit niet komen vast te staan.

Investeringen en onderhoudskosten

27. Het hof zal de vijfde en zesde grief gezamenlijk bespreken.

28. In de vijfde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de man geen vordering op de vrouw heeft ter zake van onderhoudskosten, investeringen rondom de aanschaf van de woning en overige lasten die in het overzicht van de accountant en de notaris zijn meegenomen. De vrouw heeft geen bewijzen overgelegd, dat zij voldoende onderhoud heeft verricht aan de gezamenlijke woning na het verbreken van de relatie tussen partijen. Partijen hebben een bedrag van € 3.000,- op jaarbasis berekend ten behoeve van onderhoud van de woning. Dat is tot 31 december 2012 een post van € 8.000,-. De vrouw heeft slechts € 500,- aan onderhoud besteed, zo schat de man en daarom heeft hij recht op een teruggave. In de zesde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de investering in de woning niet door de man is terug te vorderen. De man wijst op artikel 6 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst, waarin is bepaald dat alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de eigendom van de gemeenschappelijke woning die niet onder kosten van de huishouding vallen, voor beider rekening, ieder voor de helft, komen. De rechtbank heeft zich gebaseerd op artikel 6 lid 3 in plaats van artikel 6 lid 2. Op grond van artikel 6 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst heeft de man een vorderingsrecht. De bedragen die de man vordert zijn gebaseerd op daadwerkelijke afschrijvingen en overboekingen en deze zijn niet ontkend door de vrouw. De man vindt het onbegrijpelijk dat de rechtbank de vorderingen onvoldoende gespecificeerd acht. De man legt een overzicht over als productie 7, ingediend op 2 september 2016.

29. De vrouw stelt dat zij na de verbreking van de samenwoning in de woning zou blijven wonen en dat zij drie vierde van de lasten op zich zou nemen en de man een vierde deel. Over onderhoudskosten is tussen partijen niets overeengekomen, ook niet dat die kosten van een bepaalde rekening zouden worden betaald. Beide partijen zouden aan het onderhoud bijdragen. De vrouw heeft het nodige onderhoud gepleegd en dat ook betaald. De vrouw betwist dat partijen jaarlijks € 3.000,- zouden reserveren voor onderhoud. De vrouw heeft de kosten van door haar gepleegd onderhoud zelf gedragen. Zij heeft daarvan geen administratie bijgehouden. Partijen hadden ook niet afgesproken dat de vrouw dit moest doen. De woning is in goede staat van onderhoud verkocht. De vrouw stelt dat de man zich in eerste aanleg heeft beroepen op artikel 6 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst. De man onderbouwt nog altijd niet zijn vordering. De vrouw heeft de door de man genoemde bedragen betwist. De vrouw is niet bekend met investeringen door de man in de woning en hij heeft de investeringen niet onderbouwd. De man heeft tijdens de relatie nooit de voorwaarde gesteld dat de vrouw de helft zou moeten terugbetalen. De man heeft niet voorafgaand aan het maken van kosten daarover overleg gevoerd met de vrouw en daarom kan hij geen aanspraak maken op verrekening van de kosten. Ook het door de man als productie 7 op 2 september 2016 overgelegde overzicht betwist de vrouw. Zij heeft meerdere overzichten onder ogen gehad, die telkens verschillend waren.

30. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben, althans de man heeft, een overzicht en een berekening gemaakt van wat de kosten mogelijk zouden kunnen zijn. Over de werkelijke kosten en over de redelijkheid van die kosten zijn tussen partijen geen afspraken gemaakt. De onderbouwing door de man van de kosten is onvoldoende. Hij heeft wel enkele bonnen overgelegd maar waar die bonnen betrekking op hebben is door de man niet onderbouwd. Daarmee heeft de man ten aanzien van de door hem gestelde investeringen niet voldaan aan zijn stelplicht. Ook ten aanzien van het onderhoud dat de vrouw na de verbreking van de samenwoning zou plegen staat niet vast dat de vrouw onvoldoende onderhoud heeft gepleegd. Partijen hebben over deze kosten een schatting gemaakt en daarvoor een stelpost afgesproken. De man betaalde maandelijks aan de vrouw één bedrag voor de hypothecaire lening, verzekering en onderhoud, zoals hij ook ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard. Hij stelt weliswaar dat hij verschillende malen de gezamenlijke rekening heeft moeten aanzuiveren, maar heeft deze stelling niet deugdelijk onderbouwd. Het gaat niet aan om achteraf van de vrouw te eisen dat zij alle gedane uitgaven in verband met onderhoud aan de woning specificeert en aantoont, terwijl partijen vooraf een door de man te betalen bedrag hebben afgesproken waaruit de vrouw alle lasten van de woning zou betalen. De man heeft in de periode na de samenwoning het verrichten van onderhoud aan de vrouw overgelaten. Dat de vrouw slechts in geringe mate onderhoud zou hebben gepleegd wordt door de vrouw betwist en is door de man niet onderbouwd. De man geeft niet aan waar de vrouw in gebreke zou zijn gebleven met het onderhoud en hij heeft niet betwist dat de woning in een goede staat van onderhoud is verkocht. Het hof acht geen grond aanwezig om, zoals de man betoogt, de bewijslast om te keren. De vijfde en zesde grief worden gepasseerd.

Slotsom; proceskosten

31. De slotsom is dat alle grieven falen. Dit betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om de man in de kosten te veroordelen – noch in eerste aanleg noch in hoger beroep - en zal de proceskosten ook in hoger beroep compenseren.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, I. Obbink-Reijngoud en A. van Montfoort en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.