Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:642

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
2200130716
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor terrorismefinanciering.

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van financiering van terrorisme, overtreding van de Sanctiewet 1977 jo. respectievelijk de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011 en de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II, het medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van dit vervalste geschrift tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met bijzondere voorwaarden.

De verdachte heeft in de periode van 16 september 2013 tot en met 24 december 2014, via tussenpersonen, bijna € 17.000,- verzonden naar zijn broer, die in Syrië vocht aan de kant van de terroristische organisatie IS en die op de Nationale terrorismelijst was geplaatst. De verdachte heeft, door samen met een ander een verzoek voorlopige aanslag met daarin opzettelijk onjuist ingevulde gegevens bij de Belastingdienst in te dienen, ten onrechte een geldbedrag van ruim € 10.000,- ontvangen, waarvan het grootste gedeelte is overgemaakt naar zijn broer in Syrië. Anders dan de rechtbank heeft het hof het terroristisch oogmerk bij de valsheid in geschrift en het gebruik maken van dit geschrift niet bewezen geacht.

Art. 421 Sr, art. 2 Sanctiewet jo. Sanctieregeling Al-Qa’ida dan wel Sanctieregeling Terrorisme 2007-II, art. 225 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001307-16

Parketnummer: 10-996520-15

Datum uitspraak: 10 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank

Noord-Holland te Badhoevedorp

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van

15 maart 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

[adres].

Inhoudsopgave

1. Onderzoek van de zaak

2. Procesgang

3. Het vonnis waarvan beroep

4. Tenlastelegging

5. Achtergrond

6. Juridisch kader

6.1 Algemene opmerkingen

6.2 Juridisch kader inzake artikel 421 Sr (feit 1)

6.3 Juridisch kader inzake het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 jo. de Sanctieregeling Al Qa’ida 2011 (feit 2) dan wel de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II (feit 3)

6.4 Juridisch kader inzake artikel 225 Sr (feit 4)

7. Standpunten van het Openbaar Ministerie en van de verdediging

7.1 Standpunten van het Openbaar Ministerie

7.2 Standpunten van de verdediging

8. De door het hof vastgestelde feiten

9. Bewijsoverwegingen

10. Beoordeling van de tenlastelegging

10.1 Overwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

10.2 Overwegingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

10.3 Overwegingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

10.4 Overwegingen ten aanzien van de onder 4A en 4B ten laste gelegde feiten

11. Bewezenverklaring

12. Strafbaarheid van de feiten

13. Strafbaarheid van de verdachte

14. Vordering van de advocaat-generaal

15. Strafmotivering

16. Vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis

17. Toepasselijke wettelijke voorschriften

18. BESLISSING

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van
17 februari 2017 en 10 maart 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie ter zake van het onder 4 impliciet tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard en is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 impliciet eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder de algemene en bijzondere voorwaarden, zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3 Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

4 Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat:

1.

hij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 24 december 2014

te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Hatay en/of te Istanbul en/of

(elders) in Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een)

(rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft

verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of

gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te

verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 288a en/of 289 jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)( te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) alstoen aldaar

(via (een) money transfer(s)) (een) (geld)bedrag(en) van:

-4.713 euro (op 16 september 2013) (Doc-015-07) en/of

-1.400 euro (op 21 mei 2014) (Doc-015-08) en/of

-326 euro (op 29 mei 2014) (Doc-015-02) en/of

-70 euro (op 13 juni 2014) (Doc-015-03) en/of

-5.000 euro (op 15 juli 2014) (Doc-015-09) en/of

-1.456 euro (op 6 september 2014) (Doc-015-05) en/of

-1.306 euro (op 15 september 2014) (Doc-015-06) en/of

-1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of

-965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044),

althans één of meer (geld)bedrag(en) aan (een) tussenperso(o)n(en) in

Turkije verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije verzonden,

terwijl dit/deze (geld)bedrag(en) (telkens) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, te weten ten behoeve van [man 1], zijnde de broer van verdachte en/of een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van terroristische organisatie(s) IS en/of Al-Qaida dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven;

2.

hij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 augustus 2013

tot en met 24 december 2014

te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en),

althans alleen,

(telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de

Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van

Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei

2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie

en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld door:

aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in

Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak), zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en) als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te

stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) (a) voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI

en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak) direct of

indirect (een) geldbedrag(en) ter beschikking heeft/hebben gesteld van

-4.713 euro (op 16 september 2013) (Doc-015-07) en/of

-1.400 euro (op 21 mei 2014) (Doc-015-08) en/of

-326 euro (op 29 mei 2014) (Doc-015-02) en/of

-70 euro (op 13 juni 2014) (Doc-015-03) en/of

-5.000 euro (op 15 juli 2014) (Doc-015-09) en/of

-1.456 euro (op 6 september 2014) (Doc-015-05) en/of

-1.306 euro (op 15 september 2014) (Doc-015-06) en/of

-1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of

-965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044),

althans één of meer (geld)bedrag(en) en/of

( b) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of

economische middelen ter beschikking heeft/hebben gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak);

3.

hij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 september 2014 tot en met 24 december 2014

te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Hatay en/of te Istanbul en/of

(elders) in Turkije,

tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of (een) ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 (lid 2) en/of

artikel 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 lid 4 van

de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II juncto Resolutie 1373 van de

Veiligheidsraad, heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) rechtstreeks dan wel middellijk middelen (in de vorm van (een) (geld)bedrag(en) van

-1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of

-965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044),

althans één of meer (geld)bedrag(en)

(via (een) tussenperso(o)n(en) in Turkije) aan [man 1] ter beschikking heeft/hebben gesteld terwijl [man 1] bij besluit van [datum] door de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën is aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is;

4.

(toevoeging hof) A.

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot

en met 9 juli 2014, althans op 9 juli 2014

te Leidschendam-Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en),

althans alleen,

(een) verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV en/of IBPV Verzoek 2014 (voor en/of ten behoeve van BSN [BSN] (van verdachte)) (voor het belastingjaar

2014) (Doc-004 en/of Doc-025)

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft

doen opmaken en/of doen vervalsen, immers heeft/hebben voornoemde verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid - op/in voornoemd geschrift(en)

-(een) loonbedrag(en) en/of andere inkomsten uit tegenwoordige

dienstbetrekking (afkomstig van werkgever [werkgever]) (van 150.000 euro)

en/of

-(een) aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten (van 2000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen (van 19.000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten (van 10.100

euro) en/of

-(een) bedrag giften (van 1000 euro)

vermeld en/of doen vermelden

zulks (telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken en/of

gepleegd met het oogmerk om (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) voor te bereiden of gemakkelijk te maken

en/of

(toevoeging hof) B.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari

2014 tot en met 9 juli 2014, althans op 9 juli 2014

te Leidschendam-Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer valse en/of vervalste geschrift(en) - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware deze echt en/of onvervalst, te weten (een) verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV en/of IBPV Verzoek 2014 (voor en/of ten behoeve van BSN [BSN] (van verdachte)) (voor het belastingjaar 2014) (Doc-004 en/of Doc-025) bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), dit/deze geschrift(en) (elektronisch) aan de Belastingdienst heeft gestuurd

en/of doen toekomen ter verkrijging van een belastingteruggave en/of (een) geldbedrag(en)

en bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) hierin dat in dat/die geschrift(en) valselijk en/of in strijd met de waarheid:

-(een) loonbedrag(en) en/of andere inkomsten uit tegenwoordige

dienstbetrekking (afkomstig van werkgever [werkgever]) (van 150.000 euro)

en/of

-(een) aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten (van 2000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen (van 19.000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten (van 10.100

euro) en/of

-(een) bedrag giften (van 1000 euro)

was/is vermeld en/of opgenomen en/of

gepleegd met het oogmerk om (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

5 Achtergrond

1. Het is een feit van algemene bekendheid, zoals daarvan (tevens) blijkt uit de door het hof geraadpleegde – en zonder noemenswaardige moeite te raadplegen – algemeen toegankelijke bronnen1, dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.

2. Het (alawitisch-sjiitische) regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. In reactie op de gewelddadigheden van het regime tegen de (overwegend soennitische) bevolking begon de oppositie zich aan het eind van het jaar 2011 meer en meer gewapenderhand te verzetten. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een bloedige burgeroorlog waarin zich steeds meer jihadistische groeperingen zijn gaan mengen. Hun doel was niet alleen het ten val brengen van het regime van Bashar al-Assad maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië en de terugkeer naar de ‘zuivere islam’.

3. Inmiddels is door extreem-fundamentalistische strijdgroepen in Syrië de jihad uitgeroepen tot een individuele verplichting voor iedere moslim behoudens bepaalde uitzonderingen.2 Aanvankelijk kwamen veel jihadistische opstandelingen uit Syrië zelf, maar al gauw werd het land een bestemming voor niet-Syrische jihadisten. Buitenlandse strijders, eerst voornamelijk uit het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Azië, later ook uit Europa, zijn naar Syrië gereisd om zich te mengen in de strijd. Dit geldt ook voor Nederlandse jongeren.3

4. In de strijd tegen het regime van Assad hebben zich ook twee belangrijke aan

Al-Qa’ida gelieerde jihadistische organisaties gemengd: Jabhat al-Nusra li-Ahl al-Sham (per 28 juli 2016: Jabhat Fatah al-Sham) en de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS, ook wel bekend als IS, ISIL of DAESH). ISIS stond onder leiding van de Irakees Abu Bakr al-Baghdadi en heeft zich later omgedoopt tot de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) o.a. om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken.

5. De Verenigde Naties houden ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra al vanaf 2012 verantwoordelijk voor het in Syrië op grote schaal en systematisch schenden van mensenrechten, waaronder bomaanslagen4, executies en martelingen en het plegen van oorlogsmisdaden.5 Dit moet ook duidelijk zijn voor iedereen die maar een beetje het nieuws volgt.

6. Veel van de misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (verder: IICISAR) meldt in haar rapport d.d. 12 februari 2014 dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden

“to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.” 6

7. ISIL is vanaf 2013 betrokken geweest bij ernstige mensenrechtenschendingen in de provincie Aleppo.7 De samenvatting van het rapport van IICISAR d.d. 13 augustus 2014 houdt hierover in:

Non-State armed groups, named in the report, committed massacres and war crimes, including murder, execution without due process, torture, hostage-taking, violations of international humanitarian law tantamount to enforced disappearance, rape and sexual violence, recruiting and using children in hostilities and attacking protected objects. Medical and religious personnel and journalists were targeted. Armed groups besieged and indiscriminately shelled civilian neighbourhoods, in some instances spreading terror among civilians through the use of car bombings in civilian areas. Members of the Islamic State of Iraq and Al-Sham (ISIS) committed torture, murder, acts tantamount to enforced disappearance, and forcible displacement as part of an attack on the civilian population in Aleppo and Ar Raqqah governorates, amounting to crimes against humanity. 8

8. Op 29 juni 2014 is in een verklaring van ISIL het islamitisch kalifaat (Khilafa) uitgeroepen in de door ISIL veroverde gebieden. ISIL wordt omgedoopt in Islamitische Staat (IS).9 Als ‘kalifaat’ claimt IS het religieus, politiek en militair gezag over alle moslims over de gehele wereld. Abu Bakr al-Baghdadi, de emir van de organisatie, wordt aangesteld als ‘kalief’ van IS. Alle moslims ter wereld worden vervolgens opgeroepen de eed van trouw af te leggen aan de zelf gekroonde ‘kalief’ Abu Bakr al-Baghdadi en zich in IS-gebied te vestigen. De eedaflegging wordt als een plicht beschouwd, heeft een bindend effect en geldt voor het hele leven. De aardse sanctie op de schending van de eed is de dood. Door trouw te zweren aan de terroristische groepering IS, tekenen uitreizigers voor een leven dat wordt gekenmerkt door buitensporig geweld en een allesomvattende ideologie waarin iedereen buiten IS als ongelovig en dus inferieur en daarmee als rechtmatig doelwit wordt weggezet.10 Mannen die trouw hebben gezworen aan de ‘kalief’, moeten altijd oproepbaar zijn voor de strijd.11

9. Jabhat al-Nusra en IS worden door de VN en een groot aantal daarvan deel uitmakende landen en ook de Europese Unie, inmiddels gezien als terroristische organisaties.12

6 Juridisch kader

6.1

Algemene opmerkingen

Aan de verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd:

1. medeplegen van) het financieren van terrorisme (artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht (Sr));

2. ( medeplegen van) het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011;

3. ( medeplegen van) het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling terrorisme 2007-II;

4A. (medeplegen van) valsheid in geschrift met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (artikel 225, lid 1 en 3 Sr);

4B. (medeplegen van) opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr, als ware het echt en onvervalst met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (artikel 225, lid 2 en 3 Sr).

Het hof zal hieronder eerst het juridisch kader van de voormelde bepalingen uiteenzetten.

6.2

Juridisch kader inzake artikel 421 Sr (feit 1)

6.2.1

Algemene opmerkingen

1. Het ten laste gelegde onder 1 is toegesneden op artikel 421 Sr, waarin het financieren van terrorisme strafbaar is gesteld.

2. Artikel 421 Sr luidt als volgt:

1. Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;

b. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een van de misdrijven omschreven in:

- de artikelen 117 tot en met 117b alsmede artikel 285, indien dat misdrijf is gericht tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen;

- de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, de artikelen 161quater, 173a en 284a alsmede de artikelen 140, 157, 225, 310 tot en met 312, 317, 318, 321, 322 en 326, indien het feit opzettelijk wederrechtelijk handelen betreft met betrekking tot kernmateriaal;

- de artikelen 162, 162a, 166, 168, 282a, 352, 385a tot en met 385d;

- de artikelen 92 tot en met 96, 108, 115, 121 tot en met 123, 140, 157, 161, 161bis, 161sexies, 164, 170, 172, 287, 288 en 289, indien het feiten betreft die worden gepleegd door middel van het opzettelijk wederrechtelijk tot ontlading of ontploffing brengen van een springstof of ander voorwerp, of het laten vrijkomen, verspreiden of inwerken van een voorwerp, waardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of aanzienlijke materiële schade te duchten is.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

3. Artikel 421 Sr is op 1 september 2013 in werking getreden.

4. Artikel 421 Sr geeft uitvoering aan artikel 2 jo. artikel 4 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (verder: het Verdrag).13 Dit Verdrag is op 10 april 2002 voor Nederland in werking getreden.14

5. Artikel 2 van het Verdrag luidt als volgt:

1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van:

a. een gedraging/handeling die een strafbaar feit vormt binnen het toepassingsgebied van en als omschreven in een van de verdragen vermeld in de bijlage; of

b. enige andere gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;

[…]

3. Om een gedraging/handeling een strafbaar feit te doen zijn als omschreven in het eerste lid, is het niet noodzakelijk dat de fondsen feitelijk zijn gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit bedoeld in het eerste lid, onderdelen a. of b.

4. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel.

5. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon:

a. als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel;

b. het plegen van een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel organiseert of anderen opdracht geeft tot het plegen daarvan;

c. bijdraagt tot het plegen van een of meer strafbare feiten als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel door een groep personen die optreden met een gemeenschappelijk doel. Deze bijdrage dient opzettelijk te zijn en te worden geleverd:

i. hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het criminele doel van de groep, wanneer een dergelijke activiteit of doel het plegen van een strafbaar feit inhoudt als omschreven in het eerste lid van dit artikel; of

ii. hetzij met de wetenschap van de bedoeling van de groep een strafbaar feit als omschreven in het eerste lid van dit artikel te plegen.

6. Op grond van artikel 4 van het Verdrag zijn de staten partij bij het Verdrag gehouden de in artikel 2 omschreven strafbare feiten strafbaar te stellen in hun respectievelijke nationale wetgeving en daarop passende straffen te stellen die rekening houden met de ernst van de feiten.

7. Uit de Memorie van Toelichting bij de goedkeuring en uitvoering van het Verdrag in 2001 volgt dat de wetgever indertijd het standpunt innam dat aan de verplichting tot strafbaarstelling ingevolge het bepaalde in artikel 2 jo. artikel 4 van het Verdrag kon worden voldaan op grond van de reeds bestaande in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bepalingen, waaronder in het bijzonder de voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in artikel 46 en de strafbaar gestelde deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft om misdrijven te plegen in artikel 140 Sr.15

8. De wetgever is inmiddels tot de slotsom gekomen dat de indertijd gekozen benadering op een enkel punt niet helemaal sluitend was. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van artikel 421 Sr wordt dat als volgt toegelicht:

‘Enkele van de zeer vele bij de ratificatie van de afzonderlijke verdragen aangewezen strafbare feiten als zijnde nodig voor uitvoering van die verdragen, werden niet bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren of hoger; nochtans een vereiste voor toepassing van artikel 46 Sr.’ 16

9. Het voorgaande liet echter onverlet dat in de visie van de wetgever de Nederlandse wetgeving ook met de keuze om terrorismefinanciering niet apart strafbaar te stellen, voldeed aan de Speciale Aanbeveling II van de Financial Action Task Force (verder: FATF) uit 200417 (thans Aanbeveling 5)18, gelezen in samenhang met de door de FATF opgestelde Interpretative Note (een verbindende uitleg), waarin een elftal eisen zijn geformuleerd waaraan de strafbaarstelling van terrorismefinanciering dient te voldoen.19

10. In 2011 heeft de FATF naar aanleiding van de evaluatie van het Nederlandse beleid en de wetgeving inzake de bestrijding van witwassen en de terrorismefinanciering aan Nederland de aanbeveling gedaan voor de bestrijding van het financieren van terrorisme toch te komen tot een autonome strafbaarstelling van terrorismefinanciering.20 Met de invoering van artikel 421 Sr is uitvoering gegeven aan de genoemde aanbeveling.21 Een zelfstandige strafbaarstelling werd gezegd toch een meerwaarde te kunnen hebben in termen van eenvoudige toepassing en herkenbaarheid. Voorts bood het opstellen van een autonome strafbaarstelling de gelegenheid om inhoud en bereik van de strafbaarstelling te verduidelijken.22

6.2.2

Bestanddelen van artikel 421 Sr

6.2.2.1 Het opzet op het financieren van terrorisme

1. De wetgever heeft ervoor gekozen het vereiste opzet bij de dader tot uitdrukking te laten komen in de delictsomschrijving door opneming van de term ‘opzettelijk’ in artikel 421 Sr. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan artikel 2 van het Verdrag, waarin wordt verplicht tot strafbaarstelling van verstrekking van financiële middelen als dit geschiedt

‘met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden’.

2. De wetgever heeft met de term ‘opzettelijk’ beoogd zowel het oogmerk als het voorwaardelijk opzet in de strafbaarstelling tot uitdrukking te laten komen. Ter toelichting merkt de Minister van Veiligheid en Justitie in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van artikel 421 Sr heeft geleid, hierover op:

‘Het in artikel 2 van het VN Verdrag opgenomen «met de bedoeling dat» komt overeen met de uitleg die in het Nederlandse strafrecht doorgaans wordt gegeven aan handelen «met het oogmerk om». Het oogmerk veronderstelt een sterke wil bij de dader van het beoogde resultaat van zijn handelen. Het vaststellen van voorwaardelijk opzet is daarvoor onvoldoende. In de Nederlandse strafrechtsleer wordt de tweede opzetmodaliteit die artikel 2 van het VN Verdrag vermeldt, «met de wetenschap dat», beschouwd als een meer algemene uitdrukking van het opzet van de dader. Hiervoor is in beginsel het vaststellen van voorwaardelijk opzet – bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat het handelen het vermelde resultaat heeft – voldoende (J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, blz. 245-249). (…) Hieruit volgt ook dat telkens voorwaardelijk opzet bij de dader voldoende is voor strafbaarheid: dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme.’ 23

3. De dader behoeft niet het oog te hebben op het financieren van een specifiek misdrijf. Bewezen moet worden dat het opzet van de dader is gericht op het financieren van een misdrijf dat valt binnen de in artikel 421 Sr genoemde verzameling misdrijven, zonder dat daarbij van belang is om welk misdrijf het exact gaat.24

4. Evenmin is van belang of

‘het na de verstrekte geldelijke steun uiteindelijk komt tot het plegen van een daad van terrorisme.’ 25

5. Van strafbaarheid is verder ook sprake wanneer bij het plegen van een daad van terrorisme daarbij de verleende geldelijke steun niet is gebruikt.26

6. Het is niet van belang hoe het gefinancierde terroristische misdrijf na voltooiing uiteindelijk strafrechtelijk wordt gekwalificeerd.

‘(W)ordt het feit slechts aangemerkt als eenvoudige zaaksvernieling (artikel 350 Sr), dan doet dit niet af aan de strafbaarheid van de financiering als deze zag op een gekwalificeerde vorm van vernieling – bijvoorbeeld vernieling met een terroristisch oogmerk (artikel 354a Sr) of de vernieling van een luchtvaartuig (artikel 168 Sr) genoemd in onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 421 Sr. 27

7. Op grond van punt 2 van de Interpretative note bij Aanbeveling 5 van de FATF is de wetgever voorts ook gehouden de financiering van (individuele) terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen. Deze Interpretative note houdt op dit punt in:

2. Terrorist financing offences should extend to any person who wilfully provides or collects funds or other assets by any means, directly or indirectly, with the unlawful intention that they should be used, or in the knowledge that they are to be used, in full or in part: (a) to carry out a terrorist act(s); (b) by a terrorist organisation; or (c) by an individual terrorist. 28

8. De wetgever heeft daar uitvoering aan gegeven via de band van het voorwaardelijk opzet. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van artikel 421 Sr heeft geleid wordt daarover het volgende opgemerkt:

Ten slotte merk ik op dat op basis van het hiervoor uiteengezette opzetverband, de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme kan betreffen, indien daarmee door de verdachte bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden. 29

9. In de hiervoor reeds genoemde Nota naar aanleiding van het Verslag stelt de Minister van Veiligheid en Justitie nadrukkelijk dat het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is, strafbaar is. De verstrekker van de geldelijke steun moet wel wetenschap hebben van de betrokkenheid bij terroristische activiteiten van de ontvanger van de geldelijke steun. De Minister van Veiligheid en Justitie zegt hierover het volgende:

Verder verheft de autonome strafbaarstelling boven elke twijfel dat de poging tot het plegen van het misdrijf financieren van terrorisme in alle omstandigheden strafbaar is. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is: [onderstreping van het hof] op basis van de voorgestelde strafbaarstelling is het verschaffen van geldelijke steun aan een dergelijk persoon strafbaar via de band van (voorwaardelijk) opzet.30

10. Samengevat houdt het voorgaande in dat op grond van het bepaalde in artikel 421 Sr met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven.

11. Voor de bewijsbaarheid van een op artikel 421 Sr toegesneden tenlastelegging speelt geen rol of de verdachte heeft gehandeld uit loyaliteitsgevoelens jegens een familielid of (goede) vriend dan wel uit ideologische overtuiging.

6.2.2.2 Misdrijven waarop de financiering ziet

1. In de eerste plaats zijn de daden van terrorisme waarop de financiering kan zien, die welke op grond van artikel 421, lid 1, Sr als terroristisch misdrijf zijn aangemerkt door de Wet terroristische misdrijven31 ter implementatie van het Kaderbesluit terrorismefinanciering.32 Verwezen zij naar artikel 83 Sr.

2.
In de tweede plaats wordt in artikel 421, lid 1, Sr strafbaar gesteld de financiering van de misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Deze misdrijven zijn in artikel 83b Sr als misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf aangemerkt door de Wet van 12 juni 2009.33 Dit heeft mede plaatsgevonden naar aanleiding van de uitvoering van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme van de Raad van Europa.34

3. De Memorie van Toelichting bij de wet die tot invoering van artikel 421 Sr heeft geleid, biedt enkele voorbeelden:

Deze is denkbaar, bijvoorbeeld in de vorm van geldelijke ondersteuning van een opruiingscampagne (artikel 131 Sr) of van een netwerk gericht op rekrutering van personen voor de gewapende strijd in het buitenland (artikel 205 Sr). 35

4. In de derde plaats wordt in artikel 421, lid 2, Sr een opsomming gegeven van Nederlandse strafbepalingen die uitvoering geven aan de verplichting tot strafbaarstelling van het financieren van bepaalde gedragingen uit negen verdragen van de Verenigde Naties zoals in het Verdrag omschreven.36

5. Tot slot is ook de financiering van individuele terroristen en van terroristische organisatie strafbaar. Die strafbaarheid is een uitwerking van de in punt 2 van de Interpretative note bij Aanbeveling 5 opgenomen verplichting. In de Memorie van Toelichting wordt uitgelegd dat aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven langs de weg van het voorwaardelijk opzet zoals ook hiervoor reeds is opgemerkt.

De geldelijke ondersteuning van een persoon die volgens de FATF-terminologie dient te worden aangeduid als «terrorist» (zijnde een persoon die terroristische daden pleegt, dan wel aan het plegen daarvan als medeplichtige, of als leider van of deelnemer aan een organisatie acteert die tot oogmerk heeft het plegen terroristische misdrijven) is via de band van voorwaardelijk opzet strafbaar: de dader aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische daden. 37

6. De achterliggende gedachte, zo begrijpt het hof, is dat met de – al dan niet individuele - financiering de terroristen en de terroristische organisaties in staat worden gesteld hun misdrijven te blijven plegen.

6.2.2.3 De financieringshandelingen

In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven dat het financieren van terrorisme een veelvoud van verschijningsvormen kan aannemen. Het gaat om ‘alle wijzen waarop in financieel en economisch opzicht steun wordt geboden aan het plegen van daden van terrorisme of feiten die daarmee direct verband houden.’38 In de delictsomschrijving wordt dit samengevat als het ‘verlenen van geldelijke steun’, hetgeen inhoudt het verlenen van enig in geld waardeerbaar voordeel. Het is niet van belang om welke voorwerpen het gaat waarmee het voordeel wordt verleend, noch of deze een legale of illegale herkomst hebben. De zinsneden ‘geheel of gedeeltelijk’ en ‘onmiddellijk of middellijk’ leiden ertoe dat ook financiering van slechts een deel van een terroristische daad of financiering die plaatsvindt via andere personen of rechtspersonen, onder de werking van de strafbepaling valt. 39

6.3

Juridisch kader inzake het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 jo. de Sanctieregeling Al Qa’ida 2011 (feit 2) dan wel de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II (feit 3)

1. Het ten laste gelegde onder de feiten 2 en 3 is toegesneden op overtreding van de Sanctiewet 1977 jo. respectievelijk de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011 dan wel de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II, waarin het financieren van terrorisme strafbaar is gesteld.

2. De Sanctiewet 1977 biedt een wettelijke grondslag voor de totstandkoming van nationale regels ter uitvoering van internationale sancties ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme.40

3.
Bij Wet van 16 mei 2002 tot wijziging van de Sanctiewet 1977 met het oog op de implementatie van internationale verplichtingen gericht op de bestrijding van terrorisme en uitbreiding van het toezicht op de naleving van financiële sanctiemaatregelen is in artikel 2, lid 1 Sanctiewet 1977 uitdrukkelijk de bestrijding van terrorisme opgenomen als doelstelling die met de uitvaardiging van maatregelen op grond van een internationale titel kunnen worden getroffen.41

4. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft sedert het Verdrag verscheidene resoluties aangenomen die betrekking hebben op maatregelen ter voorkoming en verhindering van de financiering van terroristen en terroristische organisaties. De Raad van de Europese Unie (verder: de Raad) heeft in dat verband optreden van de Europese Gemeenschap en later de Europese Unie noodzakelijk geacht.

De Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011

5. De VN Veiligheidsraad heeft op 16 januari 2002 Resolutie 1390 (2002) aangenomen.42

Onder punt 2 (a) wordt aan de staten de volgende plicht opgelegd:

(a) Freeze without delay the funds and other financial assets or economic

resources of these individuals, groups, undertakings and entities, including funds derived from property owned or controlled, directly or indirectly, by them or by persons acting on their behalf or at their direction, and ensure that neither these nor any other funds, financial assets or economic resources are made available, directly or indirectly, for such persons’ benefit, by their nationals or by any persons within their territory;

6. De Raad heeft ter uitvoering van VN Resolutie 1390 (2002) de Verordening (EG) nr. 881/2002 vastgesteld.43 Artikel 2, lid 1 van deze verordening bepaalt dat alle tegoeden van de op de bij die verordening behorende bijlage I vermelde personen, entiteiten of lichamen moeten worden bevroren. Artikel 2, leden 2 en 3, van deze verordening verbiedt het (direct of indirect) ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen waardoor die personen, groepen of entiteiten tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven, aan de in de bijlage I genoemde personen, entiteiten of lichamen. Voorts verbiedt artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 de voorschriften neergelegd in artikel 2 van genoemde verordening (direct of indirect) te omzeilen.

7. Bijlage I van voornoemde verordening houdt in een lijst van de in artikel 2 bedoelde personen, groepen en entiteiten. De lijst wordt regelmatig gewijzigd en/of aangevuld. Het VN-Sanctiecomité houdt een geconsolideerde lijst bij van alle personen en entiteiten die onderworpen zijn aan de door de Veiligheidsraad opgelegde sanctiemaatregelen.44Dat is de Consolidated United Nations Security Council Sanctions List (verder: VN-Sanctielijst).45Artikel 7, lid 1 van Verordening (EG) nr. 881/2002 bepaalt dat de Commissie wordt gemachtigd bijlage I te wijzigen of aan te vullen op basis van besluiten van de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité van de Verenigde Naties. Aldus leiden aanpassingen van VN-Sanctielijst tot wijziging van de hiervoor genoemde bijlage I van deze verordening (hierna ook: de EU-sanctielijst).

8. Nederland heeft aan Verordening (EG) nr. 881/2002 uitvoering gegeven door onder meer de Sanctieregeling Osama bin Laden, Al-Qa’ida en Taliban 2002.46 Deze regeling is met ingang van 11 oktober 2011 hernoemd tot de Sanctieregeling Al-Qa’ida 201147 en is per 24 december 2016 ingetrokken48 en vervangen door de Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016.49

9. De Sanctieregeling Al Qa‘ida 2011, die relevant is voor de beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde, betrof voorschriften die waren gesteld krachtens de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 zoals hiervoor onder nr. 2 uiteengezet. De Sanctieregeling Al Qa‘ida 2011 hield in dat het verboden is om te handelen in strijd met onder meer de hiervoor reeds genoemde artikelen 2 en 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002.

10. Op 30 mei 2013 wordt Islamic State in Iraq and the Levant (ISIL) toegevoegd aan de VN-Sanctielijst.50

11. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr, 632/2013 van 28 juni 2013 wijzigt de Commissie vervolgens bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 als volgt:

De vermelding “Al-Qaida in Iraq (ook bekend als a) AQI, b) al-Tawhid, c) the Monotheism and Jihad Group, d) Qaida of the Jihad in the Land of the Two Rivers, e) Al-Qaida of Jihad in the Land of the Two Rivers, f) The Organization of Jihad’s Base in the Country of the Two Rivers, g) The Organization Base of Jihad/Country of the Two Rivers, h) The Organization Base of Jihad/Mesopotamia, i) Tanzim Qa’idat Al-Jihad fi Bilad al-Rafidayn, j) Tanzeem Qa’idat al Jihad/Bilad al Raafidaini, k) Jama’at Al-Tawhid Wa’al-Jihad, l) JTJ, m) Islamic State of Iraq, n) ISI, o) al-Zarqawi network). (…)” in de lijst “Rechtspersonen, groepen en entiteiten” wordt vervangen door:

“De vermelding Al-Qaida in Iraq (ook bekend als a) AQI, b) al-Tawhid, c) the Monotheism and Jihad Group, d) Qaida of the Jihad in the Land of the Two Rivers, e) Al-Qaida of Jihad in the Land of the Two Rivers, f) The Organization of Jihad’s Base in the Country of the Two Rivers, g) The Organization Base of Jihad/Country of the Two Rivers, h) The Organization Base of Jihad/Mesopotamia, i) Tanzim Qa’idat Al-Jihad fi Bilad al-Rafidayn, j) Tanzeem Qa’idat al Jihad/Bilad al Raafidaini, k) Jama’at Al-Tawhid Wa’al-Jihad, l) JTJ, m) Islamic State of Iraq, n) ISI, o) al-Zarqawi network), p) Jabhat al Nusrah, q) Jabhet al-Nusra, r) Al-Nusrah Front, s) The Victory Front, t) Al-Nusrah Front for the People of the Levant, u) Islamic State in Iraq and the Levant).” 51

12. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 583/2014 van 28 mei 2014 wordt door de Commissie de bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 als volgt gewijzigd:

De volgende vermeldingen wordt toegevoegd aan de lijst “Rechtspersonen, groepen en entiteiten”:

“Al-Nusrah Front for the People of the Levant (ook bekend als a) the Victory Front; b) Jabhat al-Nusrah; c) Jabhet al-Nusra; d) Al-Nusrah Front; e) Al-Nusra Front; f) Ansar al-Mujahideen Network; g) Levantine Mujahideen on the Battlefields of Jihad). Overige informatie: a) actief in Syrië; b) eerder op de lijst gestaan tussen 30 mei 2013 en 13 mei 2014 als een alias van Al-Qa'ida in Irak.”

De vermelding “Al-Qaida in Iraq (ook bekend als a) AQI, b) al-Tawhid, c) the Monotheism and Jihad Group, d) Qaida of the Jihad in the Land of the Two Rivers, e) Al-Qaida of Jihad in the Land of the Two Rivers, f) The Organization of Jihad's Base in the Country of the Two Rivers, g) The Organization Base of Jihad/Country of the Two Rivers, h) The Organization Base of Jihad/Mesopotamia, i) Tanzim Qa'idat Al-Jihad fi Bilad al-Rafidayn, j) Tanzeem Qa'idat al Jihad/Bilad al Raafidaini, k) Jama'at Al-Tawhid Wa'al-Jihad, l) JTJ, m) Islamic State of Iraq, n) ISI, o) al-Zarqawi network), p) Jabhat al Nusrah, q) Jabhet al-Nusra, r) Al-Nusrah Front, s) The Victory Front, t) Al-Nusrah Front for the People of the Levant, u) Islamic State in Iraq and the Levant). (…) ” op de lijst ”Rechtspersonen, groepen en entiteiten” wordt vervangen door:

“Al-Qaida in Iraq (ook bekend als a) AQI, b) al-Tawhid, c) the Monotheism and Jihad Group, d) Qaida of the Jihad in the Land of the Two Rivers, e) Al-Qaida of Jihad in the Land of the Two Rivers, f) The Organization of Jihad's Base in the Country of the Two Rivers, g) The Organization Base of Jihad/Country of the Two Rivers, h) The Organization Base of Jihad/Mesopotamia, i) Tanzim Qa'idat Al-Jihad fi Bilad al-Rafidayn, j) Tanzeem Qa'idat al Jihad/Bilad al Raafidaini, k) Jama'at Al-Tawhid Wa'al-Jihad, l) JTJ, m) Islamic State of Iraq, n) ISI, o) al-Zarqawi network), p) Jabhat al Nusrah, q) Jabhet al-Nusra, r) Al-Nusrah Front, s) The Victory Front, t) Islamic State in Iraq and the Levant). (…)” 52

13. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 630/2014 van 12 juni 2014 heeft de Commissie de bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 als volgt gewijzigd:

“De vermelding „Al-Qaida in Iraq (ook bekend als a) AQI, b) al-Tawhid, c) the Monotheism and Jihad Group, d) Qaida of the Jihad in the Land of the Two Rivers, e) Al-Qaida of Jihad in the Land of the Two Rivers, f) The Organization of Jihad's Base in the Country of the Two Rivers, g) The Organization Base of Jihad/Country of the Two Rivers, h) The Organization Base of Jihad/Mesopotamia, i) Tanzim Qa'idat Al-Jihad fi Bilad al-Rafidayn, j) Tanzeem Qa'idat al Jihad/Bilad al Raafidaini, k) Jama'at Al-Tawhid Wa'al-Jihad, l) JTJ, m) Islamic State of Iraq, n) ISI, o) al-Zarqawi network, p) Jabhat al Nusrah, q) Jabhet al-Nusra, r) Al-Nusrah Front, s) The Victory Front, t) Islamic State in Iraq and the Levant). (…) op de lijst „Rechtspersonen, groepen en entiteiten” wordt vervangen door:


„Al-Qaida in Iraq (ook bekend als a) AQI, b) al-Tawhid, c) the Monotheism and Jihad Group, d) Qaida of the Jihad in the Land of the Two Rivers, e) Al-Qaida of Jihad in the Land of the Two Rivers, f) The Organization of Jihad's Base in the Country of the Two Rivers, g) The Organization Base of Jihad/Country of the Two Rivers, h) The Organization Base of Jihad/Mesopotamia, i) Tanzim Qa'idat Al-Jihad fi Bilad al-Rafidayn, j) Tanzeem Qa'idat al Jihad/Bilad al Raafidaini, k) Jama'at Al-Tawhid Wa'al-Jihad, l) JTJ, m) Islamic State of Iraq, n) ISI, o) al-Zarqawi network, p) Islamic State in Iraq and the Levant). (…)”. 53

14. Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast, voor zover hier relevant, dat in de ten laste gelegde periode Islamitische Staat in Irak (ISI), eerder bekend als

Al Qaida in Iraq (AQI) en Islamic State in Iraq and the Levant (ISIL) op de EU-sanctielijst staan, waardoor het verboden is om in die periode aan deze organisaties direct of indirect tegoeden of economische middelen ter beschikking te stellen.

De Sanctieregeling Terrorisme 2007-II

15. De VN-Veiligheidsraad heeft op 28 september 2001 resolutie 1373 (2001) aangenomen na de aanslagen die op 11 september van dat jaar hadden plaatsgevonden in de Verenigde Staten. Onder punt 1 wordt aan de staten de plicht opgelegd:

  1. de financiering van terroristische daden voorkomen en bestrijden;

  2. strafbaar stellen het bewust, door hun burgers of op hun grondgebied, ter beschikking stellen, rechtstreeks of onrechtstreeks, of inzamelen, ongeacht met welk middel, van tegoeden die zijn bestemd om te worden gebruikt of vermoedelijk zullen worden gebruikt voor het plegen van terroristische daden;

[...]

hun burgers en alle op hun grondgebied verblijvende personen of entiteiten verbieden om tegoeden, financiële of economische middelen dan wel financiële of andere daarmee verband houdende diensten, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking te stellen van personen die terroristische daden plegen of pogen te plegen, het plegen van deze daden vergemakkelijken of daaraan deelnemen, van entiteiten die eigendom zijn van, dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks worden gecontroleerd door deze personen, of van personen en entiteiten die handelen namens of onder leiding staan van deze personen. [...]

16. Nederland heeft aan voornoemde Resolutie 1373 (2001) onder meer uitvoering gegeven door de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II.54 Op basis van deze Sanctieregeling, die relevant is voor de beoordeling van het onder 3 ten laste gelegde, is het verboden om vanaf het moment dat een persoon of organisatie ingevolge de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II door de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Ministers van Justitie en Financiën is aangewezen middels een besluit (artikel 2, lid 1), financiële diensten te verrichten voor of ten behoeven van die aangewezen personen en organisaties en/of middelen (waaronder geld) ter beschikking te stellen aan die aangewezen personen en organisaties (artikel 2, leden 2 en 3).

17. [ Man 1], de broer van de verdachte, is bij besluit van [datum] aangewezen als een persoon zoals bedoeld in resolutie 1373 (2001) en daarmee als een persoon jegens wie de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is. Van deze aanwijzing is op [datum] conform artikel 2, vijfde lid, van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II mededeling gedaan in de Staatscourant.55 Daarmee is het op grond van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II verboden om vanaf die datum financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van [man 1] en/of hem middelen ter beschikking te stellen.

Wet op de economische delicten

18. Overtreding van de voormelde sanctieregelingen is strafbaar gesteld als economisch delict door middel van de Sanctiewet 1977 jo. artikel 1, aanhef en onder 1 van de Wet op de economische delicten.

19. Het is vaste jurisprudentie dat bij overtreding van de Wet op de economische delicten de leer van het kleurloos opzet geldt. Het doet derhalve – anders dan door de raadslieden gesteld - niet ter zake of men met het verbodsvoorschrift bekend was. Het opzet van de verdachte hoeft niet te zijn gericht op het wederrechtelijke aspect van zijn of haar gedraging. Het opzet dient gericht te zijn op de feitelijke gedraging. De dader van een economisch delict is strafbaar, indien hij willens en wetens heeft gehandeld (of nagelaten) zoals in de strafbepaling is omschreven.

6.4

Juridisch kader inzake artikel 225 Sr (feit 4)

6.4.1

Algemene opmerkingen

1. Het onder 4 ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225 Sr, waarin in lid 1 valsheid in geschrift en in lid 2 het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift strafbaar is gesteld. Bij toepassing van lid 3 kan de kwalificatie op basis van lid 1 respectievelijk lid 2 worden aangevuld met: ‘gepleegd met een terroristisch oogmerk’.

2. Artikel 225 Sr luidt als volgt:

1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.

3. Indien een feit, omschreven in het eerste of tweede lid, wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

6.4.2

Lid 3: Het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken

1. De in lid 3 neergelegde strafverzwaringsgrond “oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken” is ingevoerd bij de Wet terroristische misdrijven56 ter implementatie van het Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding (2002).57

2. De kern van de Wet terroristische misdrijven wordt gevormd door de artikelen 83 en 83a Sr.58 De wetgever heeft in artikel 83 Sr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden waarbij de eis wordt gesteld dat zij zijn begaan met een terroristisch oogmerk.

3. Het terroristische oogmerk is een bijzonder opzetvereiste. Het is een subjectief strafverzwarend bestanddeel waarbij het gaat om het kwade motief.59

4. De omschrijving van terroristisch oogmerk van artikel 83a Sr is ontleend aan het Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding en voorts (deels) aan artikel 2, lid 1 onder b van het Verdrag60, alsmede, op onderdelen, aan het ontwerp van een alomvattend VN-Verdrag tegen terrorisme.61

5. In artikel 83a Sr is dit oogmerk omschreven als:

het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land vrees aan te jagen danwel een overheid of internationale organisatie te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, danwel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”.

6. Het hof sluit zich aan bij de geldende dogmatiek dat oogmerk doorgaans niet verenigbaar wordt geacht met voorwaardelijk opzet. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat oogmerk zich voordoet in een andere vorm dan die van bedoeling.62

7 Standpunten van het Openbaar Ministerie en van de verdediging

7.1

Standpunten van het Openbaar Ministerie

1. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3, 4A en 4B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

2. Hij heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven, nader toegelicht in het overgelegde op schrift gestelde requisitoir – aangevoerd dat de verdachte, samen met een ander, door middel van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van dit geschrift de Belastingdienst ruim € 10.000,- afhandig heeft gemaakt. De verdachte heeft deze feiten gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

3. Dit geldbedrag, althans een gedeelte daarvan, aangevuld met andere geldbedragen tot een totaalbedrag van bijna € 17.000,-, is door de verdachte, via tussenpersonen in Turkije, overgemaakt naar zijn broer [man 1], die in de ten laste gelegde periode actief voor de terreurgroep IS/ISI/ISIL deelnam aan de gewapende strijd in Syrië. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan financiering van terrorisme. Immers, door geld te geven aan een strijder wordt deze (ongeacht waar hij het geld voor gebruikt) in staat gesteld in Syrië te blijven en zijn deelname aan de gewapende strijd voort te zetten.

4. Voorts heeft de verdachte, door in totaal negen keer geld naar zijn broer over te maken, opzettelijk artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 overtreden en daarmee de Sanctieregeling Al Qa’ida 2011. Hij heeft hiermee indirect gelden ter beschikking gesteld aan de strijdgroep waarvan zijn broer deel uitmaakte, welke strijdgroep in de ten laste gelegde periode op de EU-Sanctielijst stond als zijnde een entiteit die is onderworpen aan sanctiemaatregelen en aan welke groep het verboden is om direct of indirect tegoeden ter beschikking te stellen.

5. Tenslotte heeft de verdachte door, nadat zijn broer was aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is, twee keer geld aan hem over te maken, ook deze Sanctieregeling opzettelijk overtreden.

7.2

Standpunten van de verdediging

1. De raadslieden van de verdachte hebben ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit ter terechtzitting van 17 februari 2017. Zij hebben daartoe – kort en zakelijk weergegeven, nader toegelicht in de overgelegde op schrift gestelde pleitaantekeningen – aangevoerd dat bij de verdachte het (voorwaardelijke) opzet op het bepaalde in artikel 421 Sr ontbrak, aangezien hij nimmer de motivatie heeft gehad om een terrorist of terroristische organisatie te steunen en slechts erop uit was om zijn broer terug te krijgen naar Nederland.

2. Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde hebben de raadslieden eveneens vrijspraak van enige strafbaarheid bepleit. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de verdachte niet eerder dan op [datum], het moment dat de broer van de verdachte op de Nationale terrorismelijst wordt geplaatst, op de hoogte is geraakt dat de broer van de verdachte als ‘strijder van de kwade zaak’ was aan te merken.

3. Ten aanzien van de feiten onder 1, 2 en 3 hebben de raadslieden aangevoerd dat sprake is van eendaadse samenloop.

4. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit hebben de raadslieden aangevoerd dat het terroristische oogmerk niet kan worden bewezen en dat daarmee het onder 4 ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen.

8 De door het hof vastgestelde feiten

1. Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

2. Het onderzoek in de onderhavige strafzaak is gestart naar aanleiding van een proces-verbaal van de Financial Intelligence Unit (verder: FIU).63 Uit het onderzoek van de FIU is gebleken dat de verdachte betrokken was bij een zestal money transfers waarbij als ontvanger telkens stond vermeld [tussenpersoon 1], die in een mediabericht d.d. [datum] op crimesite.nl “ISIS Bankier van de westerse strijders“ werd genoemd. In dit mediabericht werd tevens aangegeven dat Nederlandse en Belgische Syrië-gangers maandelijks met duizenden euro’s worden gefinancierd door middel van money transfers via Western Union en MoneyGram. Genoemde [tussenpersoon 1] werd in dit mediabericht omschreven als een in Istanbul gevestigde Syriër die bij FIU bekend staat als ontvanger van money transfers. Hij geldt volgens voornoemd bericht als bankier voor Westerse ISIS-leden die vanuit vooral Ar-Raqqa en Al-Baab Alleppo opereren.64

3. De verdachte heeft in de periode van 16 september 2013 tot en met 24 december 2014, via tussenpersonen in Turkije, genaamd [tussenpersoon 2] en voornoemde

[tussenpersoon 1], negen (9) maal via money transfers, geld gezonden aan zijn broer [man 1] in Syrië, voor een totaalbedrag van € 16.937,-, te weten

op 16 september 2013: € 4.713,-, op 21 mei 2014: € 1.400,-, op 29 mei 2014: € 326,-, op 13 juni 2014: € 70,-, op 15 juli 2014: € 5.000,-, op 6 september 2014: € 1.456,-,

op 15 september 2014: € 1.306,-, op 16 oktober 2014: € 1.701,- en op 24 december 2014: € 965,-. De verdachte deed dit vanuit Den Haag via subagenten.65 De verdachte heeft verklaard dat hij van zijn broer via Skype instructies kreeg aan wie hij het geld moest overmaken66 en dat zijn broer dit geld ook heeft ontvangen.67 Bij een van de overboekingen, te weten die op 21 mei 2014, heeft de verdachte in strijd met de waarheid aan een medewerker van Western Union desgevraagd gemeld dat het geld bedoeld was voor de verbouwing van een huis, waarvoor de ontvanger geld had geleend.68

4. De verdachte heeft op 9 juli 2014 vanaf het IP-adres van [bedrijf] te

Den Haag bij de Belastingdienst een verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV ten behoeve van het BSN/sofinummer [BSN] van de verdachte ingediend. In dit verzoek waren onder meer de volgende gegevens opgegeven: Naam werkgever: [werkgever], Loon uit tegenwoordige arbeid: 150.000, Aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen: 19.000, Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten: 2.000, Aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten: 10.100, Aftrekbaar bedrag giften: 1.000.69 Naar aanleiding van dit verzoek werd door de Belastingdienst een bedrag van in totaal € 10.289,- overgemaakt naar een bankrekening van de verdachte.70 Een gedeelte van dit bedrag heeft de verdachte eveneens via money transfers overgemaakt naar een tussenpersoon ter doorgeleiding daarvan naar de broer van de verdachte.71

5. Bij de FIOD/ECD heeft de verdachte verklaringen afgelegd die er in de kern op neerkomen dat hij een jongen die hij wel eens tegenkwam bij [bedrijf] heeft gevraagd hem te helpen. Samen met hem heeft hij het verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV gedaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat deze jongen [man 3] zou heten. De verdachte weet niet wat zijn achternaam is.72 De verdachte heeft het verzoek Voorlopige Aanslag ondertekend met zijn DigiD. De verdachte heeft volgens zijn verklaring zelf de in het verzoek opgegeven valse gegevens en valse bedragen verzonnen.73 Hij heeft voorts verklaard het verzoek Voorlopige Aanslag met valselijk opgegeven bedragen te hebben gedaan om geld naar zijn broer [man 1] te kunnen sturen.74

6. [ Man 1] is – volgens de verklaringen van de verdachte – sinds maart 2013, met een onderbreking in mei 2013, in Syrië geweest.75 De verdachte heeft verklaard dat zijn broer al die tijd in de buurt van de stad Aleppo verbleef.76 [Man 1] is o.a. voor het namens IS(IS) deelnemen aan de terroristische strijd in Syrië door de rechtbank in Den Haag veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf.77

7. De verdachte heeft verklaard dat zijn broer in de aanloop voor zijn vertrek steeds radicaler en fundamentalistischer werd. Volgens de verdachte vond zijn broer [man 1] de ontwikkelingen in Syrië goed en was hij het ermee eens dat mensen naar Syrië gingen om te strijden. Toen de verdachte het daarmee niet eens was heeft [man 1] hem, de verdachte, volgens eigen zeggen bijna een tand uit de mond geslagen. Dat was kort voor het vertrek van zijn broer in maart 2013.78

8. Volgens de verdachte heeft hij sinds mei 2013 geweten dat zijn broer [man 1] ‘een strijder’ is en dat hij in Syrië aan het vechten is.79 Hij weet wat er in Syrië gebeurt en hij heeft op Twitter gezien dat er wordt gevochten.80 De verdachte heeft verklaard dat hij indertijd ook al wist dat het gebied waar zijn broer naar toe was gegaan, onveilig was.81 Hij zou nooit slechte bedoelingen hebben gehad om de Islamitische Staat te steunen.82 De verdachte heeft ook verklaard dat hij in de zomer van 2014 op internet een foto heeft gezien waarop zijn broer samen met andere mensen op een plein/straat stond afgebeeld. De mensen waren aan het juichen. Er stonden ook wapens op de foto. De broer van de verdachte had ook een wapen.83 Hij heeft voorts verklaard dat hij op internet informatie vond over zijn broer.84 De verdachte heeft in zijn verhoor bij de FIOD gezegd dat hij altijd geweten heeft dat hij voor het overmaken van het geld ooit zou worden aangehouden.85

9. De verdachte onderhield en onderhoudt86 nog steeds contact met zijn broer in Syrië via social media, waaronder Facebook en Twitter,87 en ook telefonisch en via WhatsApp en Skype.88 Hij had in ieder geval éénmaal per week contact.89 Zijn broer heeft hem wel eens gezegd dat ze werden aangevallen en hij heeft volgens de verdachte ook wel eens gezegd dat het goed ging met de strijd.90

10. Uit het van de onderhavige zaak deel uitmakende (gevoegde) zaaksdossier MOKKA is gebleken dat [man 1] de gebruiker van het Facebookaccount “[naam Facebookaccount]” was.91 Hij gebruikte als omslagfoto een afbeelding van een strijder met de tekst “join the caravan” en als profielfoto een afbeelding van een niet nader bekende persoon met een wapen.92 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij dit account van zijn broer heeft gezien op internet en dat zijn broer dit account met deze profielfoto al had, voordat hij naar Syrië vertrok.93 Op dit Facebookaccount zijn onder meer de volgende berichten geplaatst:

- in de periode van 1 maart tot en met 30 maart 2014: een bericht waarin staat “InshaAllah is dit mijn ontmoetingsplek met de dood!”, waarbij in het profiel Aleppo is aangegeven als woonplaats.94

8 april 2014: er worden twee foto’s van een Kalasjnikov geplaatst met daarbij het bericht: “Krijgen jullie ook zo’n warm gevoel van binnen? Wie weet zo 1 te vinden maar dan met een ster.”95

25 april 2014: er wordt een foto van [man 1] op dit account geplaatst met de opmerking “Nieuwe foto van half #Marokkaanse half Surinaamse [strijdnaam] uit #[plaats] in de Syrische #al_Baab.”96 Twee uur later wordt dezelfde foto op Shaam Nieuws Netwerk geplaatst.97

5 juni 2014: “Nadat ik heb gezien hoe mijn geliefde broeders heen zijn gegaan wens ik niks meer dan het zelfde heen gaan naar de tevredenheid van mijn heer.”98

25 juni 2014: er worden foto’s geplaatst van een kruisiging met daarbij de tekst: “En hier zie je hem staan. Kruisiging van een man hij heeft gelogen en mensen valselijk beschuldig hij zal 3 uur lang werden gekruisigd dat iedereen weet wie hij is en dat iedereen weet dat het een leugenaar is en dat niemand meer van hem een getuigenis meer aan kan nemen”. Later wordt het volgende bericht geplaatst: “Nu in al bab Zweepslagen en kruisiging zal foto’s maken inshaAllah als het kan.99

29 juni 2014: er wordt een foto geplaatst waarop [man 1] is te zien met een wapen in zijn hand. De persoon rechts van hem heeft een zwarte vlag in zijn rechterhand.100

1 juli 2014: er wordt een bericht geplaatst waarin, in detail, wordt beschreven wat Syrië-gangers mee moeten nemen naar Syrië.101

21 juli 2014: er wordt een bericht geplaatst waarin staat “Live in Al-Bab we worden gebombardeerd door vliegtuig van Bashar en er zijn Gewonden gevallen”102

11. [ Man 1] was voorts de gebruiker van het Twitter account [naam Twitter account].103 Op dit account zijn onder meer de volgende tweets geplaatst:

23 september 2014: “Als ik nu in NL was dan wist ik wat ik moest doen. Bloed aan me handen” en “Allah bereidt ons voor op de overwinning” en “Vergeet ons niet in jullie Do3a. Nu zal het beginnen Al-Malahim”.104

24 september 2014: “Burgers in Syrië roepen op dat IS snel Jordanie moet aanvallen” en “Wat krijg ik een warme gevoel van binnen na het zien van een Frans man die onthoofd wordt. Hopelijk dat NL hier een les uit leert” en “Zijn er al Lone Wolfs gespot in NL” en “Zo blij dat ik nu in Syrie ben, jongensdroom komt uit. Oog in oog staan met de VS en bondgenoten”.105

12. Op 24 september 2014 plaatste de nieuwspagina AnderZ onderstaand bericht:

“In Algerije heeft de terroristische beweging Jund al-Khilafa (Soldaten voor het kalifaat) in naam van het kalifaat de 55-jarige bergbeklimmer Hervé Gourdel onthoofd. Het is de eerste onthoofding die buiten de Islamitische Staat plaats grijpt.”106

13. Op 25 april 2014 wordt op Shaam Nieuws via Twitter een foto van [man 2] en [man 1] geplaatst, met daarbij de tekst “Nederlandse Mujahidien [man 2] ([plaats]) en [strijdnaam] ([plaats]) onder #ISIS vlag in al-Baab te #Syrie.”107

14. Zoals onder hoofdstuk 6.3 is vastgesteld is op 30 mei 2013 het toenmalige Islamic State in Iraq and the Levant (ISIL), de voorloper van IS, toegevoegd aan de VN Sanctielijst.108 ISIL is vervolgens op 28 juni 2013 op de EU-Sanctielijst geplaatst.109

15. Bij besluit van [datum] van de Minister van Buitenlandse Zaken, is [man 1] op de Nationale terrorismelijst geplaatst.110

16. De verdachte heeft na de datum van voornoemd besluit – in ieder geval – op

16 oktober 2014 en op 24 december 2014, met inschakeling van derden, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], vanuit Den Haag via subagenten, respectievelijk

€ 1.701,-- en € 965,-- overgemaakt naar tussenpersonen in Turkije. Dit geld was bestemd voor zijn broer [man 1].111 Zijn broer heeft deze geldbedragen ook ontvangen.112 De broer van de verdachte had de verdachte gesuggereerd te proberen om op iemand anders naam geld naar hem te verzenden. De verdachte heeft daarom gebruik gemaakt van de identiteitsbewijzen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] om het geld over te maken.113 De verdachte heeft verklaard dat hij dat deed, omdat hij inmiddels wetenschap had dat zijn broer op de zwarte lijst stond en dat zijn tegoeden werden bevroren en de regering zeker wist dat hij in Syrië zat en dat zijn broer voor de rechter moest komen.114 Voorts heeft de verdachte hierover gezegd dat er geruchten waren dat hij in de problemen kon komen als hij geld naar zijn broer zou overmaken en hij wilde zijn baan niet kwijtraken.115

9 Bewijsoverwegingen

1. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte betoogd dat de door hem bij de FIOD/ECD afgelegde verklaringen met betrekking tot de aan de verdachte verweten ten laste gelegde feiten onder 1 t/m 4, althans onderdelen daarvan, geen juiste weergave zijn van hetgeen hij toen en daar heeft verklaard of wat er in werkelijkheid is gebeurd en dat deze verklaringen derhalve, zo begrijpt het hof, niet kunnen bijdragen tot het bewijs van het ten laste gelegde. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat hij soms een beetje onder druk werd gezet, bijvoorbeeld doordat de verbalisanten op tafel sloegen, en dat hij de processen-verbaal van verhoor – ondanks dat hij die in eerste instantie niet wilde ondertekenen – uiteindelijk toch heeft ondertekend, omdat hij ervan af wilde zijn. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte aangevoerd dat hij zich onder druk gezet voelde tijdens de verhoren en dat hij de dingen die de verbalisanten hebben opgeschreven niet heeft gezegd.

2. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3. Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte één keer door de politie, zesmaal door de FIOD/ECD en één keer door de rechter-commissaris is gehoord. Tenslotte heeft de verdachte zowel een verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep afgelegd. Verdachte heeft bovengenoemd verweer voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg gevoerd.

4. Niet is aannemelijk geworden dat de verklaringen van de verdachte, of onderdelen daarvan, door de desbetreffende verbalisanten - al dan niet opzettelijk en/of in strijd met de waarheid - valselijk zijn opgemaakt. Het hof betrekt hierbij dat alle van het procesdossier deel uitmakende ambtsedige processen-verbaal van verhoor van de verdachte, voor zover hier relevant, door de verdachte na doorlezing zijn getekend, waarbij hij heeft verklaard dat de tekst een juiste weergave is van wat hij heeft gezegd.

5. Voor zover de verdachte heeft betoogd dat zijn verklaringen, zoals bij de FIOD/ECD zijn afgelegd, onder (ongeoorloofde) druk zijn afgelegd, gaat het hof hieraan voorbij nu daarvan niet is gebleken noch van enige andere omstandigheid waardoor de verdachte zijn verklaring niet in vrijheid zou hebben afgelegd. Integendeel, de desbetreffende passages in zijn verklaringen waarnaar de verdachte verwijst, maken duidelijk dat de verdachte alle ruimte en vrijheid heeft ontvangen om zijn verklaring af te leggen, te voorzien van opmerkingen en door te lezen dan wel voorgehouden te krijgen, alvorens hij ook deze uit vrije wil ondertekende. Bovendien zijn de opvolgende verklaringen, voor zover relevant, consistent en worden de redengevende onderdelen van de verklaringen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals schriftelijke stukken en/of verklaringen van derden. Dat de verdachte, zoals hij in zijn verhoor van 17 juni 2015 na het verhoor aanvullend heeft verklaard, chaotisch in zijn hoofd was als het om zijn broer ging, maakt het vorenstaande niet anders, te minder nu hij daarover opmerkt dat hij de dingen die over zijn broer zijn gevraagd ongeveer heeft verteld waarna hij de verklaring na voorlezing heeft getekend met (eveneens) toevoeging van zijn opmerking dat het proces-verbaal een juiste weergave is van wat hij heeft gezegd.116

6. Overige bijzondere omstandigheden, die het hof tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de verklaringen zoals door de verdachte bij de FIOD zijn afgelegd voor het bewijs kunnen worden gebezigd en verwerpt mitsdien het verweer.

10 Beoordeling van de tenlastelegging

10.1

Overwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 1 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaffen dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelen, verwerven, voorhanden hebben of aan een ander verschaffen, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 421, lid 1 Sr.

10.1.1

Samenvatting van de feitelijke vaststellingen en overwegingen hieromtrent

1. De verdachte heeft - zoals in hoofdstuk 8 uitgebreid is besproken - in ieder geval negen (9) maal in de periode van 16 september 2013 tot en met 24 december 2014 een bedrag van 16.937 euro via een overboekingskantoor overgemaakt naar tussenpersonen in Turkije, al dan niet door tussenkomst van derden. Dit geld was bestemd voor zijn jongere broer die op dat moment in Syrië, in de buurt van Aleppo stad, verbleef. De verdachte deed dat op verzoek van zijn jongere broer waarbij deze broer aangaf naar wie het geld in Turkije moest worden overgemaakt, opdat deze er zorg voor zou dragen dat het geld bij de broer van de verdachte terecht kwam.

2. De broer van de verdachte was volgens de verdachte in maart 2013 naar Syrië toegegaan. De verdachte heeft verklaard bij de politie dat hij in ieder geval vanaf mei 2013 wist dat zijn broer een strijder in Syrië was en dat hij in de zomer van 2014 een foto van zijn broer had gezien waarop zijn broer stond afgebeeld op een plein met anderen met een Kalasjnikov in zijn hand. De verdachte heeft ook aangegeven dat hij met zijn broer voorafgaande aan diens vertrek ruzie heeft gehad over ‘strijden in Syrië’ en dat zijn broer ‘altijd met geloof bezig was’ en ‘zijn gedachten meer radicaal werden’. De verdachte heeft voorts in strijd met de waarheid bij een van de overboekingen, te weten die op 21 mei 2014, aan een medewerker van Western Union desgevraagd gemeld dat dit geld was bedoeld voor de verbouwing van een huis, waarvoor de ontvanger geld had geleend. Dit wijst er naar het oordeel van hof onmiskenbaar op dat verdachte er rekening mee hield dat geld sturen naar zijn broer in Syrië risico’s met zich mee bracht in verband met diens activiteiten in Syrië. De verdachte heeft ook verklaard dat hij altijd geweten heeft dat hij voor het overmaken van het geld ooit zou worden aangehouden.

3.
Volgens de verdachte heeft hij het geld naar zijn jongere broer gestuurd, opdat hij met dat geld voor zichzelf kon zorgen met kleding en eten en andere dingen die hij dagelijks nodig had.117 Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij geld heeft gestuurd naar zijn broer, opdat hij met dat geld zijn terugreis naar Nederland kon betalen en eten kon kopen.118

4. Het hof acht echter niet aannemelijk dat de verdachte beoogde met dit geld zijn jongere broer de terugreis naar Nederland te laten financieren, nu de overboekingen naar zijn broer 16 maanden lang zijn doorgegaan, een hoge frequentie hadden en een bedrag van bijna 17.000 euro omvatte. Zijn broer heeft in die periode geen aanwijsbare aanstalten gemaakt om terug te keren naar Nederland en ook nu nog (ruim 2 jaar na de laatste overboeking) is hij niet teruggekeerd naar Nederland. Het hof acht met de rechtbank wel aannemelijk dat dat de broer van de verdachte in mei 2013 op het punt heeft gestaan om vanuit Turkije terug te keren naar Nederland. Hij heeft dat uiteindelijk niet gedaan en is terug naar Syrië gegaan. Dit moment lag echter een paar maanden voor de eerste overboeking door de verdachte naar zijn broer die pas in september van dat jaar heeft plaatsgevonden.

10.1.2

Het opzet op het financieren van terrorisme en de misdrijven waarop de financiering ziet

1. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte opzet gehad op het in artikel 421 Sr, lid 1, strafbaar gestelde misdrijf van het een ander opzettelijk middelen verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf.

2. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ter zake is overwogen in hoofdstuk 6.2.2.1 is het hof van oordeel dat de verdachte met het verstrekken van geldelijke steun aan zijn broer wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend was, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem aan zijn jongere in Syrië verblijvende broer verstrekte gelden zouden worden aangewend voor het plegen van een terroristische misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf.

3. In dat verband acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden zoals die op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep naar voren zijn genomen, van belang.

4. De verdachte heeft geld gezonden naar zijn broer, die deelnam aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Deze jihadistische strijdgroepen plegen ernstige misdrijven waarmee ze grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan jagen in de zin van artikel 83a Sr. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d., worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven. De broer van de verdachte kan derhalve worden aangeduid als een terrorist. De verdachte was naar eigen zeggen op de hoogte dat zijn broer een Jihadstrijder was. De verdachte wist al snel nadat zijn broer in maart 2013 was afgereisd, namelijk in mei 2013 – dus een paar maanden voordat de overboeking naar zijn broer plaatsvond - dat zijn broer een Jihadstrijder was geworden in Syrië. Door deze vorm van individuele financiële ondersteuning worden Jihadstrijders in staat gesteld hun gewapende strijd te blijven voeren.

5. De slotsom is dat de verdachte naar het oordeel van het hof opzet heeft gehad op het in artikel 421 Sr strafbaar gestelde misdrijf van het financieren van terrorisme.

10.1.3

De financieringshandelingen

1. De verdachte heeft zevenmaal op eigen naam via money transfers geld overgeboekt naar een tussenpersoon in Turkije die op zijn beurt er zorg voor heeft gedragen dat de broer van de verdachte die gelden heeft ontvangen. De broer van de verdachte heeft immers telkenmale aan de verdachte bevestigd dat hij het geld heeft ontvangen. Voorts heeft de verdachte datzelfde nog tweemaal gedaan, maar dan via het gebruik maken van de identiteitsbewijzen van een tweetal andere personen.

2. De verdachte heeft derhalve middelen aan zijn broer, en aldus aan iemand die als terrorist kan worden aangeduid, verschaft.

10.1.4

Slotsom ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

Samenvattend stelt het hof op grond van het voorgaande vast dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten zich schuldig heeft gemaakt aan het financieren van terrorisme door zijn broer opzettelijk middelen te verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

10.2

Overwegingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 2 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 en de Sanctieregeling Al Qa’ida 2011.

10.2.1

Samenvatting van de feitelijke vaststellingen en overwegingen hieromtrent

1. Het hof heeft in hoofdstuk 8 vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn broer [man 1] zich sinds begin 2013 in Syrië bevond en aldaar deelnam aan de gewapende jihadistische strijd. Volgens de verdachte bevond zijn broer zich in de stad Aleppo en/of directe omgeving, een gebied dat in de ten laste gelegde periode onder controle stond van Islamitische Staat in Irak, ook wel Islamitische Staat in Irak en al-Sham (IS(IS)), Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) genoemd, een gewapende terroristische groepering die is gelinkt aan Al-Qaida en die in Syrië verantwoordelijk is voor het op grote schaal en systematisch schenden van mensenrechten en het plegen van oorlogsmisdaden.

2. Op 29 juni 2014 is door ISIL in een verklaring het islamitisch kalifaat (Khilafa) uitgeroepen in de door ISIL veroverde gebieden en worden alle moslims opgeroepen de eed van trouw af te leggen aan de kalief, Abu Bakr al-Baghdadi. Tevens kondigt laatstgenoemde aan dat ISIL wordt omgedoopt in Islamitische Staat (IS).119 Op dezelfde dag wordt er op het Facebookaccount van [man 1] een foto geplaatst waarop hijzelf staat afgebeeld met een wapen in zijn hand en de persoon rechts van hem een zwarte vlag in zijn hand heeft, vermoedelijk de vlag van IS.

3. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode regelmatig, in ieder geval een maal per week, via onder meer social media (waaronder Facebook en Twitter) contact onderhield met zijn broer. De verdachte heeft ook verklaard dat hij zelf op internet informatie vond over zijn broer.

4. De verdachte heeft voorts aangegeven dat hij wist dat zijn broer op de ‘zwarte lijst’ [het hof begrijpt: de Nationale terrorismelijst] stond, waarna hij (desondanks) besloot om op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014 via derden, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], geld over te maken naar zijn broer.

5. Het hof is van oordeel dat op basis van het Facebookaccount van [man 1], de inhoud van de in hoofdstuk 8 opgenomen berichten die hij op social media heeft geplaatst, de omstandigheid dat de verdachte daarvan kennis moet hebben genomen nu hij via social media regelmatig met zijn broer contact onderhield en ook informatie over hem opzocht en tot slot de plaatsing van de broer van de verdachte op de Nationale terrorismelijst op [datum] en de wijze waarop hij vervolgens door inschakeling van derden geld naar zijn broer is blijven overmaken, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden geconcludeerd dat de verdachte in ieder geval ten tijde van de money transfers naar zijn broer [man 1] op 16 oktober 2014 en 24 december 2014 wetenschap had dat zijn broer zich had aangesloten bij specifiek IS. Het hof betrekt hierbij ook dat de verdachte over de betalingen aan zijn broer tegenover de FIOD/ECD heeft verklaard dat hij nooit slechte bedoelingen heeft gehad om Islamitische Staat te steunen en dat hij altijd al heeft geweten dat hij voor het overmaken van het geld ooit zou worden aangehouden.

6. Vast staat tenslotte, dat (toen nog) ISI(L), als zijnde gelieerd aan Al Qa’ida, in de ten laste gelegde periode was opgenomen in Bijlage I van de Verordening (EU) nr. 881/2002 van 27 mei 2002. Het hof stelt vast dat het derhalve verboden was om op de voornoemde data van de money transfers geld ter beschikking te stellen aan deze organisatie. Ook was het verboden om indirect, dus bijvoorbeeld aan een persoon die strijdt voor IS(IS), aan deze organisatie geld ter beschikking te stellen.

10.2.2

Slotsom ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

Nu de verdachte in ieder geval tweemaal, te weten op 16 oktober 2014 en op

24 december 2014, door tussenkomst van derden, opzettelijk geld heeft overgemaakt ten behoeve van zijn broer [man 1], die namens IS in Syrië streed, waarvan de verdachte wetenschap had, acht het hof op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring is vermeld.

10.3

Overwegingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 3 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het opzettelijk handelen in strijd met het krachtens artikel 2 (lid 2) en/of artikel 3 van de Sanctiewet 1997 vastgestelde verbod van artikel 2, lid 4 van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II jo. Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad.

10.3.1

Samenvatting van de feitelijke vaststellingen

1. De verdachte heeft – zoals in hoofdstuk 8 uitgebreid is overwogen – op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014, via derden, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], respectievelijk € 1.701,-- en € 965,-- overgemaakt ten behoeve van zijn broer [man 1].

2. [ Man 1] is bij besluit van [datum] van de Minister van Buitenlandse Zaken op de Nationale terrorismelijst geplaatst. Het besluit houdt in dat alle aanwezige tegoeden dienen te worden bevroren en dat geen financiële middelen aan [man 1] mogen worden verstrekt. De verdachte wist dat zijn broer in [datum] op de Nationale terrorismelijst was geplaatst en dat zijn tegoeden waren bevroren. Ook wist de verdachte van geruchten dat hij in de problemen kon komen als hij geld naar zijn broer zou overmaken. Dit alsmede het feit dat hij volgens zijn verklaring zijn baan niet wilde kwijtraken, was ook de reden dat hij op 16 oktober 2014 en op 24 december 2014 op naam van anderen geld aan zijn broer had overgemaakt.

10.3.2

Verweer inzake de bekendheid met de Sanctieregeling terrorisme 2007-II

1. De raadslieden hebben in aanvulling op hun pleitnota gesteld dat de verdachte niet op de hoogte was – zakelijk weergegeven – van het verbod ingevolge de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II, omdat de regeling niet deugdelijk bekend was gemaakt. Pas in 2016 werd gecommuniceerd naar de samenleving, bijvoorbeeld via berichten op teletekst, dat het strafbaar was om dergelijke transacties te verrichten, aldus de raadslieden.

2. Zoals hiervoor bij het juridisch kader inzake de Sanctieregeling terrorisme 2007-II is overwogen betreft opzet in de zin van de Wet economische delicten kleurloos opzet. Het opzet van de dader hoeft niet te zijn gericht op de wederrechtelijkheid van de gedraging. De dader van een economisch delict is strafbaar indien hij opzettelijk heeft gehandeld of nagelaten te handelen zoals in de strafbepaling is omschreven. Het doet derhalve niet ter zake of de verdachte bekend was met de hiervoor genoemde Sanctieregeling.

3. In de onderhavige strafzaak betekent het vorenstaande dat – gelet op het feit dat [man 1] bij besluit van [datum] is aangewezen als een persoon jegens wie de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is – door het verrichten – onmiddellijk of middellijk – van betalingen aan genoemde [man 1] artikel 2 van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II wordt overtreden.

4. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

10.3.3

Slotsom ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

Samenvattend acht het hof op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring is vermeld.

10.4

Overwegingen ten aanzien van de onder 4A en 4B ten laste gelegde feiten

10.4.1

Bespreking van het verweer inzake de (niet-)ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 4B

1. De verdachte wordt ten aanzien van het onder 4B ten laste gelegde, zakelijk weergegeven, verweten opzettelijk gebruik te hebben gemaakt van een vals geschrift, te weten een ‘verzoek Voorlopige Aanslag’ voor de inkomstenbelasting waarin verzonnen gegevens waren vermeld. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 225, lid 2 jo artikel 225, lid 3 Sr waarin valsheid in geschrift met een terroristisch oogmerk strafbaar is gesteld.

2. De rechtbank heeft de officier van justitie ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk verklaard gelet op het bepaalde in artikel 69, lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: AWR).

3. De advocaat-generaal kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven, dat, anders dan de rechtbank, een verzoek Voorlopige Aanslag, waarvan in het onderhavige geval sprake is, niet kan worden aangemerkt als ‘een bij de Belastingwet voorziene aangifte’, als bedoeld in artikel 69 AWR.

4. Mocht het hof daar anders over oordelen, dan stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat strafvervolging op grond van artikel 225, lid 2 Sr jo. 225, lid 3 Sr bij aanwezigheid van een terroristisch oogmerk, waarvan hier volgens de advocaat-generaal sprake is, wel degelijk mogelijk is, nu dit betreft een strafverzwarende omstandigheid die ter uitvoering van artikel 3 onder c van het Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding aan artikel 225 Sr is toegevoegd waardoor artikel 225 Sr in deze zaak is aan te merken als een specialis. Strafvervolging is volgens de advocaat-generaal op grond van artikel 225, lid 2 Sr jo. artikel 225, lid 3 Sr bij de aanwezigheid van een terroristisch oogmerk derhalve mogelijk en de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging.

5. Het hof overweegt hierover als volgt.

6. Artikel 69 AWR luidt voor zover van belang:

  1. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een der feiten begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

  2. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel c, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, met dien verstande dat voor zover de onjuistheid in of onvolledigheid van de aangifte betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de geldboete ten hoogste driemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting bedraagt.

(…)

4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten.

(…)

7. Het in artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR vermelde bestanddeel 'een bij de belastingwet voorziene aangifte' vereist een uitnodiging tot het doen van aangifte door de inspecteur van de Belastingdienst.120 Het indienen van een verzoek tot een voorlopige aanslag is echter onverplicht en doet de belastingplichtige geheel op eigen initiatief en niet op uitnodiging van de inspecteur van de Belastingdienst. Een verzoek om een voorlopige aanslag is derhalve geen bij de Belastingwet voorziene aangifte. Om die reden vindt in casu de in artikel 69, lid 4 AWR opgenomen vervolgingsuitsluitingsgrond geen toepassing.

8. Nu een verzoek tot een voorlopige aanslag niet kan worden aangemerkt als ‘een bij de Belastingwet voorziene aangifte’, is reeds gelet hierop het onder 4B ten laste gelegde niet strafbaar gesteld in artikel 69, lid 2 AWR. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 4B ten laste gelegde ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte.

10.4.2

Algemene overweging

Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 4 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig maken aan valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken als bedoeld in art. 225, leden 1, 2 en 3 Sr.

10.4.3

Samenvatting van de feitelijke vaststellingen en overwegingen hieromtrent

1. De verdachte heeft – zoals in hoofdstuk 8 is overwogen – op 9 juli 2014 in Den Haag, bij de Belastingdienst een verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV ingediend. De verdachte heeft hierbij hulp gehad van een zekere [man 3] en hij heeft de in het verzoek opgegeven valse gegevens en valse bedragen verzonnen. Naar aanleiding van dit verzoek werd door de Belastingdienst een bedrag van in totaal

€ 10.289,- overgemaakt naar een bankrekening van de verdachte. Een gedeelte van dit bedrag heeft de verdachte in de ten laste gelegde periode eveneens via money transfers overgemaakt naar een tussenpersoon ter doorgeleiding daarvan naar [man 1], de broer van de verdachte.

2. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van dit geschrift, zoals ten laste gelegd onder 4A en 4B.

10.4.4

Het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken

1. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte de ten laste gelegde en bewezen verklaarde valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift heeft gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

2. Zoals het hof heeft vastgesteld plegen jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en ISIS ernstige misdrijven die tot doel hebben grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan te jagen. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d., worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven. Dat was derhalve, zoals het hof heeft vastgesteld, ook voor [man 1], de broer van de verdachte, het geval.

3. Het hof overweegt dat de verdachte het bewezen verklaarde feit onder 1 heeft gepleegd, teneinde de als gevolg hiervan onterecht ontvangen gelden van de Belastingdienst (gedeeltelijk) aan te wenden ten behoeve van zijn broer die als Jihadstrijder in Syrië verblijft. Het hof acht bewezen dat de verdachte opzettelijk in de zin van ‘voorwaardelijk opzet’ heeft gehandeld. Samengevat houdt dit in dat met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, in dit geval zijn broer, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven.

4. Nu oogmerk niet verenigbaar wordt geacht met voorwaardelijk opzet, en ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk geworden, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het plegen van de valsheid in geschrift ‘het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken’ had, dient hij van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

10.4.5

Slotsom ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit

Samenvattend acht het hof op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4A en 4B ten laste gelegde – met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid ‘met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken’ – heeft begaan, zoals hierna in de bewezenverklaring is vermeld.

11 Bewezenverklaring

Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 24 december 2014

te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Hatay en/of te Istanbul en/of

(elders) in Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een)

(rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft

verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of

gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te

verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 288a en/of 289 Jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)( te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) alstoen aldaar

(via (een) money transfer(s)) (een) (geld)bedrag(en) van:

-4.713 euro (op 16 september 2013) (Doc-015-07) en/of
-1.400 euro (op 21 mei 2014) (Doc-015-08) en/of

-326 euro (op 29 mei 2014) (Doc-015-02) en/of

-70 euro (op 13 juni 2014) (Doc-015-03) en/of

-5.000 euro (op 15 juli 2014) (Doc-015-09) en/of

-1.456 euro (op 6 september 2014) (Doc-015-05) en/of

-1.306 euro (op 15 september 2014) (Doc-015-06) en/of

-1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of

-965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044),

althans één of meer (geld)bedrag(en) aan (een) tussenperso(o)n(en) in
Turkije verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije verzonden,

terwijl dit/deze (geld)bedrag(en) (telkens) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, te weten ten behoeve van [man 1], zijnde de broer van verdachte en/of een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van terroristische organisatie(s) IS en/of Al-Qaida dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven;

2.

hij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 augustus 2013
16 oktober 2014 tot en met 24 december 2014

te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en),

althans alleen,

(telkens) meermalen opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de

Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van

Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei
2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie

en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld door:

aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in

Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak), zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en) als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te
stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) (a) voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI

en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak) direct of

indirect (een) geldbedrag(en) ter beschikking heeft/hebben gesteld van

-4.713 euro (op 16 september 2013) (Doc-015-07) en/of

-1.400 euro (op 21 mei 2014) (Doc-015-08) en/of

-326 euro (op 29 mei 2014) (Doc-015-02) en/of

-70 euro (op 13 juni 2014) (Doc-015-03) en/of

-5.000 euro (op 15 juli 2014) (Doc-015-09) en/of

-1.456 euro (op 6 september 2014) (Doc-015-05) en/of
-1.306 euro (op 15 september 2014) (Doc-015-06) en/of

-1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of

-965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044),

althans één of meer (geld)bedrag(en) en/of

(b) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of

economische middelen ter beschikking heeft/hebben gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida (in Irak);

3.

hij
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 september 2014 tot en met 24 december 2014

te Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of te Hatay en/of te Istanbul en/of

(elders) in Turkije,

tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of (een) ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 (lid 2) en/of

artikel 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 lid 4 van

de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II juncto Resolutie 1373 van de

Veiligheidsraad, heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(n) rechtstreeks dan wel middellijk middelen (in de vorm van (een) (geld)bedrag(en) van

-1.701 euro (op 16 oktober 2014) (Doc-033) en/of

-965 euro (op 24 december 2014) (Doc-043 en/of Doc-044),

althans één of meer (geld)bedrag(en)

(via (een) tussenperso(o)n(en) in Turkije) aan [man 1] ter beschikking heeft/hebben gesteld terwijl [man 1] bij besluit van [datum] door de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën is aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is;

4.

A.

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot

en met 9 juli 2014, althans op 9 juli 2014

te Leidschendam-Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en),

althans alleen,

(een) verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV en/of IBPV Verzoek 2014 (voor en/of ten behoeve van BSN [BSN] (van verdachte)) (voor het belastingjaar

2014) (Doc-004 en/of Doc-025)

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft

doen opmaken en/of doen vervalsen, immers heeft/hebben voornoemde verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid - op/in voornoemd geschrift(en)
-(een) loonbedrag(en) en/of andere inkomsten uit tegenwoordige

dienstbetrekking (afkomstig van werkgever [werkgever]) (van 150.000 euro)

en/of

-(een) aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten (van 2000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen (van 19.000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten (van 10.100

euro) en/of

-(een) bedrag giften (van 1000 euro)

vermeld en/of doen vermelden

zulks (telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken en/of

gepleegd met het oogmerk om (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) voor te bereiden of gemakkelijk te maken

en/of

B.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari

2014 tot en met 9 juli 2014, althans op 9 juli 2014

te Leidschendam-Voorburg en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één een of meer valse en/of vervalste geschrift(en) - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware deze echt en/of onvervalst, te weten (een) verzoek Voorlopige Aanslag 2014 IB/PVV en/of IBPV Verzoek 2014 (voor en/of ten behoeve van BSN [BSN] (van verdachte)) (voor het belastingjaar 2014) (Doc-004 en/of Doc-025) bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), dit/deze geschrift(en) (elektronisch) aan de Belastingdienst heeft hebben gestuurd

en/of doen toekomen ter verkrijging van een belastingteruggave en/of (een) geldbedrag(en)

en bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) hierin dat in dat/die geschrift(en) valselijk en/of in strijd met de waarheid:

-(een) loonbedrag(en) en/of andere inkomsten uit tegenwoordige

dienstbetrekking (afkomstig van werkgever [werkgever]) (van 150.000 euro)

en/of

-(een) aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten (van 2000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag levensonderhoud kinderen (van 19.000 euro) en/of

-(een) aftrekbaar bedrag weekenduitgaven ernstig gehandicapten (van 10.100

euro) en/of

-(een) bedrag giften (van 1000 euro)

was/is vermeld en/of opgenomen en/of

gepleegd met het oogmerk om (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

12 Strafbaarheid van de feiten

Het onder 1 bewezen verklaarde – voor zover betrekking hebbend op de money transfers d.d. 16 september 2013, 21 mei 2014, 29 mei 2014, 13 juni 2014, 15 juli 2014, 6 september 2014 en 15 september 2014 – dient te worden gekwalificeerd als:

financieren van terrorisme, meermalen gepleegd.

Het onder 1 bewezen verklaarde – voor zover betrekking hebbend op de money transfers d.d. 16 oktober 2014 en 24 december 2014 –, het onder 2 bewezen verklaarde en het onder 3 bewezen verklaarde dient te worden gekwalificeerd als:

de eendaadse samenloop van

financieren van terrorisme, meermalen gepleegd

en

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd.

Het onder 4A bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift.

Het onder 4B bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

13 Strafbaarheid van de verdachte

Toerekenbaarheid

1. Het hof heeft ter zake van de strafbaarheid van de verdachte acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage betreffende de verdachte, opgemaakt door

drs. T.W. van de Kant, GZ-psycholoog, en J.L.J. Volders, forensisch milieurapporteur, d.d. 8 januari 2016.

2. Deze rapportage houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een langdurig aanwezige dysthyme stoornis. Een dysthyme stoornis gaat gepaard met een milde depressieve stemming gedurende lange tijd, zonder dat sprake is van een depressieve episode. Daarnaast functioneert de verdachte op zwakbegaafd niveau. Deze combinatie leidt bij de verdachte tot passiviteit, nalatigheid en ontwijkend gedrag. Tijdens het ten laste gelegde - met uitzondering van de valsheid in geschrift - werden de gedragskeuzen en gedragingen van de verdachte beïnvloed door voormelde (persoonlijkheids)problematiek.

3. Uit het milieuonderzoek is duidelijk geworden dat het vertrek van zijn jongere broer naar Syrië een zware wissel op de verdachte heeft getrokken. Hij is een intellectueel beperkte man, met weinig adequate probleemoplossingsvaardigheden. Door deze problematiek lijkt de verdachte onvoldoende in staat te zijn geweest zijn plannen om geld naar zijn broer in Syrië over te maken kritisch tegen het licht te houden. Hij wilde zijn broer helpen, maar hij lijkt zich onvoldoende te hebben en kunnen realiseren dat hij hiermee wederrechtelijk heeft gehandeld. En als hij dit wist, was hij onvoldoende in staat de consequenties daarvan ten volle in te kunnen schatten.

4. Geadviseerd wordt daarom de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 - indien bewezen - als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

5. Bij de ten laste gelegde belastingfraude/valsheid in geschrift, lijken volgens bovengenoemde deskundigen dezelfde factoren zoals nalatigheid, naïviteit en het onvoldoende inzien van de consequenties, eveneens een rol te hebben gespeeld. Echter, er is ook sprake van opportunisme. De verdachte wist dat hij geen 150.000 euro had verdiend, dat hij geen kinderen heeft en dat hij evenmin zorgkosten voor gehandicapten had gemaakt, die hij wel heeft opgegeven. De verdachte was simpelweg in de naïeve veronderstelling dat de belastingdienst daar niet achter zou komen. Het is voorstelbaar dat de verdachte de belastingfraude/ valsheid in geschrift heeft gezien als eenvoudige mogelijkheid om aan geld te komen, wat hij aan zijn broertje over kon maken. Hierbij geldt ook dat hij de consequenties van zijn handelen niet volledig heeft overzien, maar hij was zich wel bewust van de wederrechtelijkheid van zijn handelen.

6. Geadviseerd wordt daarom de verdachte ten aanzien van feit 4 – indien bewezen – als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

7. Het hof neemt de conclusie uit voormeld multidisciplinair rapport, inhoudende dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 – indien bewezen – als verminderd

toerekeningsvatbaar is te beschouwen, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, niet over.

8. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daartoe redengevend is dat de conclusie in het rapport niet, althans onvoldoende, wordt gedragen door de bevindingen van de deskundigen. Zo wordt op pagina 22 van het rapport gerelateerd dat de verdachte de naïeve en weinig verbaal begaafde indruk mogelijk ook (ten dele) bewust inzet, dat hij een weinig betrouwbare indruk maakt en dat hij het achterste van zijn tong niet laat zien. Ook stellen de deskundigen dat in het tweede gesprek een wat meer bewuste, manipulatieve kant van de verdachte op de voorgrond komt te staan met het doel een sociaal aangepast beeld van zichzelf te schetsen. Genoemde bevindingen van de deskundigen komen overeen met hetgeen het hof ook ter terechtzitting is gebleken. Op de terechtzitting van 17 februari 2017 had het hof de indruk dat de verdachte ook niet het achterste van zijn tong liet zien, dat hij er bewust voor koos welke informatie hij wel en niet met het hof wilde delen en dat hij om de zaken heen draaide. Deze (kennelijk) berekenende houding van de verdachte was echter niet meer aanwezig op het moment dat de verdachte vragen omtrent zijn persoonlijke omstandigheden beantwoordde. Het hof vermag dan ook niet in te zien dat de verdachte door zijn (persoonlijkheids) problematiek onvoldoende in staat zou zijn geweest de consequenties van zijn handelen te overzien. Immers, de verdachte is - nadat hij wist dat zijn broer op de Nationale terrorismelijst was geplaatst - bewust met gebruikmaking van het identiteitsbewijs van anderen doorgegaan met het overmaken van geldbedragen naar zijn broer. Daarbij komt dat de verdachte tevens, om geld ten behoeve van zijn broer te verkrijgen, belastingfraude heeft gepleegd en hij voor dit feit volgens de deskundigen wel als volledig toerekeningsvatbaar is te beschouwen.

9. Het hof acht de verdachte dan ook ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten toerekeningsvatbaar.

10. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

14 Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4A en 4B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het rapport van de reclassering van 14 februari 2017. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven.

15 Strafmotivering

1. De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

2. De verdachte heeft via money transfers in totaal bijna € 17.000,- vanuit Nederland aan tussenpersonen in Turkije overgemaakt, welke geldbedragen bestemd waren voor zijn broer, [man 1], een strijder van de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Uit het dossier blijkt dat deze geldbedragen ook daadwerkelijk bij de broer van de verdachte zijn aangekomen. Nadat zijn broer op [datum] op de Nationale terrorismelijst was geplaatst heeft de verdachte, teneinde zijn handelen te verhullen, twee personen tegen betaling betrokken bij het overboeken van geldbedragen op 16 oktober 2014 en

24 december 2014 door met gebruikmaking van hun identiteitsbewijzen twee keer een geldbedrag ten behoeve van zijn broer over te maken.

3. De verdachte heeft door het overmaken van de geldbedragen zowel de internationale regelgeving als de nationale wetgeving naast zich neergelegd. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang, omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen. Door deze verboden te overtreden heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en aldus aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen, in het bijzonder IS, in Syrië zich op grote schaal schuldig maken aan grove mensenrechtenschendingen. De verdachte heeft zich door zijn handelwijze dan ook schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven. Dit geldt te meer nu het gaat om een fors geldbedrag.

4. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruikmaken van dit geschrift door een verzoek Voorlopige Aanslag IB/PVV op naam van de verdachte met daarin bewust onjuist vermelde gegevens bij de belastingdienst in te dienen, met als voornaamste doel om zijn broer in Syrië geld te kunnen sturen. De verdachte heeft door het indienen van dit verzoek ten onrechte een geldbedrag van in totaal ruim € 10.000,- van de belastingdienst ontvangen, waarna hij het grootste deel van deze geldbedragen via money transfers heeft overgemaakt naar zijn broer die zich als Jihadstrijder in het strijdgebied van Syrië bevindt. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij overheidsgeld heeft misbruikt om – indirect – geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Voorts heeft de verdachte door aldus te handelen het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd.

Persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden

Justitiële documentatie

5. Het hof heeft bij de op te leggen straf in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

2 februari 2017 in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

6. Het hof heeft acht geslagen op de rapportage van Reclassering Nederland d.d.

14 februari 2017, zoals dat met de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is besproken en zoals hij dat voor zover nodig heeft aangevuld. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld. De verdachte verblijft bij zijn vader en heeft een vriendin. Hij heeft werk bij een sloopbedrijf en zicht op werk als buschauffeur. De verdachte heeft schulden, die voor het grootste deel zijn ontstaan door de vordering van de belastingdienst naar aanleiding van de onderhavige zaak. Hij wordt ondersteund door de Stichting Multi-Care bij het regelen van zijn financiële huishouding. De reclassering geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte in een radicaal netwerk verkeert, noch dat hij zelf religieus geradicaliseerd zou zijn. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag/gemiddeld. De voornaamste risicofactor is de loyaliteit van de verdachte richting zijn jongere broer.

7. De reclassering adviseert, bij een bewezenverklaring, aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling gericht op het verwerken van het vertrek van zijn broer en de daaruit voortvloeiende problemen bij de forensische polikliniek van Palier, of soortgelijke ambulante forensische zorg, alsmede de verplichting om zich in te spannen voor het afbetalen van schulden en het vinden van passende dagbesteding.

8. Het hof heeft voorts kennis genomen van de overige zich in het dossier bevindende stukken van Reclassering Nederland van 20 november (het hof begrijpt: september) 2016, 24 februari 2016 en 17 september 2015, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte zich coöperatief en begeleidbaar opstelt, afspraken nakomt en heeft aangetoond in staat te zijn met de juiste hulp, zowel op psychisch als praktisch gebied, een positieve draai te kunnen geven aan zijn leven.

9. Tenslotte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage betreffende de verdachte, opgemaakt door drs. T.W. van de Kant, GZ-psycholoog, en J.L.J. Volders, forensisch milieurapporteur, d.d. 8 januari 2016, waarvan de korte inhoud hierboven in hoofdstuk 13. ‘Strafbaarheid van de verdachte’ reeds is uiteengezet. Voorts is in dit rapport vermeld dat de broer van de verdachte nog steeds in Syrië verblijft en dat de verdachte ook contact heeft met zijn broer, hetgeen de verdachte tevens heeft bevestigd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2017. Hoewel het contact tussen de broers thans als oppervlakkig wordt beschreven door de verdachte, is het wel voorstelbaar dat hij zich zal inzetten voor (de veiligheid van) zijn broer. Dit geheel maakt het volgens de deskundigen voorstelbaar dat de verdachte op termijn opnieuw tot grensoverschrijdend gedrag zou kunnen komen wanneer zijn broer een beroep op hem doet.

Straf

10. Het hof heeft bij de op te leggen straf voorts acht geslagen op de omstandigheid dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat de verdachte uit ideologische motieven of uit sympathie voor de in Syrië gevoerde gewelddadige Jihadstrijd heeft gehandeld. Daargelaten of de verdachte primair vanuit zorgen voor zijn broer heeft gehandeld, in zaken als deze dient van de straf een duidelijk signaal uit te gaan. Niet alleen dient deze verdachte ingescherpt te worden dat zijn handelen strafbaar en strafwaardig is, ook aan anderen dient duidelijk te zijn dat het financieel ondersteunen van een (dierbaar) persoon die zich als Jihadstrijder in Syrië bevindt, geen reden mag zijn om de norm terzijde te stellen. Hierbij ziet het hof er niet aan voorbij dat de verdachte door het vertrek van zijn broer naar Syrië ook persoonlijk verdriet heeft ervaren.

11. Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat op de bewezen verklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Voor het opleggen van een taakstraf, zoals door de verdediging (subsidiair) is bepleit, is dan ook geen plaats.

12. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de verdachte thans op actieve wijze doende is zijn leven een wending ten goede te geven, is het hof van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf niet langer behoeft te zijn dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

13. Het hof zal daarnaast – gelet op de omstandigheid dat uit de voormelde rapportages blijkt dat de loyaliteit van de verdachte richting zijn jongere broer een risicofactor vormt – een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof zal aan dit voorwaardelijke deel, in verband met het recidiverisico en de aard en de omvang van de thans bewezen verklaarde feiten, een proeftijd voor de duur van drie jaren verbinden. Voorts zal het hof aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals deze zijn opgenomen in het reclasseringsrapport van 14 februari 2017, met uitzondering van de verplichting dat de verdachte zich zal inspannen voor het vinden van een passende dagbesteding. Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij bijna 40 uur per week bij een sloopbedrijf werkt en dat hij op zaterdag als buschauffeur werkzaam is, acht het hof het opleggen van deze bijzondere voorwaarde niet meer noodzakelijk.

14. Alles afwegende is het hof van oordeel van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals hieronder vermeld, een passende en geboden reactie vormt.

16. Vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis

1. De advocaat-generaal heeft, in geval van een veroordeling tot een onherroepelijke gevangenisstraf, gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven.

2. Gelet op de hierna op te leggen duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, acht het hof geen termen (meer) aanwezig om de onmiddellijke gevangenneming van de verdachte ter terechtzitting te gelasten. Het hof wijst de vordering derhalve af.

17 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55, 56, 57, 225 en 421 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

18 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4A en 4B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4A en 4B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te 2594 AH Den Haag, zo frequent en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

  • -

    gedurende de proeftijd zal meewerken aan een behandeling gericht op het verwerken van het vertrek van zijn jongere broer en de daaruit voortvloeiende problemen bij de forensische psychiatrische polikliniek van Palier of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het afbetalen van zijn schulden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, mr. R.A.Th.M. Dekkers en

mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 maart 2017.

1 Zie voor verdere achtergronden o.a.: ECLI:NL:GHDHA:2016:1733, Gerechtshof Den Haag, 20 juni 2016. De uitspraak is inmiddels onherroepelijk.

2 Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, Ideologie en strategie van het jihadisme (december 2009), p. 49. Zie ook: http://www.memrijttm.org/at-cairo-conference-leading-sunni-clerics-urge-sunnis-worldwide-to-mobilize-for-jihad-against-the-alawite-regime-in-syria-and-its-shiite-supporters.html, geraadpleegd op 21 april 2016.

3 Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, Transformatie van het jihadisme in Nederland. Zwermdynamiek en nieuwe slagkracht (Den Haag, juni 2014), p. 41-43.

4 Report of the IICISAR, A/HRC/27/CRP.2, d.d. 19 november 2014, p. 3.

5 Report of the Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (verder: IICISAR), A/HRC/23/58 d.d. 18.07.2013, p. 18; United Nations Security Council report S/2015/206, d.d. 23.03.2015, p. 4 op www.un.org/en/ga/search/view_dos.asp?symbol=S/2015/206; Bill Roggio, Al Nusra Front claims attack at the Iranian Consulate in Damascus d.d. 02.05.2012, op: http://www.longwarjournal.org/threatmatrix/archives/2012/04/al_nu; Human Right Watch, He didn’t have to die, March 2015, op: www.hrw.org/sites/default/reports/syria0315_ForUpload.pdf, p. 60; Report of the IICISAR, A/HRC/28/69 d.d. 05.02.2015, p. 34; Human Right Watch, You can still see their blood, Executions, Indiscriminate Shootings, and Hostage Taking by Opposition Forces in Latakia Countryside, d.d. October 2013, p. 66-68; Jennifer Cafarella, Jabhat al-Nusra Deepens its Foothold in Northwestern Syria, ISW Backgrounder d.d. 10.11.2014; Oral Update of IICISAR d.d. 18.03.2014, p. 5 en 8; Report of the IICISAR, A/HRC/25/65 d.d. 12.02.2014, p. 10-11 en Report of the IICISAR, A/HRC/23/58 d.d. 18.07.2013, p. 15.

6 Report of the IICISAR, A/HRC/25/65, d.d. 12.02.2014, p. 8.

7 Report of the IICISAR, A/HRC/25/65, d.d. 12.02.2014, p. 7 e.v.; Report of the IICISAR, A/HRC/23/58, d.d. 18.07.2013, p. 12; Oral Update of the IICISAR, d.d. 18.03.2014, p. 2-3 e.v.; Amnesty International Briefing, Rule of Fear: ISIS abuses in detention in Northern Syria, d.d. 19.12.2013, p. 1.

8 Report of the IICISAR, A/HRC/27/60, p. 1.

9 Abu Mohammed al-Adnani, ‘Hada wa’d Allah’ (Dit is de belofte aan Allah), op www.youtube.com/watch?v=cAWCSDkrzLs; Mark Tran & Matthew Weaver, ‘ISIS declares caliphate in area straddling Iraq and Syria’, d.d. 30.06.2014, op http://www.theguardian.com/world/2014/jun/30/isis-announces-islamic-caliphate-iraq-syria.

10 Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, Leven bij ISIS, de mythe ontrafeld (Den Haag, Januari 2016), p. 3.

11 Ibid., p. 7

12 Security Council Al-Qaída Sanctions Committee amends entry of one entity on its Sanctions List, SC/11019, d.d. 30 mei 2013, op www.un.org/News/Press/docs/2013/sc11019.doc.htm; Consolidated List of Groups, Persons and Entities subject to EU financial sanctions, op www.ec.europa.eu/external_relations/cfsp/sanctions/list/version4/global/global.xml.

13 Dit Verdrag is op 9 december 1999 gesloten te New York. Zie Trb. 2000, 12 (rectificatie in Trb. 2001, 62 samen met Trb. 2002, 110).

14 Trb. 2002, 110.

15 Kamerstukken II 2001-2002, 28 031, nr. 3, p. 2-4.

16 Kamerstukken II 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 2-3.

17 FATF Standards, FATF IX Special Recommendations, October 2001 (incorporating all subsequent amendments until February 2008. Zie http://www.fatfgafi.org/media/fatf/documents/reports/ FATF%20Standards %20-%20IX%20Special%20Recommendations%20and%20IN%20rc.pdf.

18 Zie The FATF Recommendations, International standards on combating money laundering and the financing of terrorism & proliferation, February 2012, updated 2016, p. 13 voor Aanbeveling 5 inzake het strafbare feit van terrorismefinanciering: 5. ‘Countries should criminalise terrorist financing on the basis of the Terrorist Financing Convention, and should criminalise not only the financing of terrorist acts but also the financing of terrorist organisations and individual terrorists even in the absence of a link to a specific terrorist act or acts. Countries should ensure that such offences are designated as money laundering predicate offences.’ Op p. 4 is de omzettingstabel van de nummering van de aanbevelingen opgenomen. Zie: http://www.fatf-gafi.org/media/fatf/documents/recommendations/pdfs/FATF_Recommendations.pdf.

19 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 3.

20 Financial Action Task Force, Mutual Evaluation Report, Anti-Money Laundering and Combating the Financing of Terrorism, The Netherlands, 25 February 2011, p. 66.

21 Brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer van 4 maart 2011, kenmerk: FM/2011/6465 M betreffende Verslag plenaire vergadering FATF februari 2011. In die zin ook Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 1.

22 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 6, p. 3.

23 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6, p. 6.

24 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

25 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6, p. 6. Zie ook: Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

26 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

27 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6, p. 6.

28 The FATF Recommendations, International standards on combating money laundering and the financing of terrorism & proliferation, February 2012, updated 2016, p. 37.

29 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

30 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6 p. 3-4.

31 Wet terroristische misdrijven van 24 juni 2004, Stb. 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004), gewijzigd bij Wet van 20 november 2006, Stb. 580 (inwerkingtreding op 1 februari 2007) en laatstelijk gewijzigd bij Wet van 10 juli 2013, Stb. 292 (inwerkingtreding op 1 september 2013).

32 Kaderbesluit van 13 juni 2002, 2002/475/JBZ. Zie Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

33 Stb. 2009, 245.

34 Trb. 2006, 34. Zie Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

35 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

36 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

37 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 7. De Interpretative note is als bijlage bij dit Kamerstuk gevoegd.

38 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 3.

39 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 3-4.

40 Wet van 15 februari 1980, tot het treffen van sancties tegen bepaalde staten of gebieden, Stb. 1980, 93; Inwerkingtreding op 21 april 2980, Stb. 1980, 170. Zie artikel 2. lid 1 Sanctiewet 1977.

41 Stb. 2002, 270; inwerkingtreding op 7 juni 2002. Zie hierover: Kamerstukken II, 2001-2002, 28251, nr. 3, p. 2.

42 Trb. 2002, 240.

43 Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qaida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (PB L 139/9).

44 Het Sanctiecomité bestaat uit vertegenwoordigers van de Veiligheidsraad.

45 https://www.un.org/sc/suborg/en/sanctions/un-sc-consolidated-list. Dit wordt de VN-Sanctielijst genoemd.

46 Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken houdende beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, Al-Qa’ida en Taliban (Sanctieregeling Osama bin Laden, Al-Qa’ida en Taliban 2002), Stcrt. 2002, 117.

47 Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken houdende beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden onderhouden met Osama bin Lanen, Al-Qa’ida en Taliban, Stcrt. 2011, 18099.

48 Stcrt 2016, 67860.

49 Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 december 2016, nr. MinBuza-2016.822620, houdende beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met ISIS en Al Qaida (Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016), Stcrt. 2016, 67860.

50 https://www.un.org/press/en/2013/sc11019.doc.htm

51 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 632/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 tot 194e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa‘ida-netwerk (PB L 179/85).

52 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 583/2014 van de Commissie van 28 mei 2014 tot 214e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa'ida-netwerk (PB L 160/27).

53 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 630/2014 van de Commissie van 12 juni 2014 tot 215e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa'ida-netwerk (PB L 174/35).

54 Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Financiën van 18 december 2007, nr. DJZ/BR/1222-07, houdende maatregelen met het oog op de strijd tegen het terrorisme (Sanctieregeling terrorisme 2007-II), Stcrt 2007, 248. Nadien is deze regeling nog twee maal gewijzigd: Stcrt. 2009, 63 en Stcrt. 2010, 5507.

55 Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën van [datum], nr. [nummer A] tot aanwijzing van de heer [man 1] als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is (Stcrt. 2014, [nummer B], gepubliceerd op [datum]).

56 Wet terroristische misdrijven van 24 juni 2004, Stb. 290 (i.w.tr op 10 augustus 2004), gewijzigd bij Wet van 20 november 2006, Stb. 580 (inwerkingtreding op 1 februari 2007) en laatstelijk gewijzigd bij Wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 292 (inwerkingtreding op 1 september 2013).

57 Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, PbEU L 164/3, zoals gewijzigd bij het Kaderbesluit (2008/919/JBZ) van de Raad van 28 november 2008, PBEU L 330/21.

58 ECLI:NL:GHDHA:2015: 1082, para. 10.3; Gerechtshof Den Haag, 30 april 2015. Deze uitspraak is nog niet onherroepelijk. Zie ECLI:NL:PHR:2016:969.

59 J. de Hullu, Materieel strafrecht, IV.4.2. Oogmerk als bijzondere vorm van opzet, Kluwer:2015.

60 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

61 Een Ad Hoc Comité van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, ingesteld bij resolutie 51/210 van 17 december 1996 tracht te komen tot afronding van een ontwerp voor een alomvattend verdrag inzake internationaal terrorisme. Dit verdrag is bedoeld als aanvulling op de bestaande 13 verdragen en 3 protocollen die sinds 1963 in VN-verband tot stand zijn gekomen tegen specifieke vormen van terrorisme. De totstandkoming van dit verdrag draagt bij aan de vervolmaking van het mondiale internationaalrechtelijke kader voor de bestrijding van terrorisme met inbegrip van de normen zoals neergelegd in de internationale mensenrechtenverdragen.

62 Kamerstukken I, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, C, p. 10-11; Zie in deze zin: J. de Hullu, Materieel strafrecht, IV.4.2. Oogmerk als bijzondere vorm van opzet, Kluwer: 2015.

63 AMB-001, AMB-002, AMB-016, AMB-026 en AMB-047.

64 Overzichtsproces-verbaal d.d. 6 augustus 2015, nr. 56287 ‘Goudbrasem’, documentcode 1-OPV-01, p. 8.

65 Overzichtsproces-verbaal d.d. 6 augustus 2015, nr. 56287 ‘Goudbrasem’, documentcode 1-OPV-01, p. 44, 55 en 59; Proces-verbaal d.d. 25 augustus 2015, nr. 56287 ‘Goudbrasem’, documentcode 1-OPV-01a (aanvullend dossier, geen paginanummer); AMB-001, AMB-002, AMB-016, AMB-026 en AMB-047; Doc-015-07, Doc-015-08, Doc-015-02, Doc-015-03, Doc-015-09, Doc-015-05, Doc-015-06, Doc-033, Doc-043, het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 775 e.v., alsmede de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017.

66 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 maart 2016, p. 2.

67 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 775 e.v.; verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017.

68 DOC-039.

69 Overzichtsproces-verbaal d.d. 30 juli 2015, documentcode 2-OPV-01; AMB-006, AMB-024, AMB-035 en Doc-025.

70 DOC-003 en AMB-024.

71 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-04, p. 4.

72 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017.

73 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-04, p. 784 ev.

74 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-04, p. 787-788.

75 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 778-779.

76 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017; proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 768 ev.; proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 776.

77 ECLI:NL:RBDHA:2015:14365, rechtbank Den Haag d.d. 10 december 2015 ([naam onderzoek]). Dit vonnis is nog niet onherroepelijk.

78 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 778.

79 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 781 en 783 en proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 773.

80 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 778.

81 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 maart 2016, p. 6.

82 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 772.

83 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 773.

84 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 773 en proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 781.

85 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 773.

86 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017.

87 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 773 en 781.

88 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 772.

89 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017.

90 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-02, p. 773.

91 Mokka, p. 7.

92 Mokka, p. 358 en 369.

93 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017.

94 Mokka, p. 14 en 369.

95 Mokka p. 14 en 426.

96 Mokka, p. 15.

97 Mokka, p. 15 en 430.

98 Mokka, p. 15 en 454.

99 Mokka p. 15 en 455-456.

100 Mokka p. 15 en 458.

101 Mokka p. 15 en 459-462.

102 Mokka p. 15 en 469.

103 Mokka, p. 7.

104 Mokka p. 490-492.

105 Mokka p. 490-492.

106 Mokka p. 491; http://www.ander-z.com/eerste-onthoofding-buiten-het-kalifaat-fransman-algerije-onthoofd/; zie tevens: http://www.volkskrant.nl/buitenland/-franse-gijzelaar-gourdel-onthoofd-in-algerije~a3754499/

107 Mokka, p. 15 en 431.

108 Security Council Al-Qa’ida Sanctions Committee amends entry of one entity on its Sanctions List, SC/11019, d.d. 30 mei 2013, op www.un.org/News/Press/docs/2013/sc11019.doc.htm.

109 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 632/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 tot 194e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa‘ida-netwerk (PB L 179/85).

110 Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën van [datum], nr. [nummer A] tot aanwijzing van de heer [man 1] als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is (Stcrt. 2014, [nummer B], gepubliceerd op [datum]).

111 Overzichtsproces-verbaal d.d. 6 augustus 2015, nr. 56287 `Goudbrasem’, documentcode 1-OPV-01; AMB-026 en AMB-047, alsmede Doc-033, Doc-043 en het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 781.

112 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2017.

113 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 12 december 2014, documentcode G01.05, p. 844; proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 23 juni 2015, documentcode G09-01, p. 860 ev. en proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] d.d. 26 juni 2015, documentcode G10-01, p. 862-863.

114 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-03, p. 781.

115 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 maart 2016, p. 3.

116 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juni 2015, documentcode V01-05, p. 796.

117 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 17 juni 2015,

118 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2017.

119 Abu Mohammed al-Adnani, ‘Hada wa’d Allah’ (Dit is de belofte aan Allah), op www.youtube.com/watch?v=cAWCSDkrzLs; Mark Tran & Matthew Weaver, ‘ISIS declares caliphate in area straddling Iraq and Syria’, d.d. 30.06.2014, op http://www.theguardian.com/world/2014/jun/30/isis-announces-islamic-caliphate-iraq-syria.

120 Zie: ECLI:NL:HR:2003:AL6161, Hoge Raad 23 december 2003.