Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:632

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
200.193.557-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huur woning. Gelaste ontruiming geschorst bij (moratorium)vonnis ex art 287b Fw. Moratorium verliest niet automatisch gelding bij schending moratoriumvoorwaarden. Opzegging vereist.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 287
Faillissementswet 305
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2017/138 met annotatie van mr. J.J. Dijk
JHV 2017/13 met annotatie van mr. E. de Bie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.193.557/01

Rolnummer rechtbank : C/10/501220 / KG ZA 16-506

arrest in kort geding van 21 maart 2017

inzake

STICHTING MAASDELTA GROEP (MDG),

gevestigd te Spijkenisse,

appellante,

hierna te noemen: Maasdelta,

advocaat: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te Rotterdam,

2. [geïntimeerde 2]

wonende te Rotterdam,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. P. Hoogenraad te Maassluis.

Het geding

Bij exploot van 10 juni 2016 (met producties) is Maasdelta in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft gewezen tussen partijen en uitgesproken op 17 mei 2016 (schriftelijk afgegeven op 31 mei 2016). Daarbij heeft zij zes grieven tegen het vonnis ingediend. Bij tussenarrest van 5 juli 2016 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft op 5 augustus 2016 plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Op 4 oktober 2016 hebben [geïntimeerden] een memorie van antwoord (met producties) genomen. Daarna heeft Maasdelta een kopie van het procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tussen partijen is het volgende niet in geschil.

1.1

Tussen [geïntimeerden] als huurders en Maasdelta als verhuurder is een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).

1.2

Op 11 december 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op vordering van Maasdelta de huurovereenkomst ontbonden en [geïntimeerden] veroordeeld achterstallige huur tot en met november 2015 te betalen alsmede om het gehuurde binnen zes weken na betekening van het vonnis te ontruimen en tot aan de ontruiming € 559,- per maand te betalen.

1.3

Op 18 februari 2016 heeft de rechtbank Rotterdam, team insolventie, op een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) bij (moratorium-)vonnis beslist dat voor de duur van zes maanden de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 december 2015 wordt geschorst en de huurovereenkomst wordt verlengd (het moratorium). Daarbij is bepaald dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze zes maanden tijdig worden voldaan.

1.4

Consulenten Inkomensbeheer van Stroomopwaarts zijn [geïntimeerden] gaan begeleiden in het kader van een buitengerechtelijk schuldhulpverleningstraject. De verschuldigde betalingen aan Maasdelta zijn voor de maanden december 2015 tot maart 2016 voldaan.

1.5

De huur over de maanden april en mei 2016 is op 7 april respectievelijk 4 mei 2016 betaald en dus niet vóór de eerste van de maand. Stroomopwaarts heeft hierover op 13 mei 2016 aan Maasdelta geschreven dat de (reguliere) betalingen van de bijstandsuitkering aan [geïntimeerden] over maart en april in verband met een interne miscommunicatie later dan normaal werden gedaan (over maart op 5 april, over april op 3 mei) waardoor de huur niet eerder kon worden betaald en voorts dat de betalingen met ingang van mei weer op tijd kunnen zijn.

1.6

Maasdelta heeft, ter tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 december 2015, op 9 mei 2016 de ontruiming van de woning aangezegd voor 18 mei 2016 om 10.00 uur.

2.1

[geïntimeerden] hebben in het onderhavige geding in conventie de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 december 2015 gevorderd wegens misbruik van bevoegdheid door Maasdelta. Daartoe hebben zij gesteld dat Maasdelta niet tot executie mocht overgaan mits [geïntimeerden] zich aan de voorwaarde van huurbetaling zou houden. [geïntimeerden] hebben de huur betaald, zij het een paar dagen te laat hetgeen niet aan [geïntimeerden] kan worden verweten. Het ontruimingsvonnis zag niet op overlast.

2.2

Maasdelta heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in voorwaardelijke reconventie ontruiming van de woning binnen een week gevorderd wegens door [geïntimeerden] veroorzaakte overlast. Volgens Maasdelta is er al jaren overlast en is de situatie recent geëscaleerd door een ruzie van [geïntimeerden] met de buren.

2.3

Bij bestreden vonnis van 17 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 december 2015 geschorst onder de voorwaarde dat [geïntimeerden] de ter zake het moratorium gestelde voorwaarden onverkort nakomen. Volgens de voorzieningenrechter maakt Maasdelta in de gegeven situatie misbruik van recht als zij weigert om [geïntimeerden] een (korte) termijn te gunnen om haar betalingsgedrag in overeenstemming te laten zijn met het moratorium. De voorzieningenrechter acht daarbij van doorslaggevend belang dat aan [geïntimeerden] in redelijkheid geen verwijt ter zake de te late betaling kan worden gemaakt.

2.4

De vordering in reconventie heeft de voorzieningenrechter afgewezen, omdat het vereiste spoedeisend belang ontbreekt en omdat overlast in het vonnis van 11 december 2015 niet aan de ontbinding en ontruiming ten grondslag was gelegd. Bovendien kon de voorzieningenrechter niet vaststellen dat de situatie recent zodanig was geëscaleerd dat dat het treffen van een voorziening rechtvaardigde.

3.1

Hierna is in dit geding op grond van hetgeen partijen op de zitting van 5 augustus 2016 naar voren hebben gebracht en hetgeen [geïntimeerden] bij memorie van antwoord hebben aangevoerd, genoegzaam komen vast te staan, dat het schuldsaneringstraject voor [geïntimeerden] begin augustus 2016 is beëindigd en dat [geïntimeerden] de woning op 15 augustus 2016 hebben verlaten.

3.2

Gelet hierop heeft Maasdelta geen belang meer bij executie van het ontruimingsvonnis of een vordering tot ontruiming.

4.1

In verband met de mededeling ter zitting van Maasdelta dat zij een principiële uitspraak wil om te weten wat de gevolgen zijn van het niet voldoen aan het moratorium en in verband met de vraag welke partij de proceskosten moet dragen, overweegt het hof het volgende.

4.2

Er zijn geen grieven gericht tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter in reconventie. De gestelde overlast en escalatie blijven daarom in dit geding in hoger beroep verder buiten beschouwing.

4.3

In de toelichting op de eerste grief betoogt Maasdelta, kort gezegd, dat door de wanbetaling het moratorium zijn gelding heeft verloren, omdat aan de voorwaarde waaronder het moratorium werd verleend, niet is voldaan. Het gevolg hiervan is dat het ontruimingsvonnis van 11 december 2015 simpelweg ten uitvoer kan worden gelegd. Hierbij past niet dat de voorzieningenrechter aan [geïntimeerden] opnieuw een termijn geeft om aan hun verplichtingen te voldoen, omdat de voorzieningenrechter zo het moratorium doet herleven, aldus nog steeds Maasdelta. De overige grieven betreffen klachten over het oordeel van de voorzieningenrechter dat executie van het ontruimingsvonnis misbruik van recht oplevert.

4.4

De voorlopige voorziening van artikel 287b Faillissementswet heeft de strekking om de schuldenaar een adempauze te verschaffen van maximaal zes maanden (moratorium) om het minnelijk traject voort te zetten en zonder dreiging van een uithuiszetting een minnelijke regeling met zijn schuldeisers te bereiken of af te ronden. Daarnaast is deze periode bedoeld om de schuldenaar de gelegenheid te geven zijn goede trouw gefundeerd te laten blijken. Dit moratorium heeft een voorwaardelijk karakter en geldt dus slechts indien en zolang de schuldenaar aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft, voldoet.

Anders dan Maasdelta echter betoogt, verliest het moratorium niet automatisch zijn gelding wanneer aan de gestelde voorwaarde niet wordt voldaan. Uit artikel 287b lid 4 Fw volgt dat het moratorium strekt tot het van toepassing verklaren van (onder andere) artikel 305 Fw. Artikel 305 lid 2 Fw bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis wordt opgeschort onder de voorwaarde dat de lopende huur tijdig wordt voldaan. Uit artikel 305 lid 3 Fw volgt dat indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan het moratorium niet automatisch vervalt maar dat de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen waarbij hij een opzegtermijn in acht moet nemen. Wanneer de huurder niet met de opzegging instemt, dient de gang naar de rechter te volgen. De eerste grief wordt verworpen.

4.5

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat Maasdelta door de niet-tijdige huurbetaling niet automatisch bevoegd is geworden het ontruimingsvonnis waarvan de tenuitvoerlegging door het moratorium was geschorst, alsnog ten uitvoer te leggen. Reeds hierom had Maasdelta bij gebreke van opzegging niet tot executie van het vonnis mogen over gaan. Dit betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, zij het op andere gronden. Bij bespreking van de overige grieven is geen belang.

4.6.

Maasdelta zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2016;

- veroordeelt Maasdelta in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 314,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.E.H.M. Pinckaers en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.