Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:619

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
BK-16/00423
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:11232, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor: de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet; extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven; farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts; andere hulpmiddelen. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/24.18.7
V-N Vandaag 2017/581
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00423

Uitspraak d.d. 1 maart 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 13 september 2016, nummer SGR 16/3477, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2014 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.015 (hierna: de aanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Wegens betalingsonmacht van belanghebbende is geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 januari 2017. Daar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 15 december 2016 aan het adres [Y] te [Z] , onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen inlichtingen (track and trace) is de vorenbedoelde brief op 16 december 2016 op dit adres aangeboden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Het Hof gaat uit van de hierna vermelde, door de Rechtbank onder 1 tot en met 3 van haar uitspraak vastgestelde feiten.

"1. [Belanghebbende] heeft op 1 april 2015 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.715. In de aangifte heeft [belanghebbende] aangegeven dat hij een partner heeft. Voorts heeft [belanghebbende] de vraag in de aangifte, of sprake is van uitgaven voor specifieke zorgkosten, met ‘ja’ beantwoord. Ter zake heeft [belanghebbende] geen bedrag ingevuld, maar op de aangifte geschreven: “extra beddengoed + kleding” en “Bijzondere buitengewone uitgaven chronische ziektekosten”. Voorts heeft [belanghebbende] in de aangifte aangekruist dat hij recht heeft op de algemene heffingskorting, bijzondere verhoging heffingskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting, alleenstaandeouderkorting en alleenstaande ouderenkorting.

2. Op 21 augustus 2015 heeft [belanghebbende] in een brief aan de Belastingdienst/Toeslagen laten weten dat hij ten onrechte het inkomen van zijn vader, met wie hij op hetzelfde adres woont, van € 11.700 bij zijn inkomen heeft geteld. [De Inspecteur] heeft deze brief aangemerkt als aanvulling op de aangifte van [belanghebbende].

3. [De Inspecteur] heeft de definitieve aanslag IB/PVV met dagtekening 26 februari 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.015. Bij het opleggen van de aanslag zijn geen specifieke zorgkosten en heffingskortingen in aanmerking genomen."

3.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende drie facturen van [A] b.v. overlegd. Voor zover hier van belang houden de facturen het volgende in:

Factuur d.d. 20 januari 2014

Plantaardige Kool 45 caps Arkopharma

€ 6,76

330 Vitamine C Ascorbinzuur 250 gram AOV

€ 16,12

NAC (n-Acetyl-L-Cysteïne 500 mg) 120 vcaps Springf

€ 24,71

€ 47,59

Factuur d.d. 27 mei 2014

Basenpoeder 120 gram Bonusan

€ 13,13

B-1 100 mg 100 tab Now Foods

€ 7,91

Bio-Marine 150 caps Pharma Nord

€ 18,71

Bio-Vezel 120 tab Pharma Nord

€ 5,21

Bio-Calcium + D3 + K1 60 tab Pharma Nord

€ 20,13

330 Vitamine C Ascorbinzuur 250 gram AOV

€ 16,12

BioActive Magnesium 60 tab Pharma Nord

€ 17,88

€ 99,09

Factuur d.d. 10 april 2014

Pycnogenol-100 30 caps VitaFarma

€ 22,46

Kalium 90 tab Ess. Organics

€ 6,71

Foliumzuur 400 mcg 90 tab Ess. Organics

€ 6,71

BioActive Magnesium 60 tab Pharma Nord

€ 5,96

230 Foliumzuur 400 mcg 100 tab AOV

€ 5,21

231 Foliumzuur 5 mg 60 vcaps AOV

€ 6,94

€ 53,99

Onder elk van deze facturen staat: “Uw voorschrijver is [B] ”. De heer [B] is een praktiserend huisarts.

3.3.

Voorts heeft belanghebbende twee facturen van [C] overgelegd. Voor zover hier van belang houden de facturen het volgende in:

Factuur d.d. 27 november 2013

Artikel

Omschrijving

Aantal

Prijs

Totaal

1

Artikel 1143492 - Cabinefilter

2,00

3,00

6,00

1

Artikel 1131249 – Fijnstoffilter

2,00

23,00

46,00

1

Verzend- en administratiekosten

1,00

15,00

15,00

Totaal exclusief BTW

67,00

BTW Totaal

3,12

TOTAAL

€ 70,12

Factuur d.d. 25 maart 2014

Artikel

Omschrijving

Aantal

Prijs

Totaal

M3120

Neusbril M3120

3,00

3,00

9,00

M4250

Zuurstofslag verlengstuk 7,6 meter

4,00

4,00

16,00

M1523

Condensatie verzamelaar

3,00

6,00

18,00

M1220

Salter draaibaar verbindingsstuk man-man aansluiting

2,00

7,00

14,00

1

Verzend- en administratiekosten

1,00

15,00

15,00

Totaal exclusief BTW

72,00

BTW Totaal

11,97

TOTAAL

€ 83,97

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

  1. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet;

  2. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven;

  3. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;

  4. andere hulpmiddelen.

Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning tot een nader te bepalen bedrag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende overwogen:

"Beoordeling van het geschil

7. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdelen f en g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) kunnen uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet en voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, in aftrek worden gebracht volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

8. Het ligt op de weg van [belanghebbende] om aannemelijk te maken dat hij uitgaven heeft gedaan voor genoemde specifieke zorgkosten. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] daarin niet geslaagd. [Belanghebbende] heeft geen bewijsstukken, zoals rekeningen en/of betaalbewijzen, overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2014 op medisch voorschrift een dieet heeft gevolgd of dat hij kosten heeft gemaakt die verband houden met extra kleding of beddengoed. De enkele stelling van [belanghebbende] dat hij longemfyseem heeft en een dieet heeft gevolgd is onvoldoende. De verwijzing naar zijn huisarts en naar het advies van de GGD-keuringsarts dat de rechtbank zou moeten opvragen, is daarvoor eveneens onvoldoende. Het is aan [belanghebbende] om dergelijke informatie over te leggen. De rechtbank acht [belanghebbende] er daarom niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij extra uitgaven voor een dieet, kleding en beddengoed heeft gemaakt.

9. [ Belanghebbende] wenst voorts - naar de rechtbank begrijpt - het drempelbedrag voor specifieke zorgkosten uit artikel 6.20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, in combinatie met het tweede lid, van de Wet IB 2001, in aftrek te brengen. Anders dan [belanghebbende] stelt is het drempelbedrag uit artikel 6.20 Wet IB 2001 geen aftrekpost maar een door de wetgever ingevoerd minimumbedrag waarboven pas specifieke zorgkosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het bedrag van de drempel als zodanig komt derhalve niet voor aftrek in aanmerking.

10. De rechtbank is verder van oordeel dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in relatie tot zijn vader aan het partnerbegrip voor de inkomstenbelasting voldoet als bedoeld in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dat zij beiden staan ingeschreven op hetzelfde adres en een gemeenschappelijke huishouding voeren, is daarvoor onvoldoende.

11. De premies die [belanghebbende] heeft betaald in verband met zijn zorgverzekering kunnen niet in aftrek gebracht worden omdat deze bedragen door de wetgever in artikel 6.18, eerste lid onderdeel b, Wet IB 2001 expliciet van aftrek zijn uitgesloten.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

In artikel 6.17, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

(…)

c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;

d. andere hulpmiddelen voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofzakelijk door zieke op invalide personen worden gebruikt;

(…)

f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling;

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

(…)"

7.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht beslist dat belanghebbende geen aanspraak heeft op de aftrek van uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor een op medisch voorschrift gehouden dieet of voor extra kleding en beddengoed. Het Hof maakt deze beslissingen en de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden tot de zijne.

7.3.

Met betrekking tot de onder 4.1 ten 3e en ten 4e vermelde hogerberoepsgronden, stelt het Hof voorop dat belanghebbende de feiten dient te stellen en – bij weerspreking van de gestelde feiten door de Inspecteur – dient aannemelijk te maken die de conclusie kunnen dragen dat belanghebbende aanspraak heeft op de door hem voorgestane aftrek van uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan.

7.4.

Met betrekking tot de bedragen die belanghebbende heeft betaald op de onder 3.2 genoemde facturen van [A] b.v. overweegt het Hof het volgende. Wat betreft de in deze facturen aan belanghebbende in rekening gebrachte bedragen is aan één in artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet gestelde voorwaarde voldaan, te weten de voorwaarde dat de in de facturen genoemde preparaten zijn verstrekt op voorschrift van een arts. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de op de facturen betaalde bedragen uitgaven zijn die die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor farmaceutische hulpmiddelen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat, naar de Inspecteur heeft gesteld en belanghebbende niet, althans niet voldoende gemotiveerd, heeft weersproken, de gefactureerde preparaten ook voor andere doeleinden dan de behandeling of voorkoming van ziekte of aandoeningen plegen te worden gebruikt. Dat de preparaten op belanghebbende een gunstige werking hebben, doet hieraan niet af.

7.5.

Met betrekking tot de bedragen die belanghebbende heeft betaald op de onder 3.3 genoemde facturen van [C] overweegt het Hof het volgende. De betalingen op de factuur van 27 november 2013 komen niet voor aftrek op het belastbaar inkomen uit werk en woning van 2014 in aanmerking omdat zij, naar de Inspecteur heeft gesteld en belanghebbende niet heeft weersproken, in 2013 zijn gedaan. Het op de factuur van 25 maart 2014 betaalde bedrag van € 83,97 is, nu, naar uit het vorenoverwogene volgt, in 2014 geen andere voor aftrek in aanmerking komende uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn gedaan, lager dan het ingevolge artikel 6.20, eerste lid, van de Wet van toepassing zijnde drempelbedrag van € 198 (1,65 percent van het verzamelinkomen van belanghebbende (€ 12.015)). Dit betekent dat, los van het antwoord op de vraag of de betalingen aan [C] tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten kunnen worden gerekend, het op de factuur van 25 maart 2014 betaalde bedrag van € 83,97 niet op het belastbare inkomen uit werk en woning in mindering kan worden gebracht.

7.6.

Het Hof volgt belanghebbende niet in diens standpunt dat hij recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting. Daarbij overweegt het Hof dat, naar de Inspecteur heeft gesteld en belanghebbende niet heeft weersproken, de algemene heffingskorting waarop belanghebbende recht heeft bij de vaststelling van de aanslag in mindering is gebracht op de voor verrekening van de algemene heffingskorting verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. W.M.G. Visser, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 1 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.