Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:617

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
BK-16/00448
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:15150, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0695
V-N Vandaag 2017/582

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00448

Uitspraak d.d. 22 februari 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (Rechtbank) van 15 augustus 2016, nummer SGR 16/2523, betreffende de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2015 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2014 (waardepeildatum) van het object, plaatselijk bekend als [Y] te [Z] , voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op € 7.000 (beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (eigenarenbelasting). Met dagtekening 31 december 2015 is aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag in de onroerendezaakbelasting (gebuikersbelasting) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft op 2 januari 2016 tegen de aanslag gebruikersbelasting bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 19 februari 2016 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht is geheven van € 46.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Een griffierecht is geheven van € 124. De heffingsambtenaar heeft, hoewel daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 22 december 2016. Een afschrift is aan belanghebbende verstrekt.

2.3.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 29 december 2016. Een afschrift is aan de heffingsambtenaar verstrekt.

2.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 januari 2017. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Het door de heffingsambtenaar in de heffing betrokken object (object) bestaat uit een loods met omliggende grond met een oppervlakte van ongeveer 290 m2. De loods heeft een vloeroppervlakte van ongeveer 50 m2. De ondergrond van de loods en de omliggende grond maken deel uit van het kadastrale perceel, sectie […] nummer […] (het tweede perceel). Het tweede perceel is eigendom van belanghebbende. Het heeft een oppervlakte van 8.290 m2.

3.2.

Tussen het tweede perceel en het langs de [C] gelegen water ligt het kadastrale perceel, sectie […] nummer […] (het eerste perceel). Ook het eerste perceel, waarop de woning van belanghebbende is gelegen, is eigendom van belanghebbende.

3.3.

Bij de aanvang van 2015 was het tweede perceel verhuurd aan [A] b.v. (de b.v.). Aandeelhouder en directeur van de b.v. is de zoon van belanghebbende.

3.4.

Op 10 februari 2016 heeft [B] , taxateur van de gemeente [D] , een opname ter plaatse verricht.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder.

"Beoordeling van geschil

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het object juist afgebakend. In het overgelegde taxatierapport is door verweerder voor de objectafbakening uitgegaan van de gegevens uit het kadaster. Uit die gegevens volgt dat kadastraal één perceel grond is aangeduid van 8.290 m2. Van dat perceel heeft verweerder terecht 290 m2 kunnen toerekenen aan de werktuigenberging, nu de berging op die grond is geplaatst en er in de nabijheid van de berging – zoals volgt uit door verweerder overgelegde foto’s – geen gewassen worden geteeld zoals wel het geval is op de overige grond. Daar komt bij dat verweerder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat de verharde weg over het onderhavige perceel loopt en ook toegang biedt tot de berging. Ook hierin volgt de rechtbank verweerder.

6. Vervolgens is aan de orde of verweerder de waarde van het object niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Voor dit oordeel acht de rechtbank het volgende redengevend.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de verwijdering van het aanwezige asbest niet verplicht of noodzakelijk is. In dat geval dient de waardevermindering naar het oordeel van de rechtbank te worden bepaald op de reservering van kosten van de toekomstige verwijdering (vgl. Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7580). Verweerder heeft aan de hand van de Taxatiewijzer het te reserveren bedrag per m2 voor de verwijdering vastgesteld op € 10. Voor 60m2 te verwijderen asbest bedraagt de reservering dan € 600. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus voldoende rekening heeft gehouden met een waardevermindering vanwege de aanwezigheid van asbest.

8. De waarde van de grond bij de werktuigenberging heeft verweerder bepaald op € 4.350. Hierbij is hij uitgegaan van € 15 per m2. De waarde van € 15 per m2 is herleid uit de bij de verkoop van de in het taxatierapport genoemde percelen behaalde verkoopprijzen. Met deze onderbouwing acht de rechtbank de door verweerder bepaalde waarde voldoende aannemelijk gemaakt. Hetgeen eiser overigens heeft gesteld omtrent de bereikbaarheid van de werktuigenberging en de parkeermogelijkheden leidt niet tot het tegendeel.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van het object alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 19 februari 2016 wordt dan ook ongegrond verklaard.

10. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de beschikking met dagtekening 28 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beschikking na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 13 april 2015. Het bewaarschrift is op 6 januari 2016 ontvangen door verweerder. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet tijdig ingediend. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Verweerder heeft daarom het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 28 februari 2016 wordt daarom eveneens ongegrond verklaard.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil in hoger beroep en standpunten en conclusies van partijen

5.1.

In geschil is of aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

5.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag gebruikersbelasting.

5.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

6.1.

De heffingsmaatstaf van de gebruikersbelasting is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ vastgestelde waarde van de onroerende zaak. De bepaling van deze waarde geschiedt op de voet van Hoofdstuk III van de Wet WOZ.

6.2.

De eerste stap in de bepaling van de waarde op de voet van Hoofdstuk III van de Wet WOZ is de afbakening van de onroerende zaak waarvan de heffingsambtenaar de waarde dient te bepalen (objectafbakening). De toepassing van de objectafbakeningsregels gaat vooraf aan de toepassing van de overige in Hoofdstuk III van de Wet WOZ opgenomen voorschriften over de bepaling van de waarde van de onroerende zaak vooraf. Bij de objectafbakening komt aan de heffingsambtenaar niet een door de rechter te respecteren beoordelingsvrijheid toe. Met andere woorden, de objectafbakening vloeit rechtstreeks voort uit de wet. Het Hof mag zich niet van een beoordeling van de juistheid van de door de heffingsambtenaar toegepaste objectafbakening laten weerhouden door de omstandigheid dat partijen in de van hen afkomstige stukken van een andere opvatting zijn uitgegaan.

6.3.

De objectafbakening is geregeld in artikel 16 van de Wet WOZ. Het Hof overweegt dienaangaande het volgende.

6.4.

Het tweede perceel is verhuurd aan de b.v.. Uit niets blijkt dat de (ondergrond van de) loods en de rond de loods gelegen grond van de verhuur zijn uitgezonderd. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende zich bij de verhuur van het tweede perceel aan de b.v. in 2015 het gebruik van de loods en omliggende grond heeft voorbehouden. Ook anderszins is niet gebleken dat belanghebbende de loods en de omliggende grond metterdaad bezigde voor de bevrediging van eigen behoeften. De door de heffingsambtenaar aangevoerde omstandigheid dat ten tijde van de opname ter plaatse op 10 februari 2016 door [B] , in de loods een boot was opgeslagen, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende heeft verklaard dat de boot aan zijn zoon, tevens aandeelhouder/directeur van de b.v. toebehoorde, welke verklaring de heffingsambtenaar niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en overgelegd heeft hij voorts aannemelijk gemaakt dat het gehele aan de b.v. verhuurde tweede perceel, met inbegrip van de ondergrond van de loods en de rond de loods gelegen grond, door deze vennootschap in het kader van haar onderneming werd geëxploiteerd.

6.5.

Gelet op het een en ander is het Hof van oordeel dat de loods en de daaraan door de heffingsambtenaar toegerekende grond bij de aanvang van 2015 geen zelfstandige onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ was. Derhalve heeft de heffingsambtenaar de loods met omliggende grond ten onrechte als een afzonderlijke onroerende zaak in de heffing van de gebruikersbelasting betrokken.

6.6.

Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep gegrond en zal het Hof beslissen zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

7.2.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslag gebruikersbelasting;

  • -

    gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffie-recht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.T. Sanders en mr. J.J.J. Engel in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 22 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.