Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:585

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
200.200.001/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenwoning. Strijd over de gezamenlijke woning, de honden, inboedelgoederen en privéadministratie van de vrouw. Daarnaast aan de orde: uitlatingen over en weer, onder ander op Facebook en een nieuwe vordering van de vrouw in beroep strekkende tot een gebieds- en contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.200.001/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/504862/KG ZA 16-723

arrest d.d. 31 januari 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.B. van den Ouden te Oude Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,

tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T. Abbo te Middelharnis.

Het geding

Bij exploot van 19 september 2016 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2016, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie en de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

In de appeldagvaarding heeft de vrouw zes grieven aangevoerd en heeft zij een nieuwe vordering ingesteld. De vrouw heeft daarbij zeven producties overgelegd.

De vrouw heeft verzocht, de zaak als spoedappel te behandelen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen.

Ter rolzitting van 4 oktober 2016 heeft de vrouw de conclusie van eis ingediend en gepersisteerd bij de in de appeldagvaarding verwoorde eis.

De man heeft de memorie van antwoord ingediend ter rolzitting van 1 november 2016.

Partijen hebben pleidooi gevraagd. Zij hebben schriftelijk gepleit en ieder ter rolzitting van 13 december 2016 hun pleitnota overgelegd. De vrouw heeft bij haar pleitnota zes producties overgelegd. De man heeft bij zijn pleitnota twee producties overgelegd. Partijen hebben in deze pleitnotities over en weer gereageerd op de pleitnotities van de andere partij.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten is geen grief gericht zodat het hof (mede) van die feiten zal uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter in conventie de vorderingen afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. In reconventie heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld om binnen twee dagen na de betekening van dat vonnis alle geuite negatieve teksten over de man op sociale media, waaronder Facebook, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom; voorts de vrouw veroordeeld, op straffe van een dwangsom om zich te onthouden van het doen van smadelijke en lasterlijke uitlatingen, in de breedste zin van het woord, over de man op sociale media, waaronder Facebook. Het vonnis is in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ook in reconventie zijn de proceskosten gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De vordering van de vrouw

3. De vrouw vordert in hoger beroep dat het bestreden vonnis in conventie en in reconventie zal worden vernietigd en dat de vorderingen van de vrouw zullen worden toegewezen, met een uitbreiding van haar vorderingen, als volgt:

1) Te bepalen dat de man de sleutel van de woning te [plaats A] aan de [adres] aan de vrouw overhandigt zoals onder 6 van de inleidende dagvaarding beschreven, op straffe van een dwangsom voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man daarmee in gebreke blijft;

2) Te bepalen dat de man de beide honden [naam] en [naam] aan de vrouw ter beschikking zal stellen zoals onder punt 7 en 8 van de inleidende dagvaarding beschreven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man daarmee in gebreke blijft;

3) Te bepalen dat de man de inboedelgoederen zoals onder punt 9 van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg beschreven aan de vrouw ter beschikking zal stellen, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de man hiermee in gebreke blijft;

4) Te bepalen dat de man de onder punt 12 van de dagvaarding in eerste aanleg beschreven genoemde bescheiden aan de vrouw ter beschikking zal stellen, eveneens op straffe van een dwangsom voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de man daarmee in gebreke blijft;

En, bij wijze van aanvullende vorderingen:

5) De man te verbieden de gemeenschappelijke woning van partijen te verkopen zonder dat de vrouw zich tevoren over de verkoopvoorwaarden c.q. de verkoopprijs voor akkoord heeft uitgelaten;

6) De man te verbieden zich te bevinden dan wel zich op te houden in een gebied ter grootte van 500 meter met als middelpunt [adres] te [plaats B] ;

7) De man te verbieden buiten het onder 5. genoemde gebied op enigerlei wijze contact te zoeken dan wel te maken dan wel de vrouw anderszins lastig te vallen;

8) De man te verbieden om met de vrouw schriftelijk dan wel telefonisch in contact te treden dan wel haar via de sociale media direct of indirect te contacten dan wel zich negatief over de vrouw uit te laten;

9) Te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt ter grootte van € 250,- voor iedere dag of iedere maal dat de man in gebreke blijft met het in deze te wijzen verbod dan wel dat overtreedt zoals hiervoor omschreven;

10) De man te veroordelen in de kosten van de procedure.

4. De man concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar aanvullende vorderingen, althans tot afwijzing daarvan; kosten rechtens.

Enige achtergrond informatie

5. De zaak betreft, kort weergegeven, het volgende. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben de woning aan de [adres] te [plaats A] in gezamenlijke eigendom. De man bewoont nu deze woning (wederom), de vrouw heeft een woning betrokken in [plaats B] . Partijen strijden over de woning, de honden die zij in hun gemeenschappelijke huishouding hadden, over inboedelgoederen en over de privé administratie van de vrouw en over gestelde uitlatingen die partijen over elkaar doen. Daarnaast speelt in hoger beroep een nieuwe vordering van de vrouw tot het opleggen van een gebieds- en contactverbod aan de man.

Overhandiging sleutels en de vrouw in de gelegenheid stellen zich over de verkoopprijs en de verkoopvoorwaarden uit te laten

6. In de eerste grief voert de vrouw aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte overweegt dat ter zitting een vergelijk tussen partijen tot stand is gekomen en de vordering tot afgifte van de sleutel is ingetrokken zodat deze geen bespreking meer behoeft. Op zich is wel juist dat de voorzieningenrechter geprobeerd heeft een regeling tussen partijen te bereiken, maar aan de opstelling van partijen is te wijten dat dit niet is gelukt. Direct na de gemaakte afspraak is een eenzijdige prijswijziging voor de woning (die te koop staat) doorgevoerd waar de vrouw niet in is gekend. De vordering in de inleidende dagvaarding onder 1 (overhandiging door de man aan de vrouw van de sleutel van de woning te [plaats A] ) is dan ook nog altijd actueel en is uitgebreid met de vordering dat het de man zal worden verboden de woning te verkopen zonder dat de vrouw zich tevoren over de verkoopvoorwaarden c.q. de verkoopprijs voor akkoord heeft uitgelaten.

7. De man stelt dat de vrouw niet in hoger beroep kan komen van een ingetrokken vordering. Bovendien heeft de vrouw op Facebook aangegeven dat zij in het bezit is van een sleutel van de woning, zo voert de man in de memorie van antwoord aan; aldus heeft zij geen belang bij die vordering. Voor de verkoop van de woning is een welwillende houding van de vrouw van belang. Het is vooral van belang dat de makelaar toegang kan hebben tot de woning. De vrouw kan gewoon contact opnemen met de makelaar die haar dan kan informeren.

8. Het hof overweegt als volgt. De omstandigheid dat de vrouw haar vordering tot overhandiging van de sleutel in eerste aanleg heeft ingetrokken, maakt niet dat zij daarmee afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht. Het hof zal deze vordering beschouwen als een nieuwe vordering in hoger beroep.

9. De vrouw heeft niet betwist dat zij volgens haar eigen verklaring (op Facebook) reeds in het bezit is van de sleutel zodat, wat daar verder ook van zij, de vrouw geen belang heeft bij die vordering; deze wordt daarom afgewezen.

10. Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg is af te leiden dat partijen ter zitting een afspraak hebben gemaakt over de verkoop van de woning. Afgesproken is dat de vrouw rechtstreeks contact kan zoeken met de door de man reeds aangezochte makelaar, die aldus wordt beschouwd ook in opdracht van de vrouw te handelen.

11. Partijen zijn overeengekomen dat de woning op de kortst mogelijke termijn moet worden verkocht met bemiddeling van de inmiddels door de man aangezochte makelaar. Partijen zijn overeengekomen dat zij zich beiden aan de aanwijzingen van de makelaar zullen houden. Gezien de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft de vrouw geen belang bij haar grief.

De honden

12. Het hof bespreekt de tweede en derde grief gezamenlijk. Ten onrechte is volgens de vrouw overwogen dat de situatie al meer dan een jaar zo is dat één hond bij de vrouw verblijft en twee honden bij de man. Ten onrechte is vervolgens de vordering van de vrouw tot afgifte van de honden afgewezen. De honden hebben ook na het verbreken van de relatie meerdere malen een of meer dagen bij de vrouw doorgebracht. De vrouw is eigenaar van de honden hetgeen volgt uit de paspoorten. Partijen hebben beiden de kosten voor de honden voldaan.

13. De man betwist dat de honden ook na het verbreken van de relatie regelmatig bij de vrouw hebben verbleven. De man heeft ook de paspoorten van de honden overgelegd en hieruit volgt juist dat de man de eigenaar is. De vrouw heeft na het uiteengaan van partijen nieuwe paspoorten aangevraagd voor de honden waarop zij als eigenares staat vermeld.

14. Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niets aangevoerd dat tot een ander oordeel moet leiden. De omstandigheid dat ook de vrouw kosten voor de honden heeft voldaan maakt de beoordeling niet anders. Beide partijen volharden ieder in hun standpunt dat zij de eigenaar zijn van de honden; daarover zal zo nodig in een bodemprocedure moeten worden beslist.

Afgifte inboedelgoederen en privé administratie van de vrouw

15. In de vierde grief voert de vrouw aan, althans zo begrijpt het hof de grief, dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering tot afgifte van inboedelgoederen en de privé administratie door de man aan de vrouw heeft afgewezen. De man heeft de lijst met gevorderde spullen/inboedelgoederen/eigendommen van de vrouw niet betwist, aldus de vrouw. Uit de producties IV tot en met VI volgt dat de man de vrouw geen items van die lijst ter beschikking heeft gesteld. De man heeft de vrouw niet de gelegenheid geboden om zaken mee te nemen. Haar belang bij deze vordering is dan ook onverminderd groot. De deurwaarder heeft beslag gelegd bij de man en trof daarbij nog een aantal overgebleven goederen van de vrouw aan. De vrouw heeft het proces-verbaal van beslaglegging, voorzien van foto’s, overgelegd.

16. De man stelt dat de vrouw reeds lange tijd beschikt over de inboedelgoederen. Hij heeft haar de gelegenheid gegeven om de door haar gewenste zaken uit de woning mee te nemen. De foto’s betreffen inboedelgoederen die aan de man toebehoren. Het grootste deel van de zaken die de vrouw vordert vallen niet onder het gelegde conservatoir beslag. De zaken waarop beslag is gelegd zijn niet de zaken waarvan de vrouw afgifte vordert. Mogelijk vormt alleen de inhoud van de bureauladen hierop een uitzondering; het kan zijn dat hierin nog administratieve bescheiden liggen die in eigendom aan de vrouw toebehoren. De man zal deze nog verder sorteren en voor zover deze aan de vrouw toebehoren aan haar ter beschikking stellen.

17. Het hof is van oordeel dat, evenals in eerste aanleg, nog altijd niet vast staat dan wel aannemelijk is geworden dat de man inboedelgoederen en privé administratie van de vrouw onder zich heeft zoals is omschreven in de dagvaarding. Ook het proces-verbaal van beslaglegging dat de vrouw heeft overgelegd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Daarmee staat nog altijd niet vast dat de inboedelgoederen waarop beslag is gelegd, de vrouw in eigendom toebehoren. Ook ten aanzien van de bescheiden die betrekking hebben op de privé administratie van de vrouw is dit niet komen vast te staan. Zoals de voorzieningenrechter terecht overweegt is in kort geding geen plaats voor bewijslevering over de eigendom van de inboedelgoederen en administratie. Het hof gaat er wel van uit dat de man zijn toezegging, dat hij de bescheiden die alsnog van de vrouw blijken te zijn, aan de vrouw zal afgeven.

Het zich over en weer smadelijk en lasterlijk over de ander tegen derden uitlaten

18. In de vijfde grief stelt de vrouw, althans zo begrijpt het hof de grief, dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vrouw heeft veroordeeld om binnen twee dagen na de betekening van dat vonnis alle geuite negatieve teksten over de man op sociale media, waaronder Facebook, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de vrouw veroordeeld, op straffe van een dwangsom, om zich te onthouden van het doen van smadelijke en lasterlijke uitlatingen, in de breedste zin van het woord, over de man op sociale media, waaronder Facebook. De vrouw had betoogd dat een veroordeling, gelet op de wijze waarop partijen met elkaar omgingen, tot grote problemen en executiegeschillen aanleiding zou geven, ook omdat de man valselijk opgemaakte facebookberichten in het geding heeft gebracht. De vrouw aarzelde daarom om toe te zeggen zich verder van negatieve uitingen aan het adres van de man te zullen onthouden; zij wenst niet aansprakelijk te worden gesteld voor uitlatingen die zij niet heeft gedaan. De vordering van de man dient alsnog te worden afgewezen nu de vrouw deze uitdrukkelijk heeft betwist.

19. De man stelt ter zitting bereid te zijn geweest zijn reconventionele vordering ook op hem zelf van toepassing te laten zijn, over en weer op straffe van een dwangsom, maar de vrouw heeft dit geweigerd. De vrouw schroomt niet haar mening over de man ook naar derden toe kenbaar te maken. De man betwist dat hij valse berichten op Facebook heeft gezet. De vrouw vraagt voor het eerst in hoger beroep een verbod dat de man zich niet negatief over de vrouw mag uitlaten via sociale media. De man heeft dit tot nu toe niet gedaan.

20. Het hof overweegt dat uit de overgelegde producties (4 tot en met 6, overgelegd bij de eis in reconventie van de zijde van de man) volgt dat de vrouw zich tegenover derden lasterlijk over de man heeft uitgelaten. De vrouw heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep uitdrukkelijk toegezegd dat zij deze handelingen zal staken.

21. Dat de man valselijk berichten op Facebook zou hebben opgemaakt wordt door de man betwist en is door de vrouw ook niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Niet is komen vast te staan dat de man negatieve uitlatingen via de sociale media heeft gedaan over de vrouw.

22. De vrouw vordert wel een verbod daartoe maar onderbouwt in het geheel niet dat de man dit al zou hebben gedaan. Dat de man zich anderszins niet prettig jegens de vrouw zou hebben opgesteld is daartoe niet redengevend. Daarom wordt het bestreden vonnis ten aanzien van de vordering van de man bekrachtigd en wordt de vordering van de vrouw op dit punt afgewezen. De vijfde grief wordt gepasseerd.

23. De zesde grief mist zelfstandige betekenis en wordt ook niet verder toegelicht zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Het in hoger beroep door de vrouw gevorderde straat- en contactverbod

24. De vrouw voert aan dat zij voortdurend wordt lastig gevallen en gestalkt door de man. De vrouw verwijst naar productie VIII (bedoeld zal zijn productie II waarnaar de vrouw in punt 9 van de appeldagvaarding verwijst) waarmee zij stelt aan te tonen dat de man haar stelselmatig lastig valt. De Officier van Justitie heeft de man een contactverbod opgelegd maar de man trekt zich daarvan niets aan. Politie en justitie zijn niet bereid en/of in staat om handhavend op te treden. Daarom vordert de vrouw in hoger beroep dat het hof de man een straat- en contactverbod zal opleggen.

25. De man betwist dat hij het hem in het kader van het strafproces opgelegde contactverbod overtreedt. De vrouw toont in het geheel niet aan dat een straat- en contactverbod noodzakelijk zijn.

26. Productie II betreft een handgeschreven verklaring van de vrouw met vermelding van data waarop de man de vrouw zou hebben benaderd. Enige toelichting hierop door de vrouw ontbreekt. De man heeft betwist dat hij het hem in het strafrechtelijk kader opgelegde contactverbod heeft overtreden. Aldus is niet aannemelijk geworden dat de man de vrouw (stelselmatig) zou lastigvallen. Nu niet aannemelijk is geworden, gelet op het voorgaande, dat de man het in een strafrechtelijk kader opgelegde contactverbod overtreedt is er geen grond om een civielrechtelijk contactverbod versterkt met een dwangsom op te leggen aan de man. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.

Slotsom. Proceskosten

27. De slotsom is dat alle door de vrouw aangevoerde grieven falen en dat er geen gronden zijn om de door de vrouw voor het eerst in hoger beroep ingestelde vorderingen toe te wijzen. Voor een proceskostenveroordeling is geen grond aanwezig, zodat deze vordering van de vrouw zal worden afgewezen. Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.N. Labohm en D. Wachter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.