Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:583

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
200.182.108/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wettelijke gemeenschap van goederen. Tweetal schulden waarvoor man en vrouw gelijk draagplichtig zijn. De man betaalt af op de schulden en betaalt rente en aflossing. Man heeft niet meer dan de helft voldaan. Is reeds een regresvordering ontstaan voor de helft van het betaalde? Hof sluit aan bij HR 6 april 2012, NJ 2012/196: regresvordering ontstaat pas als de hoofdelijk schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.182.108/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 4147857 CV EXPL 15-4048

arrest van 31 januari 2017

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.F. Ammerlaan te Dordrecht.

Het geding

Bij exploot van 9 december 2015 is de man in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 15 oktober 2015 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

De man heeft bij memorie van grieven 3 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven weersproken.

De man heeft op 21 juni 2016 een akte indiening producties genomen.

De vrouw heeft op 19 juli 2016 een antwoordakte genomen.

De vrouw heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Nu de man niet meer dan de helft van de schuld heeft voldaan komt hem geen regresvordering toe op de vrouw.

3. In appel heeft de man gevorderd: om te vernietigen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2015 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van eiser in eerste instantie, thans appellant, toe te wijzen als ontvankelijk en gegrond, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

Kern van het geschil

4. Partijen zijn in de wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd geweest. Tot de voormalige huwelijkse goederengemeenschap behoren onder meer een tweetal schulden waarvoor beide partijen gelijk draagplichtig zijn. De man betaalt af op deze schulden en betaalt daarover rente en kosten. De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt is, of de man inmiddels een regresvordering op de vrouw heeft terwijl hij nog niet meer dan de helft van de schulden heeft voldaan.

5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 april 2012 NJ 2016/196 overwogen dat de tekst van art. 6:10 lid 2 BW en van art. 6:11 lid 1 en 3 BW erop wijst, mede in het licht van de parlementaire geschiedenis, dat de regresvordering pas ontstaat indien de hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Deze betaling door de hoofdelijk verbonden schuldenaar is dan ook niet een voorwaarde in de zin van art 6:21 BW (voorwaardelijke verbintenis), maar een wettelijke voorwaarde voor het ontstaan van de regresvordering. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat, anders dan wel is afgeleid uit een aantal eerdere uitspraken van de Hoge Raad, tot uitgangspunt moet dienen dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.

Naar het oordeel van het hof dient dit arrest ook naar analogie te worden toegepast op de onderhavige situatie.

6. Niet in geschil is dat de man niet meer dan de helft van de schulden heeft voldaan.

Grieven van de man

7. De man is het er niet mee eens dat de regresvordering van hem op de vrouw pas ontstaat wanneer hij de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Ten onrechte heeft de rechtbank hier het drempelstelsel gevolgd en niet het evenredigheidsbeginsel met als gevolg dat dit regresrecht niet per betaling is toegepast. De man stelt zich op het standpunt dat ingevolge art. 6:10 lid 2 BW een regresrecht ontstaat per betaling, in plaats van pas vanaf het moment dat er meer dan de helft van de vordering is afgelost. De vordering van DNV bedraagt, ondanks de aflossingen van de man, nog steeds € 20.000,-. Dit komt omdat partijen naast de aflossing ook een kredietvergoeding zijn verschuldigd. De vordering wordt dus niet ingelopen. De vordering van het UWV wordt verhoogd met de rentekosten. Het drempelstelsel werkt niet in die gevallen waarin de omvang van de hoofdelijk verschuldigde vordering niet op voorhand vaststaat. De man beroept zich op art. 6:8 jo. art 6:2 BW. Het is onredelijk en onbillijk dat de man pas een regresrecht heeft op de vrouw nadat hij meer dan de helft van de vorderingen heeft voldaan. De man stelt zich op het standpunt dat het uitgangspunt van de Hoge Raad dat een regresvordering pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat in casu tot een onredelijk resultaat leidt omdat de omvang van het hoofdelijk verschuldigde bedrag niet vast staat. De man stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op regres per betaling, waarbij het niet van belang is of hij meer dan de helft van de totale schuld heeft voldaan. Partijen hebben contractueel afgesproken dat beide partijen de kosten zouden betalen en de wederpartij doet dit in strijd met de gemaakte afspraken niet.

8. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Partijen hebben een gelijk aandeel in de schulden bij DNV en UWV. Er ontstaat pas een regresrecht op het moment dat de man de schuld voor meer dan zijn gedeelte heeft voldaan. Er is geen onderscheid tussen vorderingen die wel of niet in omvang vaststaan. Dat de man niet meer dan de helft van de schulden heeft voldaan staat wat de vrouw betreft vast. In het onderhavige geval is en blijft het zo dat de man tot op heden niet meer heeft betaald dan het deel van de schuld dat hem aangaat.

9. Het hof overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 april 2012 NJ 2016/196 beslist dat de regresvordering eerst ontstaat op het moment dat de schuldenaar meer dan zijn aandeel in de schuld heeft voldaan. Vaststaat dat de man op dit moment niet meer dan de helft van de schuld heeft voldaan. Gezien dit feit heeft de man op de vrouw voor wat betreft de schuld geen regresvordering. Het feit dat hij wel de kosten voldoet op de openstaande geldleningen doet daaraan niet af. In de financiële afwikkeling dient de vrouw zich wel te realiseren dat ook zij haar aandeel in deze kosten moet voldoen. Op basis van de gestelde gegevens kan het hof echter niet vaststellen dat de man een groter aandeel in de kosten heeft betaald dan betrekking heeft op zijn aandeel. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot zijn beslissing is gekomen en neemt deze gronden over.

10. Om uit de impasse te komen doen partijen er verstandig aan om met elkaar te overleggen over de afwikkeling van de schulden. Beide partijen hebben hun verantwoordelijkheid tot aflossing van deze schulden.

Proceskosten

11. Gezien het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten in hoger beroep te compenseren.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 15 oktober 2015 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, J.A. van Kempen, A.E. Sutorius-van Hees, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.