Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:582

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
200.202.342/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Legitieme portie. Incident in hoger beroep: schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aan te leggen criterium. Belangenafweging. Hof wijst vordering in incident af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.202.342/01

Zaak-rolnummer rechtbank : C/09/478197 / HA ZA 14-1325

arrest in het incident d.d. 28 februari 2017

inzake

1. [Broer een] ,

en

2. [Partner erflater] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. C.I. Zaad te Den Haag,

tegen

1. [Zus een] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

2. [Broer twee] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

3. [Broer drie] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. K.N. Holtrop te Lelystad.

Het geding

Appellanten zijn bij exploot van 21 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 oktober 2016 gewezen tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerden als eisers, hierna: het bestreden vonnis.

Het bestreden vonnis is nadien, bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 november 2016, hersteld vanwege een schrijffout in de achternaam van geïntimeerden in het dictum.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

Appellanten hebben ter rolzitting van 20 december 2016 een memorie van grieven ingediend, naar het hof begrijpt abusievelijk getiteld ‘memorie van antwoord’. In deze memorie van grieven hebben appellanten drie grieven genomen en vijf producties overgelegd. Tevens hebben appellanten bij incidentele vordering de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex artikel 351 Rv van het bestreden vonnis gevorderd.

Geïntimeerden hebben een memorie van antwoord in het incident genomen.

Geïntimeerden hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling in het incident

Opmerking vooraf

1. Het hof merkt allereerst het volgende op. Uit de uiterste wil van erflater, zie hieronder, blijkt van een andere schrijfwijze van (een aantal van de) namen van partijen dan zoals deze door partijen in de stukken zijn gepresenteerd en door de rechtbank in het bestreden vonnis zijn gebezigd. Het hof zal uitgaan van de namen zoals door partijen gepresenteerd.

Algemeen

2. In het bestreden vonnis, zoals hersteld bij herstelvonnis van 9 november 2016, heeft de voorzieningenrechter onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, appellanten veroordeeld tot betaling van:

- € 49.279,- aan [Zus een] ;

- € 49.351,- aan [Broer twee] ;

- € 48.699,- aan [Broer drie] .

3. Appellanten vorderen dat het dit hof moge behagen te bepalen dat de executie van het vonnis in eerste aanleg wordt geschorst dan wel wordt aangehouden totdat er in hoger beroep is beslist.

4. Geïntimeerden voeren verweer en vorderen dat het dit hof moge behagen appellanten in hun verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, naar het hof begrijpt, niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door appellanten gedane verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen en hen te veroordelen in de proceskosten.

Enige achtergrondinformatie

5. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Geïntimeerden en appellant sub 1 zijn kinderen van [naam erflater] , die is overleden op [in] 2011 (hierna: erflater). Appellant sub 2 was de partner van erflater, met wie zij bij notariële akte van 22 juli 1998 een samenlevingsovereenkomst heeft gesloten. Bij uiterste wil van 11 april 1995 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt en appellanten, ieder voor de helft, tot zijn enige erfgenamen benoemd. Daarnaast heeft erflater bij deze uiterste wil percelen grond te Suriname gelegateerd aan geïntimeerden en aan appellanten. Geïntimeerden hebben na overlijden van erflater aanspraak gemaakt op hun legitieme portie. Bij het bestreden vonnis zijn appellanten, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan ieder van geïntimeerden te betalen de aan hem/haar toekomende legitieme portie minus de waarde van het aan hem/haar toegekende legaat en minus de voor hem/haar rekening komende erfbelasting. In geschil is thans de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze veroordeling tot betaling van de legitimaire vorderingen door appellanten.

Grond voor schorsing

6. Appellanten stellen dat hun belang bij behoud van de huidige situatie totdat in hoger beroep over de zaak is beslist zwaarder weegt dan het belang van geïntimeerden om de veroordeling direct ten uitvoer te brengen. Appellanten voeren daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. Appellant sub 1 leeft van een studiebeurs en is inwonend in de woning van appellant sub 2. Appellant sub 2 heeft een WAO-uitkering. Het is evident dat appellanten de in eerste aanleg toegewezen som niet nu (ineens) kunnen betalen. In ieder geval niet zonder dat er onroerend goed – een woning in Suriname die op naam van appellant sub 2 staat – zal zijn verkocht. Het onroerend goed staat reeds in de verkoop, echter bank- dan wel andere beslagen blokkeren de voortgang van die verkoop. Immers, appellanten zullen door de beslagen zodanig beperkt gaan worden in het voldoen van hun dagelijkse levensbehoeften dat van voortgang rond de verkoop geen sprake meer kan zijn. Het belang van appellanten om voortgang te kunnen blijven behouden voor de dagelijkse levensbehoeften weegt op het moment zwaarder dan het (op dit moment niet invulbare) belang van geïntimeerden om de toegewezen vordering te kunnen verzilveren. Hoewel bij de belangenafweging een afweging over de haalbaarheid van het door appellanten aangewende rechtsmiddel achterwege dient te blijven, merken appellanten nog het volgende op. Door in het bestreden vonnis geen rekening te houden met gevoerde verweren van appellanten, heeft de rechtbank naar de mening van appellanten bewerkstelligd dat in hoger beroep de vordering en/of de hoofdelijke veroordeling zeer mogelijk nog wordt aangetast.

7. Geïntimeerden voeren verweer en stellen dat hetgeen appellanten aanvoeren geen grond oplevert voor schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Zij voeren daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. Het op de bankrekening van appellanten gelegde beslag blokkeert de verkoop van het onroerend goed in Suriname op geen enkele wijze. Dat appellanten beperkte inkomstenbronnen hebben maakt dit naar de mening van geïntimeerden niet anders. Het leggen van het bankbeslag maakt niet dat er voor appellanten geen middelen zouden zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hiervoor zijn regels opgesteld die een beslaglegger moet naleven en die ook worden nageleefd. Bovendien hebben appellanten inkomsten uit verhuur van het onroerend goed in Suriname. Geïntimeerden stellen dat hun belang daarin is gelegen dat zij niet op het hen krachtens de veroordeling toekomende geldbedrag hoeven te wachten tot de veroordeling onherroepelijk is geworden. Appellanten daarentegen hebben hun belang bij schorsing niet aangetoond. Zo hebben zij niet gesteld dat het voor hen niet mogelijk is het bankbeslag af te wenden door op enigerlei (andere) wijze tegemoet te komen aan het belang van geïntimeerden bij executie. Daarbij laten executoriale maatregelen onverlet dat de woning in Suriname gewoon verkocht kan worden. Nu voorts geen sprake is van misbruik van recht en appellanten in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben gesteld, dient volgens geïntimeerden het verzoek van appellanten tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te worden afgewezen.

8. Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688) het volgende:

(I) De eiser in het incident moet belang hebben bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging.

(II) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.

(III) Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing. Dit kan anders zijn indien het bestreden vonnis, waarvan beroep is ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(IV) Indien in de vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(V) Indien in de vorige instantie geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (IV) vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (I)-(III) vermelde.

9. Het hof maakt uit het bestreden vonnis op dat over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg geen debat is gevoerd en dat deze zonder motivering is toegewezen zoals door geïntimeerden is gevorderd. Derhalve dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor in r.o. 8 onder (I)-(III) vermelde.

10. Appellanten stellen dat hun belang bij schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad daarin is gelegen dat zij kunnen blijven voorzien in hun dagelijkse behoeften.

11. Het belang van geïntimeerden bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is in beginsel gegeven, nu hun vordering (onder meer) de betaling van geldsommen betreft.

12. Appellanten dienen uitvoering te geven aan een rechterlijke beslissing, tenzij komt vast te staan dat zij in een onmogelijke positie verkeren om aan deze beslissing uitvoering te kunnen geven dan wel dat er voor hen een noodsituatie ontstaat indien zij uitvoering moeten geven aan de rechterlijke beslissing. Het hof is van oordeel dat appellanten een en ander niet hebben aangetoond en overweegt daartoe als volgt. Appellanten hebben geen inzicht gegeven in hun huidige financiële situatie. Zo hebben zij niet aangegeven wat de hoogte is van hun maandelijkse inkomens noch van hun maandelijkse lasten dan wel eventueel vermogen. Het hof ziet voorts zonder nadere toelichting niet in dat, zoals appellanten stellen, de verkoop van de woning te Suriname als zodanig (zonder de opbrengst waarvan zij zeggen de geldbedragen (ineens) aan geïntimeerden niet te kunnen voldoen) wordt geblokkeerd door het gelegde bankbeslag. Volgens appellanten zullen zij door het beslag zodanig beperkt gaan worden in het voldoen van hun dagelijkse levensbehoeften, dat van voortgang rond de verkoop van de woning geen sprake meer kan zijn. Nu de woning reeds in de verkoop is gegeven, gaat het hof er vanuit dat eventuele kosten voor het verkoop klaar maken van de woning reeds zijn voldaan. Appellanten zullen voorts kunnen beschikken over de studiefinanciering en WAO-uitkering die op de bankrekening(en) waarop beslag is gelegd worden gestort na de datum van het gelegde beslag. Die gelden vallen niet onder het beslag. Op welke andere wijze het gelegde bankbeslag de verkoop verbintenisrechtelijk zou kunnen bemoeilijken is door appellanten gesteld noch gebleken.

13. Voor zover appellanten in punt 16 van hun memorie van grieven tevens incidentele vordering ex artikel 351 Rv hebben willen stellen dat het bestreden vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag, oordeelt het hof als volgt. Van een juridische of feitelijke misslag is slechts sprake indien deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Dit is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet aan de orde. Dat tegen het oordeel van de rechtbank inhoudelijke argumenten zijn aan te voeren, waarover verschillend kan worden gedacht, betekent niet dat het oordeel van de rechtbank evident onjuist is. Een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van appellanten zou bovendien leiden tot een verkapt hoger beroep, waarvoor in dit incident geen plaats is.

14. Voorts zijn door appellanten geen feiten of omstandigheden gesteld die na de bestreden beslissing zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

15. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat appellanten geen deugdelijke argumenten hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat hun belang zwaarder dient te wegen dan het belang van geïntimeerden bij uitvoering van het bestreden vonnis. Het hof wijst de vordering van appellanten tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad derhalve af.

Proceskosten

16. Nu het een procedure in de familierechtelijke sfeer betreft ziet het hof geen aanleiding om appellanten, zoals door geïntimeerden is gevorderd, in de proceskosten van dit incident te veroordelen en zal deze kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

17. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing in het incident

Het hof:

wijst af de vordering van appellanten tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis de rechtbank Den Haag van 5 oktober 2016, zoals hersteld bij herstelvonnis van 9 november 2016;

compenseert de kosten van dit incident aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verwijst de zaak voor de hoofdzaak naar de rol van 11 april 2017 voor de memorie van antwoord aan de zijde van geïntimeerden.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en A.H.N. Stollenwerck en
is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.