Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:580

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
200.181.767/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Enig erfgenaam. Latere vaststelling in rechte dat erflater nog een dochter had. Dochter moet alsnog als legitimaris worden aangemerkt. Termijn voor vordering instelling legitieme verlopen. Heeft de enig erfgenaam onrechtmatig gehandeld door in het kader van het opmaken van de verklaring van erfrecht na te laten de notaris op de hoogte te stellen van de positie van de dochter. Waardering van bewijslast. Voorshands aannemelijk geacht, tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.181.767/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/456691/HA ZA 13-1397

arrest van 21 februari 2017

inzake

[de dochter]

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: appellante,

advocaat: dr. mr. P.H.J. Körver te Den Haag,

tegen

[de neef] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde,

advocaat: mr. S. H. van Os te Zwijndrecht.

Het geding

Bij exploot van 14 oktober 2015, verbeterd bij herstelexploot van 10 november 2015, is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis op 15 juli 2015 gewezen door de rechtbank Den Haag tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde, hierna ook aan te duiden als: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het tussenvonnis van 8 oktober 2014 en in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft appellante een grief aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grief van de appellante bestreden.

Beide partijen hebben arrest gevraagd, waarbij geïntimeerde zijn procesdossier heeft overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in voormeld tussenvonnis en het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. Bij het tussenvonnis is geïntimeerde toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling van appellante dat geïntimeerde heeft nagelaten de kandidaat-notaris tijdens het gesprek van 24 mei 2002 op de hoogte te stellen van het bestaan van de appellante, haar (mogelijke) afstamming van na te noemen erflater en de uit het vonnis van 6 maart 1967 voortvloeiende alimentatieverplichting. Ieder verdere beslissing is aangehouden. Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van appellante afgewezen en is zij in de proceskosten veroordeeld.

3. Appellante vordert dat het het hof behage het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de navolgende vorderingen van appellante toe te wijzen:

  • -

    geïntimeerde te veroordelen tot onmiddellijke betaling aan appellante van alle gelden en afgifte van alle goederen die hij uit de erfenis van erflater onrechtmatig in zijn bezit heeft gekregen;

  • -

    subsidiair om voor recht te verklaren dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van geïntimeerde (het hof begrijpt appellante) door de erfenis van erflater te aanvaarden, zonder de notaris in te lichten over het vonnis van 6 maart 1967 en geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de door appellante als gevolg van voormelde handeling geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis (het hof begrijpt: arrest) tot aan de dag der gehele voldoening en

  • -

    meer subsidiair geïntimeerde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ex artikel 6:212 BW. Deze schade dient bij staat opgemaakt te worden,

met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten van beide instanties, zulks met bepaling dat over de proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest, en met verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

4. Geïntimeerde concludeert het bestreden vonnis te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling van de gronden, met veroordeling van appellante in de kosten van de procedure.

Procesrechtelijk

5. Appellante heeft bij memorie van grieven haar eis gewijzigd. Nu geïntimeerde hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt en naar het oordeel van het hof geen sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde, zal het hof rechtdoen op de gewijzigde eis.

Het geschil

Achtergrond

6. Geïntimeerde is krachtens testament enige en algehele erfgenaam in de nalatenschap van zijn oom, de heer [naam] , hierna: erflater, die [in] 2002 is overleden. Bij beschikking van 26 september 2012 heeft dit hof vastgesteld dat erflater de vader is van appellante. De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind, zodat de appellante op grond van voormelde beschikking alsnog als legitimaris van erflater moet worden aangemerkt. Nu de nalatenschap onder oud erfrecht is opengevallen, is op grond van artikel 128 lid 2 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek de termijn van vijf jaar na het overlijden van erflater waarbinnen appellante haar legitimaire vordering nog kon instellen en daarmee de status van erfgenaam kon verwerven, verlopen.

7. Appellante heeft in eerste aanleg kort gezegd betoogd dat de geïntimeerde jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door tijdens het gesprek dat op 24 mei 2002 op een notariskantoor heeft plaatsgevonden in het kader van het opmaken van een verklaring van erfrecht inzake de nalatenschap van erflater, na te laten de kandidaat-notaris op de hoogte te stellen van het bestaan van appellante, haar (mogelijke) afstamming van erflater en de uit het vonnis van 6 maart 1967 voortvloeiende alimentatieverplichting van erflater ten behoeve van de appellante. Dit terwijl geïntimeerde wel op de hoogte was van haar bestaan en haar mogelijke aanspraak op de nalatenschap van erflater.

8. De rechtbank heeft voorshands aannemelijk geacht de stellingen van appellante dat geïntimeerde heeft nagelaten de kandidaat-notaris tijden het gesprek van 24 mei 2002 op de hoogte te stellen van het bestaan van appellante, haar (mogelijk) afstamming van erflater en de uit het vonnis van 6 maart 1967 voorvloeiende alimentatieverplichting en heeft aan geïntimeerde tegenbewijs opgedragen, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2 is vermeld.

De grief

9. De grief van appellante beperkt zich - naar het hof begrijpt - louter tot de omstandigheid dat volgens haar geen van de door de rechtbank gehoorde getuigen heeft verklaard over het deel van het door de geïntimeerde te leveren tegenbewijs dat ziet op het gestelde nalaten van geïntimeerde de kandidaat-notaris op de hoogte te stellen van ‘de uit het vonnis van 6 maart 1967 voortvloeiende alimentatieverplichting.’ Dit terwijl geïntimeerde heeft verklaard dat hij destijds op de hoogte was van het bestaan van voormeld alimentatievonnis, aldus appellante. Zij is dan ook van mening dat geïntimeerde niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs zoals opgedragen bij het bestreden vonnis.

10. Geïntimeerde verweert zich daartegen en wijst erop dat de verklaring van een partijgetuige in het kader van tegenbewijs niet de beperkte bewijswaarde heeft als bedoeld in artikel 164, tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.). Volgens geïntimeerde heeft hij op 30 januari 2015 als partijgetuige onder meer verklaard dat hij de kandidaat-notaris heeft meegedeeld dat er een rechtszaak was geweest met als uitkomst dat erflater alimentatie moest betalen, dat erflater in die zaak de verkeerde getuigen had voorgebracht en altijd heeft ontkend dat hij de vader van de appellante was, alsmede dat erflater om hem moverende redenen indertijd niet in hoger beroep is gegaan tegen gemeld vonnis.

11. Het hof begrijpt uit de grief van appellante dat de kern van haar grief is dat de rechtbank het bewijs onjuist heeft gewaardeerd. Uit artikel 152 Rv. volgt dat de vrije bewijsleer geldt en wel in die zin dat de waardering van bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. Het is de taak van de rechter om op een begrijpelijke wijze te komen tot een waardering van het bewijs. De kern van de bewijsopdracht was dat geïntimeerde de kandidaat-notaris heeft geïnformeerd over de mogelijke afstamming van appellante van erflater.

12. Het hof overweegt voorts als volgt. Geïntimeerde stelt terecht dat hij in casu tegenbewijs mocht leveren met behulp van zijn eigen verklaring, zoals hij in eerste aanleg ook heeft gedaan. Deze verklaring ziet mede op het op de hoogte brengen van de kandidaat-notaris van het bestaan van meergemeld alimentatievonnis. De verklaring van geïntimeerde heeft dezelfde bewijskracht als de verklaringen van de overige door de rechtbank gehoorde getuigen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat geïntimeerde het voorshands aangenomen bewijs ook op dit punt heeft ontzenuwd. Niet aannemelijk is dat geïntimeerde de kandidaat-notaris wel ingelicht zou hebben over het bestaan van appellante en haar (mogelijke) afstamming van erflater - welke feiten in hoger beroep als vaststaand moeten worden aangenomen, nu hiertegen geen grief is gericht - maar de informatie met betrekking tot het alimentatievonnis zou hebben achtergehouden. Dat de andere getuigen hierover niet hebben verklaard, acht het hof niet relevant: door geïntimeerde is niet gesteld dat hij de positie van appellante tot in alle details met de getuigen heeft besproken.

13. Het hof komt derhalve ook in hoger beroep tot de slotsom dat geïntimeerde is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen tegenbewijs. Dit betekent dat de hoofdregel van artikel 150 Rv. weer van toepassing wordt en op appellante de bewijslast komt te rusten van haar stelling dat geïntimeerde jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten de kandidaat-notaris tijdens het gesprek van 24 mei 2002 op de hoogte te stellen van het bestaan van de appellante, haar (mogelijke) afstamming van erflater en de uit het vonnis van 6 maart 1967 voortvloeiende alimentatieverplichting. Appellante heeft in hoger beroep evenwel geen bewijs aangeboden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat geïntimeerde de kandidaat-notaris wel voldoende deugdelijk heeft ingelicht zoals vermeld en dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van geïntimeerde jegens appellante.

14. Het vorenstaande brengt mee dat de vorderingen van appellante dienen te worden afgewezen, hetgeen leidt tot bekrachtiging in zoverre van het bestreden vonnis.

Proceskosten

15. Nu de onderhavige zaak van familierechtelijke aard is, zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden zal het hof de proceskostenveroordeling van appellante in eerste aanleg vernietigen. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.

16. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover daarin de vorderingen van appellante zijn afgewezen;

vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling van appellante betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.