Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:534

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
200.208.346/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:549, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

HKOV-zaak. Artikel 13 lid 1 sub b + lid 2 HKOV gaan niet op verzoek benoeming bijzondere curator afgewezen. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 februari 2017

Zaaknummer : 200.208.346/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-9179

Zaaknummer rechtbank : C/09/522838

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.M. Coppes te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] , [land] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 30 januari 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
18 januari 2017 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 9 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 31 januari 2017 de processtukken uit de eerste aanleg met een daarbij behorende inventarislijst;

- op 7 februari 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- op 8 februari 2017 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum;

- op 13 februari 2017 een brief van 10 februari 2017 met bijlagen;

- op 14 februari 2017 een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 7 februari 2017 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 8 februari 2017 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 13 februari 2017 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 15 februari 2017 een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- op 16 februari 2017 een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

Naast de na te melden kindgesprekken die het hof met de minderjarigen heeft gevoerd, hebben de minderjarigen zich tot de Stichting [stichting] (hierna: de Stichting) gewend. In aanwezigheid van een medewerker van de Stichting en in afwezigheid van partijen, hebben de minderjarigen zelf en apart van elkaar, een brief geschreven, welke brieven als bijlagen bij brief van de Stichting van 2 februari 2017, bij het hof zijn ingekomen op 3 februari 2017, waarbij namens de minderjarigen tevens het verzoek is gedaan tot benoeming van een bijzondere curator.

Het hof heeft de Stichting bij brief van 6 februari 2017 medegedeeld de brief van de Stichting van 2 februari 2017 met bijlagen in goede orde te hebben ontvangen en dat het hof voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen noodzaak ziet om op voorhand een bijzondere curator te benoemen over de minderjarigen. Aan partijen heeft het hof op 6 februari 2017 een kopie van deze door het hof aan de Stichting verzonden brief doen toekomen.

De zaak is op 16 februari 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- [naam 1] en [naam 2] namens de raad.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarigen zijn in raadkamer gehoord. Bij deze gesprekken was een beëdigd tolk in de Engelse taal, [naam 3] , aanwezig. Door de raad is ter zitting nog een kopie van het door hem opgemaakte raadsrapport, gedateerd 18 januari 2017, inzake de vraag naar de wenselijkheid van een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling, overgelegd. Door geen van partijen is hiertegen bezwaar gemaakt, zodat het hof dit stuk bij zijn beoordeling zal betrekken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de terugkeer gelast van de na te noemen minderjarigen naar [woonplaats 2] , [land] , uiterlijk op 3 februari 2017, waarbij de vrouw de minderjarigen dient terug te brengen naar [woonplaats 2] , [land] , en heeft de rechtbank bevolen dat indien de vrouw dit nalaat, zij de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man zal afgeven uiterlijk op 3 februari 2017, opdat de man de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats 2] , [land] . Voorts is de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van de door hem gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding van € 14.471, en is het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn gehuwd geweest van 21 september 2001 tot 29 maart 2010;

- zij zijn de ouders van de volgende kinderen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [land] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [land] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , en

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [land] , hierna te noemen [minderjarige 3] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen;

- bij Court Order van 18 oktober 2016 van de Superior Court of Justice is de man “sole custody” over de minderjarigen verleend, voordien was bij Temporary Order van 12 oktober 2016 van de Superior Court of Justice de man “sole custody” over de minderjarigen verleend en daarvoor (derhalve ten tijde van de overbrenging door de vrouw van de minderjarigen naar Nederland) hadden partijen “joint custody” over de minderjarigen;

- de vrouw is op of omstreeks 3 oktober 2016 met de minderjarigen naar Nederland vertrokken;

- de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, de man de [land] en de minderjarigen (onweersproken) zowel de Nederlandse als de [land] nationaliteit;

- de man heeft zich op 20 oktober 2016 gewend tot de [land] Centrale Autoriteit; het eventuele IKO nummer is onbekend.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar [woonplaats 2] , [land] .

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk opnieuw rechtdoende;

I. een bijzondere curator te benoemen voor de minderjarigen die de stem van de minderjarigen in de procedure kan laten horen en daarbij aan te houden voor de duur van tenminste drie weken zodat de bijzondere curator in staat zal zijn met alle drie de minderjarigen te praten;

II. primair, de man niet-ontvankelijk te verklaren in (naar het hof begrijpt:) zijn inleidend verzoek;

III. subsidiair, het verzoek van de man tot onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen af te wijzen en te bepalen dat de minderjarigen in Nederland kunnen blijven, en

IV. meer subsidiair, te bepalen dat, indien de minderjarigen terug moeten keren, zij tenminste een maand de tijd krijgen om afscheid te nemen van hun thans zo vertrouwde omgeving.

3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw in haar hoger beroep tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren en haar in haar tegen de bestreden beschikking geformuleerde grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans de door de vrouw geformuleerde grieven af te wijzen als ongegrond en onbewezen, althans de bestreden beschikking te bevestigen met de veroordeling van de vrouw in de kosten die de man in verband met de ongeoorloofde overbrenging heeft gemaakt en nog dient te maken.

Bijzondere curator

4. De vrouw heeft, evenals de Stichting namens de minderjarigen voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij brief van 2 februari 2017 heeft gedaan, bij haar beroepschrift het hof verzocht een bijzondere curator te benoemen die de stem van de minderjarigen in de procedure kan laten horen en daarbij aan te houden voor de duur van tenminste drie weken zodat de bijzondere curator in staat zal zijn om met alle drie de minderjarigen te praten. Hoewel de vrouw heeft vernomen dat de raad altijd deel zal uitmaken van de procedure in hoger beroep, is zij van mening dat een bijzondere curator beter in staat zal zijn om met de minderjarigen te praten.

5. De man heeft verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de benoeming van een bijzondere curator niet noodzakelijk is. Het is niet nodig dat enige derde met de minderjarigen spreekt om hun stem aan het hof kenbaar te maken, nu het hof ook zelf met de minderjarigen zal spreken naar alle waarschijnlijkheid. Verder zou de benoeming van een bijzondere curator de zaak onnodig vertragen, hetgeen schadelijk is voor de minderjarigen en ook niet past in de strakke doorlooptijden in een kinderontvoeringszaak zoals de onderhavige.

6. Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechter, in het geval van een belangenstrijd betreffende de verzorging en opvoeding tussen degene die het gezag uitoefent en de minderjarige, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve, een bijzondere curator benoemt om de minderjarige te vertegenwoordigen, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht.

7. Het hof overweegt vooreerst dat de vrouw haar verzoek tot benoeming van een bijzondere curator ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niet nader heeft toegelicht. Naar het oordeel van het hof is in deze is geen sprake van een belangenconflict tussen de minderjarigen en de ouders. Het hof heeft in deze zaak de vraag te beantwoorden of, op grond van de bepalingen van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het HKOV), in samenhang met het bepaalde in de verordening Brussel II bis, zich een uitzonderingsgrond voordoet op grond waarvan de terugkeer van de minderjarigen naar [woonplaats 2] , [land] , dient te worden geweigerd. Het hof ziet in deze zaak geen taak weggelegd voor de bijzondere curator. De minderjarigen zelf zijn zowel door de rechtbank als het hof op een aan de leeftijd van de minderjarigen aangepaste wijze separaat gehoord en er zijn geen aanwijzingen dat zij hun mening niet vrijelijk hebben kunnen verwoorden. Daarnaast hebben de minderjarigen -ieder afzonderlijk- bij brief, welke door de Stichting als bijlagen bij haar bovengemelde brief aan het hof zijn overgelegd, ook hun mening kenbaar gemaakt. Tot slot wijst het hof op de omstandigheid dat de raad in het kader van het door hem op 8 november 2016 gestarte beschermingsonderzoek ook met de minderjarigen heeft gesproken.

Het hof zal het verzoek van de vrouw tot benoeming van een bijzondere curator en aanhouding van de onderhavige zaak dan ook afwijzen.

Toepassing van het HKOV en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet)

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 lid 1 van het HKOV

8. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 3 lid 1 van het HKOV het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd wordt beschouwd wanneer:

a. a) dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b) dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

9. Ook in hoger beroep staat als niet weersproken vast dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hadden in [woonplaats 2] , [land] , alvorens zij door de vrouw zijn overgebracht naar Nederland. Voorts is niet in geschil dat de man en de vrouw het gezamenlijk gezag daadwerkelijk over de minderjarigen uitoefenden op het moment van de overbrenging en dat de vrouw de minderjarigen zonder toestemming van de man niet heeft doen terugkeren naar [woonplaats 2] , [land] . Onweersproken is derhalve dat sprake is van ongeoorloofde overbrenging en ongeoorloofde vasthouding van de minderjarigen in Nederland zoals bedoeld in artikel 3 van het HKOV.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 lid 1 van het HKOV

10. Gezien het feit dat minder dan een jaar is verstreken tussen het niet doen terugkeren van de minderjarigen naar [woonplaats 2] , [land] , en het tijdstip van de indiening van het verzoek van de man tot teruggeleiding, moet op grond van artikel 12 HKOV de terugkeer van de minderjarigen worden gelast, tenzij sprake is van (een van) de weigeringsgronden van artikel 13 van het HKOV.

11. In artikel 13 van het HKOV is het volgende bepaald:

1. Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:

a. a) de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat

b) er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

2. De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

3. Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 13 lid 1 sub a van het HKOV (toestemming/berusting)

12. Het hof overweegt daarover als volgt. Zodra de vrouw te kennen gaf niet terug te zullen keren met de minderjarigen, is de man alles in het werk gaan stellen om de terugkeer van de minderjarigen naar [woonplaats 2] , [land] , te bewerkstelligen. Van een berusting van de man in een voortgezet verblijf in Nederland van de minderjarigen vanaf 6 oktober 2016 is het hof dan ook niet gebleken.

Artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV (lichamelijk of geestelijk gevaar)

13. Volgens de vrouw is er sprake van een ernstig risico dat de minderjarigen worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand zullen worden gebracht door terugkeer naar [land] . Naar de mening van de vrouw dient wel degelijk gekeken te worden naar haar (financiële) mogelijkheden om samen met de minderjarigen terug te keren. Indien de minderjarigen volledig worden verzorgd en opgevoed door de man, is hun veiligheid niet gewaarborgd. Ook naar aanleiding van de periode van 2010 tot 2012 waarin de vrouw zonder de kinderen in Nederland woonde, is de vrouw ervan overtuigd dat de man niet in staat was om de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op een verantwoorde wijze op zich te nemen en zij verwijst daarbij onder meer naar het ongeluk van [minderjarige 2] in 2012. Ook worden de minderjarigen bij een terugkeer in een ondragelijke toestand gebracht, nu in het verleden regelmatig is gebleken dat de man handelt uit eigen belang en niet in het belang en de veiligheid van de minderjarigen. In dit kader brengt de vrouw ten aanzien van [minderjarige 2] naar voren dat hij in [land] een gewone basisschool bezoekt, welk tempo hij niet of nauwelijks kan bijhouden en dat hij daarnaast ook nog diverse therapieën ondergaat buiten school. Dit brengt erg veel stress voor hem mee als gevolg waarvan zijn ontwikkeling juist achteruit in plaats van vooruit gaat en waardoor hij in een ondraaglijke situatie wordt gebracht. Naar de mening van de vrouw is dit alleen al voldoende om de minderjarigen niet te laten terugkeren naar [land] . Ook het feit dat de vrouw bij aankomst in [land] zal worden gearresteerd, had de rechtbank mee moeten laten wegen in haar beslissing, aldus de vrouw. Van algemene bekendheid is dat [land] zich hard opstelt tegen ouders die hun kinderen ongeoorloofd meenemen naar een ander land en haar hangt dan ook een (jarenlange) gevangenisstraf boven het hoofd. Daarnaast heeft de vrouw in [land] geen woning meer en geen financiële middelen, waardoor een voorwaardelijke vrijlating in haar geval niet aan de orde zal zijn.

14. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Er is geen sprake van een situatie waarin de vrouw niet samen met de minderjarigen kan terugkeren naar [land] . Indien de vrouw terugkeert naar [land] is de man bereid de eerdere zorgregeling, inhoudende dat de minderjarigen om de week bij de man en de vrouw verblijven, te herstellen en te continueren. Dat volgens de vrouw sprake is van het niet kunnen terugkeren naar [land] is ook niet aannemelijk gemaakt. Geen sprake is geweest van een oneigenlijke procedure en/of dat de man er alles aan heeft gedaan om het voor de vrouw onmogelijk te maken om in [land] te blijven. De man wijst er in dit kader op dat de vrouw in de periode 2010 tot 2012 alleen naar Nederland is gegaan, waarbij de man de zorg voor de minderjarigen geheel op zich heeft genomen. De man was en is in staat om de veiligheid van de minderjarigen te waarborgen en dat heeft hij de afgelopen jaren, ook na het droevige ongeval van [minderjarige 2] , laten zien. De man betwist uitdrukkelijk dat hij in het verleden vooral uit eigen belang in plaats van in het belang van de minderjarigen heeft gehandeld. Voorts kan niet worden gezegd dat [minderjarige 2] door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. [land] staat qua gezondheidszorg zeer goed aangeschreven en [minderjarige 2] kan in [land] de juiste zorg worden geboden, zoals dit in het verleden ook altijd is gebeurd. [minderjarige 2] is op school altijd goed begeleid, hij kreeg zelfs een apart programma waardoor hij in een reguliere klas kon worden geplaatst. Dit sprak [minderjarige 2] ook zeer aan. Zowel de man als de vrouw zijn in [land] zeer betrokken geweest bij [minderjarige 2] , zijn school en revalidatie. Alle beslissingen met betrekking tot [minderjarige 2] zijn in goed overleg genomen en de vrouw heeft zich daarover nimmer beklaagd. [minderjarige 2] kreeg in [land] wel degelijk de zorg die hij nodig had en die in overleg met zijn behandelaars en arts noodzakelijk werd geacht. Betwist wordt dan ook dat [minderjarige 2] in [land] alleen maar achteruit zal gaan. [minderjarige 2] kan terugvallen op zijn therapeuten en behandelaars van de afgelopen jaren en derhalve rekenen op alle zorg en aandacht die hij nodig heeft. Verder benadrukt de man (nogmaals) dat hij geen aangifte wegens onttrekking aan het gezag heeft gedaan en dat op geen enkele wijze blijkt van een mogelijke arrestatie van de vrouw indien zij zou terugkeren naar [land] . De vrees van de vrouw voor een arrestatie in [land] is ongegrond. De man betwist de slechte financiële situatie van de vrouw en dat zij geen woning meer heeft. Dat de woning wordt verkocht, valt de vrouw te verwijten omdat zij zelf ervoor heeft gekozen de hypotheek niet langer te voldoen waardoor de bank tot verkoop is overgegaan.

15. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat het beroep van de vrouw op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 aanhef en onder b HKOV niet opgaat. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen de vrouw daartoe in hoger beroep nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep zijn er, mede gelet op de restrictieve uitleg van de weigeringsgrond, onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat sprake is van een ernstig risico dat de minderjarigen door hun terugkeer worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht. De minderjarigen zijn geboren en getogen in [land] en zij hebben daar tot oktober 2016 gewoond. Gesteld noch gebleken is dat het niet goed ging met de minderjarigen aldaar. Nadat [minderjarige 2] in 2012 het ongeluk heeft gehad, is er een heel team van behandelaars en begeleiding opgezet opdat hij zich zo optimaal mogelijk kan ontwikkelen. Het hof wenst daarbij verder nog te benadrukken dat de enkele omstandigheid dat de behandeling van [minderjarige 2] bij [instelling] mogelijk beter is dan de behandeling(en) die hij in [land] krijgt niet betekent dat een terugkeer van [minderjarige 2] tezamen met de andere minderjarigen naar [land] het ernstige risico met zich brengt dat [minderjarige 2] en de andere minderjarigen in lichamelijk of geestelijk gevaar worden gebracht dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand zullen worden gebracht. Met betrekking tot de stellingen van de vrouw over een mogelijke vervolging in [land] overweegt het hof nog dat de man ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij alles in het werk zal stellen om vervolging van de vrouw te voorkomen. Daarnaast heeft de man te kennen gegeven dat hij bereid is de zorgregeling zoals die gold voor de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen naar Nederland te hervatten. Hierbij merkt het hof op dat partijen er goed aan doen in het belang van de minderjarigen zich in de toekomst te richten op een betere onderlinge communicatie, nu het hof - mede op basis van de met de drie minderjarigen afzonderlijk gevoerde kindgesprekken - de door de raad ter zitting verwoorde ernstige zorgen over de tussen partijen al zeven jaar voortdurende strijd en de invloed daarvan op de minderjarigen deelt.

Artikel 13 lid 2 van het HKOV (verzet van de minderjarigen)

16. De vrouw stelt dat de minderjarigen zich hevig verzetten tegen terugkeer naar [woonplaats 2] , [land] . De minderjarigen hebben zeer expliciet aangegeven dat zij, indien zij terug moeten naar [land] , zullen weglopen om te kijken of zij op andere wijze naar hun moeder in Nederland kunnen terugkeren. De minderjarigen willen niet worden verzorgd en opgevoed door de man. De vrouw heeft van de minderjarigen vernomen dat zij onvoldoende in staat zijn geweest om de rechtbank te vertellen wat zij wilden.

17. De man betwist de stelling van de vrouw. Dat de minderjarigen niet terug willen naar [land] en bij hun vader willen wonen, is niet gebleken. De minderjarigen zijn jong, zijn in [land] geboren en getogen en hebben het daar altijd erg naar hun zin gehad. Het feit dat de vrouw stelt dat de minderjarigen expliciet hebben aangegeven dat zij, indien zij moeten terugkeren naar [land] , zullen weglopen, is zorgelijk en daaruit blijkt een grote mate van beïnvloeding van de minderjarigen door de vrouw. Verder zijn de minderjarigen bij de rechtbank voldoende in de gelegenheid geweest om hun mening kenbaar te maken.

18. Het hof overweegt als volgt. De minderjarigen zijn afzonderlijk in raadkamer door het hof in het bijzijn van een tolk gehoord. Het hof heeft ter zitting van deze kindgesprekken zakelijk verslag gedaan.

Het hof is van oordeel dat hetgeen de minderjarigen hebben aangegeven, nog afgezien van de vraag of [minderjarige 3] een mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden, onvoldoende is in het licht van de uitzonderingsbepaling van artikel 13 lid 2 van het HKOV. Van verzet tegen hun terugkeer als bedoeld in laatstgemelde bepaling is niet gebleken. De door de minderjarigen afzonderlijk van elkaar geuite bezwaren, die voornamelijk zien op school en in het geval van [minderjarige 2] ook op de voor hem benodigde(medische) behandeling, zijn aan te merken als een wens om liever in Nederland te blijven, aangezien zij de omstandigheden in Nederland beter/prettiger vinden.

19. Daarbij merkt het hof op dat de inhoud en strekking van de brieven van de minderjarigen die bij het hof bij de brief van de Stichting van 2 februari 2017 als bijlagen zijn ingekomen, overeenkomt met hetgeen door de minderjarigen bij gelegenheid van de kindgesprekken is gezegd en waarvan door het hof ter zitting een kort verslag is gedaan. Het hof herhaalt dat het benaderen door de minderjarigen van de Stichting een wijze voor de minderjarigen is om zich zelfstandig tot de rechter te kunnen wenden. De door de Stichting toegezonden brieven van de minderjarigen beschouwt het hof om die reden dan ook niet als processtuk, waarvan aan partijen een afschrift wordt verstrekt. Het hof verwijst daarbij ook naar het bepaalde in art. 2.3.10 jo artikel 2.4.9 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven.

Conclusie

20. Ten aanzien van de termijn waarop de minderjarigen dienen terug te keren, die in de visie van de vrouw op tenminste vier weken dient te worden gesteld, hetgeen door de man wordt betwist, overweegt het hof als volgt. Nu sprake is van een ongeoorloofde vasthouding door de vrouw van de minderjarigen in Nederland zal de rechtmatige toestand op zo kort mogelijke termijn moeten worden hersteld. Er zijn door de vrouw geen bijzondere redenen aangevoerd op grond waarvan een langere dan gebruikelijke termijn voor terugkeer in acht dient te worden genomen. Daarbij deelt het hof de door de raad ter zitting verwoorde zienswijze dat het in het belang van de minderjarigen is dat deze onduidelijke situatie voor hen zo kort mogelijk duurt. Het verzoek van de vrouw de teruggeleiding met vier weken uit te stellen, zal het hof dan ook afwijzen.

21. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, met dien verstande dat het hof, nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding vanwege dit hoger beroep is achterhaald, de teruggeleiding van de minderjarigen naar hun gewone verblijfplaats in [woonplaats 2] , [land] zal gelasten op uiterlijk 9 maart 2017.

Voorlopige voogdij

22. Artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet bepaalt dat de rechter op verzoek of ambtshalve een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet kan belasten met de voorlopige voogdij over een kind, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot afgifte van het kind.

23. De man heeft bij faxbericht van 7 februari 2017 het hof verzocht om op gemelde grond de voorlopige voogdij over de minderjarigen uit te spreken. Hij voert daartoe aan dat de vrouw na aankomst in Nederland de minderjarigen zonder enig overleg met de man heeft laten onderzoeken, laten testen en ook medische aangelegenheden van [minderjarige 2] met derden heeft besproken. Het contact tussen de man en de minderjarigen verloopt zeer moeizaam door toedoen van de vrouw. Daarnaast oefent de vrouw grote druk uit op de instelling [instelling] en de daaraan verbonden revalidatiearts om [minderjarige 2] te laten behandelen en naar school te laten gaan en lijkt het erop dat zij [minderjarige 2] tegen de man probeert op te zetten door de man vele verwijten te maken.

24. De vrouw betwist de door de man gestelde feiten en acht onvoldoende grond aanwezig voor een voorlopige voogdij.

25. Het hof overweegt als volgt. De vrouw verbleef vanaf het moment van de overbrenging met de minderjarigen op een voor de man bekend adres in Nederland. Vast staat dat de minderjarigen tot op heden op dit adres verblijven. Hoewel het contact tussen de minderjarigen en hem naar verklaring van de man moeizaam verloopt, zijn er afspraken gemaakt over de contactmomenten en de vrouw houdt zich daar - indien mogelijk - ook aan. De man heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld om aan te nemen dat de vrouw de minderjarigen zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot terugkeer. Het door de man in dit kader aangevoerde ziet veeleer op de moeizame communicatie tussen de man en de vrouw, hetgeen geen aanleiding geeft te vermoeden dat gevaar bestaat dat de minderjarigen worden onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot afgifte van de minderjarigen. Temeer nu door de vrouw in haar beroepschrift en

ook nog ter zitting expliciet is verklaard dat indien de uitkomst van de onderhavige procedure zou zijn dat de minderjarigen dienen terug te keren naar [land] , zij haar uiterste best zal doen om deze terugkeer in goede banen te leiden. Het verzoek van de man om een gecertificeerde instelling met de voorlopige voogdij te belasten, zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

26. De vrouw voert aan dat de rechtbank de vrouw ten onrechte heeft veroordeeld in vergoeding aan de man van de door hem gemaakte kosten tot een bedrag van € 14.471,--. De vrouw is van mening dat de door de man in het geding gebrachte rekeningen onvoldoende zijn gespecificeerd. De rekeningen van de advocaten zijn nauwelijks gespecificeerd en lijken in de ogen van de vrouw exorbitant hoog. Bovendien acht de vrouw deze kosten volledig onredelijk. Door toedoen van de man zit de vrouw al in grote financiële problemen en door de kostenveroordeling blokkeert de rechtbank de mogelijkheden van de vrouw om de minderjarigen in de toekomst te zien, nu het haar door de kostenveroordeling nog moeilijker wordt gemaakt om een normaal leven op te bouwen, met of zonder de minderjarigen.

27. De man persisteert bij zijn verzoek om de vrouw in de proceskosten (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) te veroordelen. De man betoogt dat de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling van € 14.471,-- vermeerderd dient te worden met (naar het hof begrijpt:) een bedrag van € 5.246,46. Dit bestaat uit een bedrag van € 4.432,15 voor werkzaamheden hoger beroep, een bedrag van € 501,31 voor het vliegticket en het griffierecht ad € 313,--, derhalve een totaalbedrag van € 19.717,46 (inclusief proceskostenveroordeling in eerste aanleg). De man heeft hiervoor onderbouwende stukken overgelegd en hij betwist dat deze kosten onredelijk en of te hoog zouden zijn.

28. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw, zijnde degene die de minderjarigen in Nederland ongeoorloofd heeft vastgehouden, kan worden verplicht tot betaling van de noodzakelijke kosten die de man naar aanleiding daarvan heeft gemaakt. Het hof ziet geen reden om in dit kader af te wijken van het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet. Het hof acht de door de man in hoger beroep opgevoerde kosten van € 5.246,46 voldoende onderbouwd.

29. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat de terugkeer van de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [land] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [land] , en

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [land] , wordt gelast uiterlijk op 9 maart 2017, waarbij de vrouw de minderjarigen dient terug te brengen naar [woonplaats 2] , [land] , en beveelt, indien de vrouw nalaat de minderjarigen terug te brengen naar [woonplaats 2] , [land] , dat de vrouw de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man zal afgeven uiterlijk op 9 maart 2017, opdat de man de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats 2] , [land] ;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van de door de man gemaakte kosten in hoger beroep in verband met de ontvoering en teruggeleiding van de minderjarigen ter hoogte van een bedrag van € 5.246,46;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, M.L.C.C. Lückers en I. Obbink-Reijngoud, bijgestaan door mr. P.E.C.M. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2017.