Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:531

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
200.203.831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wsnp, vernietiging vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.203.831/01

Insolventienummer rechtbank : C/09/14/610 R

arrest van 31 januari 2017

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C.G. Matze te Breda.

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 december 2014 is ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 17 november 2016. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 22 november 2016 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Bij brief van 9 januari 2017 heeft [appellant] de processtukken van de eerste aanleg aan het hof toegezonden. Bij brieven van 25 november 2016 en 20 januari 2017 heeft B. van Huessen, de bewindvoerder, de openbare verslagen en haar reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Verschenen zijn: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, en door mevrouw [naam], beschermingsbewindvoerder, en mevrouw D. le Pair, namens de bewindvoerder.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd op grond van het oordeel dat hij een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt en hij bovenmatige schulden doet of laat ontstaan.

2. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.

Met betrekking tot de boedelachterstand heeft hij aangevoerd dat hij weliswaar hoofdelijk aansprakelijk is voor dat deel van de achterstand dat is ontstaan tijdens het huwelijk, maar dat zijn ex-echtgenote, die ook in de wettelijke schuldsanering zit, die achterstand aan het inlopen is, waardoor dat gedeelte van de boedelachterstand voor [appellant] zal verdwijnen.

Dat er een terugvordering zal volgen omdat [appellant] zowel een WGA-hiaatuitkering als een Participatiewet-uitkering heeft ontvangen, staat nog niet vast. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een theoretische toekomstige schuld.

Van belang is voorts dat [appellant] een keer ten goede heeft gemaakt, nu hij onder bewind is gesteld. Zo is de schuld aan DSW afgelost en heeft [appellant] een betalingsregeling met Eneco getroffen voor de voldoening van de jaarafrekening. [appellant] is bereid en in staat om alle zeilen bij te zetten om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. De beschermingsbewindvoerder heeft een budgetplan opgesteld dat ter zitting is overhandigd, waaruit volgt dat er, naast de nakoming van de betalingsregeling, nog ruimte is om de eventuele terugvordering van zijn uitkering en de boedelachterstand te voldoen indien de schuldsaneringsregeling zou worden verlengd met 24 maanden. Die ruimte is er mede doordat [appellant] zijn leefgeld niet meer zelf wil ontvangen, maar wil dat daarmee de boedelachterstand en de eventuele terugvordering wordt afgelost. De beschermingsbewindvoerder heeft er vertrouwen in dat [appellant] in staat is om zijn verplichtingen na te komen.

3. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat [appellant] verwijtbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen. Het door [appellant] gepresenteerde plan tot aflossing van de boedelachterstand en de nieuwe schuld(en), acht de bewindvoerder vrijwel niet haalbaar, omdat dit plan geen enkele ruimte biedt om eventuele tegenslagen op te vangen en het feit dat de ex-partner van [appellant] tot op heden de afspraak om de boedelachterstand in te lopen, niet nakomt waardoor dat deel van de boedelachterstand ongewijzigd is gebleven.

4. Vooropgesteld dient te worden dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken, mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en afdrachtverplichting niet naar behoren is nagekomen en een (bovenmatige) nieuwe schuld heeft laten ontstaan. Voorts is aannemelijk dat er een terugvordering zal volgen omdat [appellant] zowel een WGA-hiaatuitkering als een Participatiewet-uitkering heeft ontvangen.

Voornoemde tekortkomingen dienen in beginsel te leiden tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Niettemin bestaat in het onderhavige geval aanleiding voor een uitzondering. Het hof overweegt daartoe dat [appellant] alles in het werk heeft gezet om zijn misstap te corrigeren. Zo is de schuld aan DSW afgelost en is een betalingsregeling getroffen voor de schuld aan Eneco, die door [appellant] wordt nagekomen. Voorts heeft hij, anders dan ten tijde van de behandeling in eerste aanleg, in hoger beroep wel een concreet (door zijn beschermingsbewindvoerder opgesteld) budgetplan en aflossingsvoorstel voor zowel de boedelachterstand als de terugvordering van zijn uitkering, overgelegd en toegelicht. Daaruit volgt dat [appellant], hoewel het uiterste van hem zal worden gevergd, in staat moet zijn om de nieuwe schulden en de boedelachterstand in te lopen. In die zin is de situatie in hoger beroep anders dan in de eerste aanleg. Het hof zal hem - bij wijze van laatste kans - de mogelijkheid bieden om alsnog de misstappen ongedaan te maken en zal daartoe de schuldsaneringsregeling verlengen met twee jaar. De verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling blijven ook gedurende die verlenging gewoon doorlopen.

In het licht van het voorgaande is de tekortkoming in de sollicitatieverplichting aan het begin van de schuldsaneringsregeling, niet dermate ernstig dat de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden
vernietigd.

De beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 november 2016;

- verlengt de looptijd van de schuldsaneringsregeling met twee jaar, derhalve tot

16 december 2019, waarbij [appellant] dient te blijven voldoen aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter verdere uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, J.M. van der Klooster en H.J. Steinvoort, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.