Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:529

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
200.206.444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wsnp, vernietiging vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.206.444/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/519600 / FT RK 16/2168

arrest van 28 februari 2017

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. S. van Beers te Zeist.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 29 december 2016, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2016, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brieven van 3 en 17 februari 2017 heeft [appellant] de processtukken van de eerste aanleg en aanvullende producties aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van Beers nog een overzicht van bij- en afschrijvingen overgelegd van schuldbemiddeling Den Haag OpMaat, gedateerd 2 februari 2017.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 7 oktober 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 Fw is sprake van een totale schuldenlast van € 95.076,12. Hiervan heeft een bedrag van € 36.801,- betrekking op een schuld aan de Belastingdienst, en een bedrag van € 58.215,12 op overige schulden.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3. De grieven van [appellant] hebben de kennelijke strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Daarbij heeft [appellant] een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw gedaan. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunten toegelicht.

4. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de schuld aan de Belastingdienst, die het gevolg is van het niet althans onjuist doen van belastingaangiftes van de onderneming van [appellant], te goeder trouw is ontstaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen blijft het de verantwoordelijkheid van [appellant] om belastingaangiftes te doen. Dat zijn ex-partner, die de administratie van de onderneming en de belastingaangiftes verzorgde, daarin is tekortgeschoten, doet daar niet aan af. Evenmin volgt het hof het standpunt van [appellant] dat (in dit geval) – bij de beoordeling van de goede trouw – de aanvaardbaarheid van het aangaan van schulden in het kader van zijn onderneming niet op gelijke voet mag worden beoordeeld als het aangaan van schulden in de privésfeer. Het moet daarbij immers gaan om het aangaan van zakelijke schulden en het nemen van bepaalde financiële risico’s teneinde de overlevingskansen van de desbetreffende onderneming te vergroten. Het laten ontstaan en voortbestaan van (aanzienlijke) belastingschulden van de onderneming, zoals in het geval van [appellant], valt daar uitdrukkelijk niet onder.

5. Het hof ziet in dit geval echter aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Voldoende aannemelijk geworden is dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Daartoe wordt het volgende overwogen. [appellant] heeft zijn onderneming beëindigd op 31 december 2014. Toen hij in 2014 van de ambtshalve belastingaanslagen met betrekking tot zijn onderneming op de hoogte was geraakt, heeft hij met behulp van een financieel adviseur alsnog de correcte aangiftes ingediend, en er alles aan gedaan om het tij (financieel) te keren. Met betrekking tot de belastingschulden die zagen op de onderneming van [appellant], acht het hof het, gegeven het voorgaande, voldoende aannemelijk dat het wederom aangaan, laten ontstaan en oplopen van dergelijke belastingschulden redelijkerwijs valt uit te sluiten.

Daarnaast heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van een gedragsverandering en (persoonlijke) ontwikkeling die ertoe heeft geleid dat hij de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht onder controle heeft.

[appellant] is inmiddels gescheiden, en woont in bij een nieuwe partner. Hij heeft op dit moment een stabiele leefsituatie. [appellant] is ook geen ondernemer meer, maar heeft een vast dienstverband. Hij werkt al geruime tijd als huismeester, eerst op basis van een jaarcontract dat tweemaal is verlengd en sinds oktober 2016 op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd. [appellant] is voorts met zijn inkomen in staat om een significante bijdrage aan de boedel te leveren. [appellant] heeft daarnaast sinds ruim een jaar hulp van budgetbeheer en hij heeft tot nu toe ongeveer € 12.000,- gespaard waarmee een aantal schulden reeds is afgelost, hetgeen onder meer blijkt uit het overzicht van schuldbemiddeling van 2 februari 2017. Voorts zijn er geen nieuwe schulden meer ontstaan, terwijl ten aanzien van de overige schulden (buiten de belastingschulden), niet gebleken is dat die schulden het gevolg zijn van te kwader trouw of verwijtbaar handelen of duiden op overbesteding (zo ziet de grootste “overige schuld” aan de Rabobank van € 41.825 op de restschuld van de voormalige echtelijke woning).

Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat [appellant] zowel zijn financiële als persoonlijke situatie onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw.

6. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2016;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, D. Aarts en A.J. Berends, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Aarts