Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:52

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.194.831/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk; Geen redenen om af te kunnen wijken van het bepaalde in art. 3:268 lid 3, tweede zin, BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.194.831/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/490586/ KG RK 15-2305

Beschikking van 17 januari 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam,

tegen

ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ABN AMRO,

advocaat: mr. A.J.H. Peters te Rosmalen.

Het geding

Na arrest van 19 juli 2016 waarbij [appellant] ingevolge art. 69 lid 1 Rv werd bevolen de dagvaarding van 30 maart 2016 te verbeteren en aan te vullen zodanig dat werd voldaan aan de eisen van een beroepschrift, heeft [appellant] een op 2 augustus 2016 ter griffie binnengekomen beroepschrift ingediend. Op 13 september 2016 heeft ABN AMRO een verweerschrift ingediend.

Daarna heeft op 5 december 2016 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Vervolgens is uitspraak bepaald.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

1. Het beroepschrift is gericht tegen de beschikking van 29 februari 2016 waarbij de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam het verzoek van ABN AMRO tot goedkeuring voor onderhandse verkoop (zoals bedoeld in art. 3:268 lid 2 BW) van de woning aan de [adres] te [plaats] heeft toegewezen. [appellant] heeft met diverse argumenten aangevoerd (samengevat) dat de taxatie op incorrecte wijze tot stand is gekomen en dat de waarde van de woning hoger ligt dan de in de taxatie opgenomen marktwaarde. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een hogere opbrengst van de woning had kunnen worden gerealiseerd bij openbare verkoop omdat dan ook bezichtigingen mogelijk waren geweest.

2. Het hof stelt voorop dat in beginsel op grond van het appelverbod in art: 3:268 lid 3, tweede zin, BW tegen de beschikking van de rechtbank geen hogere voorziening open staat.

3. Het appelverbod kan volgens vaste jurisprudentie slechts worden doorbroken voor zover erover wordt geklaagd dat

  1. de rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende wetsbepaling is getreden,

  2. de rechter de bewuste wetsbepaling ten onrechte heeft toegepast,

  3. de rechter de bewuste wetsbepaling met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast of,

  4. e rechter de bewuste wetsbepaling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.

4. Het hof merkt op dat [appellant] in het beroepschrift geen expliciet beroep op (één van) deze gronden heeft gedaan. Eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling en kennelijk naar aanleiding van hetgeen in het verweerschrift naar voren werd gebracht, heeft [appellant] aangevoerd dat in het beroepschrift impliciet ligt besloten dat het appelverbod moet worden doorbroken omdat de rechtbank buiten het toepassingsgebied (kennelijk is bedoeld: van art. 3:268 lid 2 BW) is getreden. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bevat echter geen toelichting, laat staan onderbouwing van deze grond. Dat betekent dat het hof geen redenen ziet om af te kunnen wijken van het bepaalde in art. 3:268 lid 3, tweede zin, BW. [appellant] kan dan ook niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.

5. Bij deze uitkomst past dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. ABN AMRO heeft in dit verband aangevoerd dat zij volstrekt nodeloos in rechte is betrokken zodat niet kan worden volstaan met een ‘standaard’ proceskostenveroordeling maar dat [appellant] ingevolge art. 237 lid 1 Rv dient te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten, die door haar zijn begroot op € 8.621,05. Ter onderbouwing van deze kosten heeft ABN AMRO een factuur van 13 september 2016 overgelegd. Het hof merkt op dat de factuur een pro forma factuur betreft en dat daarin nog een bedrag van € 5.213,- aan griffierecht is opgenomen, terwijl (uiteindelijk) een bedrag van € 718,- aan griffierecht is geheven. Voorts is het hof van oordeel dat het in de pro forma factuur genoemde honorarium onvoldoende is onderbouwd nu een urenspecificatie ontbreekt en onduidelijk is of deze kosten (uiteindelijk) daadwerkelijk gemaakt zijn. Het hof zal daarom volstaan met een proceskostenveroordeling die is gebaseerd op het liquidatietarief (2 punten tarief II).

Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 29 februari 2016;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 1.788,- voor salaris advocaat;

- verklaart deze beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, M.P.J. Ruijpers en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.