Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:49

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
200.177.714/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brand in schip bij werkzaamheden. Aansprakelijkheid. Exoneratie. Algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/884
S&S 2017/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.177.714/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/458017/ HA ZA 14-869

arrest van 24 januari 2017

inzake

[naam 1].be BVBA (voorheen MS-Dock BVBA),

gevestigd te Gent, België,

appellante,

hierna te noemen: Dock,

advocaat: mr. J.C. van Zuethem te Breda,

tegen

[naam 2] Machinefabriek en Scheepswerf "De Schroef" B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De Schroef,

advocaat: mr. J. Smit te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 17 september 2015 is Dock in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, team haven en handel, tussen partijen gewezen van 17 juni 2015. Bij arrest van 10 november 2015 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt. Mr. Smit heeft bij brief van 9 februari 2016 op het proces-verbaal gereageerd.

Bij akte heeft De Schroef een productie in het geding gebracht. Bij memorie van grieven met producties heeft Dock zeven grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft De Schroef de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 17 juni 2015 vastgestelde feiten zijn gedeeltelijk in geschil. Voor zover van belang voor de behandeling van de grieven van Dock zal het hof daarop hierna ingaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. Op 25 juli 2012 is tijdens door De Schroef in opdracht van Dock uitgevoerde werkzaamheden brand ontstaan aan boord van het aan Dock toebehorende party- en motorschip ‘Dock’ (hierna: het schip).

b. De brand werd geconstateerd omstreeks 12.35 uur, aan het einde van de lunchpauze op de werf. Direct voor de om 12.15 uur aangevangen lunchpauze was er in de scheepshuid aan bakboordvoorzijde van het schip een drietal zaagsneden gemaakt, teneinde door de aldus te creëren opening een generator uit het schip te kunnen lichten. Aan de binnenkant van de scheepshuid was ter plekke een isolatielaag van polyurethaanschuim (hierna: purschuim) aangebracht.

c. Partijen hadden specifiek over deze werkzaamheden afgesproken dat De Schroef de purschuimlaag zou afsteken ter plaatse van de zaagsneden, de scheepshuid niet zou openbranden maar openslijpen en brandwacht zou houden.

d. De slijpwerkzaamheden zijn vanaf de buitenzijde van het schip uitgevoerd door een werknemer van De Schroef, terwijl een werknemer van een onderaannemer van De Schroef aan de binnenzijde van het schip brandwacht hield.

e. Kort voor het aanbreken van de lunchpauze zijn de slijpwerkzaamheden gestaakt. Genoemde brandwacht heeft vervolgens, met instemming van meewerkend voorman [X] van De Schroef, het schip verlaten voor een lunchpauze van 20 minuten.

f. Branddeskundige ing. L. Defever heeft in opdracht van Dock en haar cascoverzekeraars de oorzaak van de brand onderzocht en rapport uitgebracht. Zijn conclusie luidt, voor zover relevant:

“Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn gloeiende ijzerpartikels, die vrijkwamen tijdens het slijpen, op de horizontale verstevigingslat aan de binnenkant van het lokaal blijven liggen en hebben ten gevolge de goede warmtegeleiding van ijzer de polyurethaan in de onmiddellijke omgeving doen ontbranden. Dit wordt bevestigd door de vaststellingen in de oude boegschroefruimte.

De vaststellingen wijzen verder op een smeulbrand, waardoor tijdens de eerste minuten na het beëindigen van het slijpen, er niets abnormaals was vast te stellen.”

g. De Schroef hanteert de Algemene Werfvoorwaarden van de VNSI (hierna: de VNSI-voorwaarden). Deze luiden, voor zover relevant:

“13.2 De Werf is nimmer aansprakelijk voor schade behoudens indien en in zoverre de geleden schade is veroorzaakt door opzet of grove schuld van de Werf. Behoudens opzet van de Werf is aansprakelijkheid van de Werf voor bedrijfs-, gevolg- of indirecte schade echter steeds uitgesloten. Onder grove schuld en opzet van de Werf is voor de toepassing van deze bepaling te verstaan grove schuld en opzet van zijn organen en met de Werf te vereenzelvigen leidinggevende functionarissen.

13.3

In alle gevallen waarin de Werf ondanks het bepaalde in lid 2 gehouden is tot betaling van schadevergoeding zal deze nooit hoger zijn dan 25% van de prijs van het uitgevoerde werk waardoor of in verband waarmee de schade is veroorzaakt (...).”

h. Op 26 juli 2012 is De Schroef namens Dock aansprakelijk gehouden voor de door Dock geleden brandschade.

i. De door Dock als gevolg van de brand geleden schade is ten dele vergoed door haar cascoverzekeraar.

j. Op verzoek van Dock zijn drie getuigen gehoord in het kader van een voorlopig getuigenverhoor.

3. De rechtbank heeft de vordering van Dock afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat De Schroef weliswaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis om op adequate wijze een brandwacht in te stellen, maar heeft het beroep van De Schroef op de in artikel 13.2 van de door haar gehanteerde VNSI-voorwaarden geformuleerde exoneratie gehonoreerd, onder afwijzing van alle verweren daartegen van Dock.

4. Met grief 1 komt Dock op tegen het door de rechtbank vastgestelde feit dat de VNSI-voorwaarden van toepassing zijn op wat door haar wordt aangeduid als de mondelinge overeenkomst die gesloten is tussen De Schroef en Dock ten aanzien van de slijpwerkzaamheden aan het schip. Dock heeft daartoe aangevoerd dat zij een deel van de (tweede) offerte van De Schroef, te weten punt 15 betreffende het verwijderen van de generator uit het schip door het branden van een opening in de scheepshuid, niet had geaccepteerd, hetgeen zij bij e-mail van 20 juli 2012 aan De Schroef had laten weten. Eerst nadat zij op 25 juli 2012 werd gebeld door [meewerkend voorman X] van De Schroef dat zij klaarstonden om de generator te verwijderen, dat de scheepshuid daarbij niet zou worden opengebrand maar opengeslepen (een veiliger methode) en dat De Schroef een brandwacht zou instellen, heeft Dock ingestemd met het verwijderen van de generator. Aldus zijn volgens Dock afspraken gemaakt in afwijking van de oorspronkelijke offerte. Er is daarbij niet verwezen naar toepasselijke voorwaarden. Er was daarom sprake van een nadere overeenkomst waarop die voorwaarden niet van toepassing zijn.

5. Deze grief faalt. Daarvoor is van belang dat de offerte van 19 juli 2012 van De Schroef aan Dock is onder punt 15 vermeld:

“Generator BB voorschip. Openbranden van huidgedeelte BB voor tpv generator. Generator naar buiten takelen en aan wal plaatsen. Terug plaatsen van huidplaat en dichtlassen aan binnen en buitenzijde. Exclusief timmerwerk, uitnemen isolatie en brandwacht. € 1.950,00.”

Voorts is in de offerte vermeld:

“Op al onze leveringen en werkzaamheden zijn van toepassing de algemene werfvoorwaarden van V.N.S.I. d.d. 10 april 2000.”

Bij e-mail van 31 juli 2012 schreef Dock vervolgens aan De Schroef:

“Hartelijk dank voor uw offerte. Hieronder goedkeuring voor de opdracht van de uit te voeren werken:

(..) 15/Generator: NIET uit te voeren, er wordt morgen eventueel beslist om het alsnog uit te voeren na controle van de groep. Omdat hiervan ook de beslissing afhangt wat we doen met het ballast, wordt de verwijdering van het ballast eveneens pas morgen beslist. (..)”

Tijdens de inspectie van het schip op 23 juli 2012 bleef Dock bij haar beslissing om de generator niet te laten verwijderen door De Schroef. Op 25 juli 2012 heeft Dock echter telefonisch via [meewerkend voorman X] aan De Schroef alsnog opdracht gegeven de generator te verwijderen. Niet valt in te zien waarom deze opdracht plaats zou vinden buiten het bestek van de offerte van De Schroef van 19 juli 2012. Het betrof immers een onderdeel van hetzelfde werk, te weten het verwijderen van de generator uit het schip, als waarop de offerte van 19 juli 2012 betrekking had. De omstandigheid dat de toegepaste techniek om dit te bewerkstelligen is aangepast, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat De Schroef zou zorgen voor een brandwacht. Uit de offerte volgde reeds dat er moest worden voorzien in een brandwacht. Daar komt bij dat Dock met de aanvaarding van die offerte mede heeft aanvaard dat op alle leveringen en werkzaamheden van De Schroef de VNSI-voorwaarden van toepassing zijn. Zonder andersluidende mededeling van Dock, die niet is gedaan, mocht De Schroef er dus op vertrouwen dat die voorwaarden ook zouden gelden voor in de offerte omschreven werkzaamheden, ook al werd die later iets anders ingevuld.

6. Voor zover Dock nog heeft willen aanvoeren dat de afspraak over de brandwacht een kernbeding is dat niet door de VNSI-voorwaarden wordt bestreken, geldt het volgende. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 6:231 BW volgt dat voor de vaststelling van wat onder een kernbeding moet worden verstaan, niet bepalend is of het beding een voor de gebruiker of voor beide partijen belangrijk punt regelt. Voorts moet het begrip kernbeding zo beperkt mogelijk worden opgevat, waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt. In dit geval is de afspraak wie de brandwacht zou leveren geen kernbeding, maar betrof het slechts een brandpreventiemaatregel waaronder de overeenkomst voor wat betreft het verwijderen van de generator uit het schip zou worden uitgevoerd.

7. Voor zover Dock verder nog heeft betoogd dat De Schroef haar een garantie heeft gegeven dat er bij het verwijderen van de generator geen brandrisico zou zijn, wordt dit betoog als onvoldoende onderbouwd verworpen. [Y], zaakvoerder van Dock, heeft als getuige op 1 oktober 2013 op dit punt verklaard dat [meewerkend voorman X] aangaf dat er geen brandgevaar zou zijn. [meewerkend voorman X] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 25 juli 2012 op dit punt echter verklaard dat hij tegen [Y, zaakvoerder van Dock] heeft gezegd dat ‘wij het op de meest veilige manier zullen doen’. Uit de verklaringen van [meewerkend voorman X] en [Y, zaakvoerder van Dock] kan geen garantie worden afgeleid. Dock heeft overigens op dit punt geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod gedaan, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

8. In grief 2 keert Dock zich tegen de beslissing van de rechtbank dat geen sprake zou zijn van grove schuld van organen van De Schroef of van met De Schroef te vereenzelvigen leidinggevende functionarissen als bedoeld in artikel 13.2 van de VNSI-voorwaarden. Volgens Dock had directeur [directeur A] van De Schroef zijn verantwoordelijkheden gedelegeerd aan technisch manager [Z], die in verband met zijn vakantie zijn verantwoordelijkheden had gedelegeerd aan meewerkend voorman [meewerkend voorman X]. [meewerkend voorman X] trad op als leidinggevende jegens Dock en maakte zelfstandig afspraken. De brandwacht heeft met instemming van [meewerkend voorman X] zijn werkzaamheden gestaakt om te gaan lunchen. Daardoor heeft de brand zich kunnen ontwikkelen. Aldus was er sprake van grove schuld van [meewerkend voorman X]. Verder is er, aldus nog steeds Dock, sprake van grove schuld van een leidinggevende, omdat er geen schriftelijk brandprotocol was en er niet regelmatig brandoefeningen werden georganiseerd. Als De Schroef betere brandpreventiemaatregelen had genomen, had zij de brand eerder onder controle kunnen hebben en was de schade beperkt gebleven.

9. Ook deze grief slaagt niet. Tussen partijen staat vast dat [meewerkend voorman X] meewerkend voorman bij De Schroef was en daarmee niet uit hoofde van zijn functie een met De Werf te vereenzelvigen leidinggevende in de zin van artikel 13.2 van de VNSI-voorwaarden. Dat [meewerkend voorman X] via [technisch manager Z] de bevoegdheden van directeur [A] gedelegeerd heeft gekregen, is door De Schroef betwist en door Dock niet onderbouwd, zodat die stelling niet kan slagen. De omstandigheid dat Dock tegenover [meewerkend voorman X] alsnog heeft ingestemd met het verwijderen van de generator uit het schip en dat daarbij nadere afspraken zijn gemaakt over de toe te passen techniek en het leveren van de brandwacht, kan niet tot de conclusie leiden dat [meewerkend voorman X] optrad als een met De Werf te vereenzelvigen leidinggevende.

10. Voorts is geen sprake van grove schuld van een leidinggevende omdat onvoldoende brandpreventiemaatregelen zijn genomen. Uit de getuigenverklaringen van [directeur A] en [technisch manager Z] volgt dat De Schroef steeds per geval bekijkt of er gevaarlijke situaties kunnen ontstaan en welke maatregelen moeten worden genomen, zoals het vrijmaken van een ruimte en het aanstellen van een brandwacht. Standaard worden er brandblussers aangesloten op het scheepssysteem. Bij het schip van Dock kon dit niet, maar er waren op de werf brandblussers aanwezig, die in geval van brandgevaar ook op het schip aanwezig zijn. Ook in het geval van het schip van Dock was daarin voorzien. Zowel [directeur A] als [meewerkend voorman X] heeft verklaard dat een medewerker van De Schroef met een brandblusser heeft getracht de brand te blussen. Een brandblusser die, aldus [meewerkend voorman X], door hem bij aanvang van de werkzaamheden aan boord van het schip was gezet. Verder was er een brandwacht aangesteld. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de leidinggevende van De Schroef op het punt van het treffen van brandpreventiemaatregelen een verwijt valt te maken.

11. Met haar derde grief (die wederom als 2 is genummerd) betoogt Dock dat de VNSI-voorwaarden buiten toepassing dienen te blijven, omdat de toepassing ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De slijpwerkzaamheden gingen gepaard met een hoog risico op brand en Dock heeft slechts ingestemd met deze werkzaamheden, omdat De Schroef haar garandeerde dat er geen brandrisico zou zijn. Deze grief faalt reeds omdat, zoals hierboven onder 7 is beslist, er geen sprake was van een garantie van de zijde van De Schroef. Verder verwijst het hof naar de hieronder bij de behandeling van de vijfde grief onder 14 genoemde omstandigheden, die tot dezelfde conclusie leiden.

12. In de vierde grief keert Dock zich tegen het oordeel van de rechtbank dat De Guytenaer als zaakvoerder van Dock zich ten tijde van het aanvaarden van de toepasselijkheid van de VNSI-voorwaarden bewust is geweest van de strekking van die voorwaarden. Deze grief strandt reeds op artikel 6:232 BW, waarin is bepaald dat een wederpartij ook dan aan algemene voorwaarden is gebonden als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende. Daar komt nog bij dat de in de VNSI-voorwaarden opgenomen exoneratieclausule gebruikelijk is en Dock reeds sinds februari 2012 de beschikking had over deze voorwaarden, nadat die haar bij de eerste offerte waren toegezonden en zij dus maanden de gelegenheid heeft gehad die te bestuderen en daarover desgewenst te onderhandelen. Als zij dat niet gedaan heeft, komt dat voor haar eigen rekening. Dat Dock in België mogelijk andere ervaringen heeft met algemene voorwaarden, is niet relevant. Dock handelde in Nederland.

13. Ook het aan het slot van de tweede grief en in de vierde grief (genummerd: 3) door Dock gedane beroep op de onredelijke bezwarendheid van het exoneratiebeding faalt. Beide partijen zijn professionele partijen, De Schroef als werf en Dock als exploitant van een schip (voor horecadoeleinden). Op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep op bedrijf en die niet beide in Nederland zijn gevestigd, is afdeling 6.5.3 BW en dus ook artikel 6:233 onder a BW niet van toepassing (art. 6:247 BW).

14. In de vijfde grief (genummerd: 4) herhaalt Dock haar standpunt dat de toepassing van de exoneratieclausule in de VNSI-voorwaarden onaanvaardbaar is, maar nu gemeten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Deze grief faalt om de volgende redenen. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, zijn beide partijen professionele partijen. Het hanteren van algemene voorwaarden is in de scheepvaartbranche gemeengoed, zodat Dock daar rekening mee had moeten houden. De VNSI-voorwaarden worden in Nederland algemeen gehanteerd. Voorts bevat de overeenkomst tussen partijen een duidelijke verwijzing naar de voorwaarden en heeft Dock vanaf de ontvangst daarvan in februari 2012 maanden de tijd gehad om zich daarin te verdiepen. Anders dan Dock – ongemotiveerd – betoogt had zij met De Schroef in onderhandeling kunnen treden over het buiten toepassing stellen van de exoneratie. Voorts is gezien de verhouding tussen de mogelijke omvang van de schade en de tegenprestatie een vergaande beperking van aansprakelijkheid niet onredelijk. De uitsluiting van aansprakelijkheid voor opzet of grove schuld van niet-leidinggevend personeel maakt de exoneratie niet reeds onredelijk bezwarend. Aan te nemen valt dat de premie die De Schroef voor haar aansprakelijkheidsverzekering betaalt, afgestemd is op het hanteren van algemene voorwaarden. Bovendien is Dock, zoals zij ter comparitie heeft verklaard, zelf verzekerd voor schades als de onderhavige.

15. Met grief 6 heeft Dock aanvullend nog gesteld dat er onvoldoende blusapparaten aanwezig waren en dat De Schroef pas de brandweer heeft ingeschakeld nadat haar eigen bluspogingen waren mislukt. Deze stellingen zijn door De Schroef, onder aanhaling van de getuigenverklaring van [directeur A] en de schriftelijke verklaring van [meewerkend voorman X], gemotiveerd betwist. Aan de stellingen van Dock wordt daarom voorbij gegaan, nu iedere onderbouwing ontbreekt en op deze punten geen voldoende concreet en gespecificeerd bewijsaanbod is gedaan.

16. De laatste grief ziet op de door de rechtbank gewezen proceskostenveroordeling en kan niet slagen nu de overige grieven falen.

17. Het bewijsaanbod van Dock dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet terzake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd.

18. De slotsom is dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. Dock zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2015;

  • -

    veroordeelt Dock in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van De Schroef tot op heden begroot op € 5.160,- aan verschotten en € 6.526,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, F.R. Salomons en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.