Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:469

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
2200509813
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is ter zake van het meermalen overtreden van artikel 2 onder A en 3 onder A van de Opiumwet, deelneming aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005098-13

Parketnummer: 10-600203-08

Datum uitspraak: 2 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 april 2015, 29 juni 2016 en 14 en 16 februari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 6 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 7 ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 6 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1.

Zaaksdossier 1

hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2009 tot en met 1 april 2009 te Amsterdam en/of Arnhem en/of Lathum en/of Hoek van Holland, althans in Nederland en/of Harwich, althans in Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 255 kilogram hennep en/of hasjiesj, in elk geval (een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een middel bevattende hennep en/of een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiejs een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


2.


Zaaksdossier 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2009 tot en met 25 september 2009 te Amsterdam en/of Alphen aan den Rijn en/of Waalwijk en/of Lathum, althans in Nederland en/of Italië ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld is artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een (handels)hoeveelhe(i)d(en) van (ongeveer) 84,32 kilogram hennep en/of 1,54 kilogram hasjiesj, in elk geval (een) (handels-) hoeveelhe(i)d(en) van een middel bevattende hennep en/of een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen ven hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

(telkens) opzettelijk

- met een of meer perso(o)n(en) contact heeft opgenomen en/of ontmoeting(en) heeft gehad met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of uitvoeren van voornoemde (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- één of meer sms-berichten heeft verstuurd/verzonden en/of ontvangen (in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of uitvoeren van voornoemde (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- één of meer sms-berichten heeft verstuurd/verzonden en/of ontvangen met betrekking tot de prijs en/of hoeveelhe(i)d(en) van de verdovende middelen en/of

- voornoemde hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen heeft afgeleverd in een loods (gevestigd aan de [loods A] te Alphen aan den Rijn) en/of

- voornoemde hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen vacuüm heeft verpakt in twee (houten) kisten en/of die kisten heeft afgesloten met (metalen) spanbanden en/of

- voornoemde kisten heeft ingeladen in een bestelbus

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij, op of omstreeks 25 september 2009 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 84,32 kilogram hennep en/of 1,54 kilogram hasjiesj, in elk geval (een) (handels-) hoeveelhe(i)d(en) van een middel bevattende hennep en/of een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen ven hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

Zaaksdossier 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2009 tot en met 25 september 2009 te Amsterdam en/of Alphen aan den Rijn en/of Waalwijk en/of Lathum, althans in Nederland en/of Italië ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld is artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

ongeveer 2,15 kilogram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

(telkens) opzettelijk

- met een of meer perso(o)n(en) contact heeft opgenomen en/of ontmoeting(en) heeft gehad met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of uitvoeren van voornoemde hoeveelheid amfetamine en/of

- één of meer sms-berichten heeft verstuurd/verzonden en/of ontvangen (in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of uitvoeren van voornoemde hoeveelheid amfetamine en/of

- voornoemde hoeveelheid amfetamine heeft afgeleverd in een loods (gevestigd aan de [loods A] te Alphen aan den Rijn) en/of

- voornoemde hoeveelheid amfetamine vacuüm heeft verpakt in twee (houten) kisten en/of die kisten heeft afgesloten met (metalen) spanbanden en/of

- voornoemde kisten heeft ingeladen in een bestelbus,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij, op of omstreeks 25 september 2009 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,15 kilogram amfetamine, in elk geval hoeveelheid van een middel bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


4.


Zaaksdossier 3

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 november 2009 tot en met 11 november 2009 te Vijfhuizen en/of Zevenaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld is artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 146 kilogram hennep en/of ongeveer 507 kilogram hasjiesj, in elk geval (telkens) een (handels)hoeveelheid van een middel bevattende hennep en/of van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde (telkens) hennep en/of hasjies een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk

- op 10 november 2011 te Vijfhuizen een hoeveelheid van ongeveer 136 kilogram hennep en/of ongeveer 100 kilogram hasjiesj (verpakt in twee kisten), in elk geval een (handels)hoeveelheid hennep en/of hasjiesj ingeladen in een vrachtauto en/of

-(vervolgens) met die vrachtauto gereden in de richting van het buitenland, te weten Duitsland, over de Rijksweg A12 en/of

- Op 11 november 2011 te Vijfhuizen een hoeveelheid van ongeveer 10 kilogram hennep en/of 407 kilogram hasjiesj, in elk geval een (handels)hoeveelheid hennep en/of hasjiesj (verpakt in twee kisten) ingeladen in een vrachtauto en/of

-(vervolgens) met die vrachtauto gereden in de richting van het buitenland, te weten Duitsland over de Rijksweg A12;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 november 2009 tot en 11 november 2009 te Vijfhuizen en/of Zevenaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 146 kilogram hennep en/of ongeveer 507 kilogram hasjiesj, in elk geval (een) (handels-) hoeveelhe(i)d(en) van een middel bevattende hennep en/of een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen ven hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

Zaaksdossier 4


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 november 2008 tot en met 14 november 2011 te Amsterdam en/of Lelystad, althans Nederland en/of Spanje en/of Groot-Brittannië, althans Europa en/of Australië en/of Peru en/of Venezuela en/of Suriname en/of Equador, althans Zuid-Amerika en/of Midden-Amerika en/of Singapore en/of Dubai en/of de Verenigde Arabische Emiraten heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit onder meer hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] een (of meer) andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het (meermalen) buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of berieden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (handels)hoeveelheden cocaïne en/of methamphetamine, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (strafbaar gesteld in artikel 2 onder A en/of B en/of C Opiumwet jo artikel 10 Opiumwet) en/of

- het (meermalen) plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet

- witwassen als bedoeld in artikel 420bis en/of 420ter en/of 420quater van het wetboek van strafrecht.

7.

Zaaksdossier 11


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 april 2009 tot en met 17 mei 2011, te Amsterdam, althans in Nederland, en/of Spanje (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) (telkens) één of meerdere voorwerp(en) en/of geldbedragen, te weten (in totaal)

EUR 153.055,70, althans enig(e) geldbedrag(en) in relatie tot de aankoop en/of verbouwing van een woning aan de [straat A] te Amsterdam

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had(den), terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), danwel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voornoemde geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van enig misdrijf;

en/of

bovengenoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit in de vervolging van de verdachte vanwege schendingen van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM).

Subsidiair heeft zij vrijspraak bepleit omdat die schendingen dienen te leiden tot uitsluiting van al het verkregen bewijs.

De raadsvrouw heeft daartoe — verkort en zakelijk weergegeven — het volgende betoogd.

De verdachte is sinds 2008 voorwerp van onderzoek naar aanleiding van het Spaanse opsporingsonderzoek Errante. Tussen Nederland en Spanje is feitelijk samengewerkt maar verslaglegging daarvan ontbreekt. De verdachte was daar niet in beeld en dat onderzoek heeft niets opgeleverd tegen de verdachte, hetgeen bekend was ten tijde van het opstarten van het Nederlandse onderzoek Fotino. Die wetenschap is ten onrechte niet ter kennis gebracht van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam.

In dezelfde periode liepen nog twee opsporingsonderzoeken die voor de verdachte in de zaak Fotino relevante informatie zouden kunnen bevatten. Het Andes onderzoek richtte zich op andere verdachten maar betrof het zaaksdossier 10 dat ook deel uit maakt van het dossier van de verdachte. Het Briard onderzoek richtte zich tegen de vermeende afpersing van onder meer de verdachte door derden.

De verdediging en de rechter-commissaris hadden een dringend belang bij het verkrijgen van een volledig beeld van alle onderzoeken waarin de verdachte voorkwam. Het Openbaar Ministerie wenste dat echter niet te geven. De rechter-commissaris is daardoor misleid.

Aan de start en de loop van het onderzoek tegen de verdachte ligt een verregaande vorm van onzorgvuldigheid in de verslaglegging ten grondslag en vanwege de opzettelijkheid van het handelen dan wel op grond van het Karmanprincipe dient dat tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden.

De voorhanden gegevens hadden in redelijkheid niet mogen leiden tot inzet van BOB middelen vanwege het algemene en ongetoetste karakter daarvan en de inzet van die middelen heeft geleid tot onrechtmatig verkregen onderzoeksresultaten die niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden.

Verder is sprake van een ernstige schending van de redelijke termijn in de opsporing en vervolging van de verdachte welke vertraging het bevragingsrecht van de verdediging onherstelbaar heeft beschadigd. De verdachte heeft de deelnemers aan de veronderstelde communicatie niet kunnen ondervragen en doordat het Openbaar Ministerie heeft verkozen een aantal medeverdachten niet tijdig te vervolgen konden deze getuigen zich op hun verschoningsrecht beroepen. Verdedigingsrechten ex artikel 6 EVRM zijn dus geschonden.

Het hof overweegt naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te dien aanzien het volgende.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt als rechtsgevolg ten aanzien van een onherstelbaar vormverzuim.

Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Tot bewijsuitsluiting kan het komen als er sprake is van een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht, indien de omstandigheden van het geval daartoe nopen, dan wel indien er sprake is van de – zeer uitzonderlijke – situatie waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de autoriteiten zich onvoldoende hebben ingespannen dit verzuim te voorkomen dan wel te repareren.

Naar het oordeel van het hof is van feiten en omstandigheden die moeten resulteren in een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel bewijsuitsluiting, in de onderhavige zaak geen sprake.

Wat de gestelde misleiding betreft overweegt het hof het volgende.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat er van enige misleiding van de rechter-commissaris bij de BOB-aanvragen sprake is geweest.

De verdediging stelt weliswaar dat de verdachte in het Spaanse Errante onderzoek niet in beeld is gekomen, maar in de processen—verbaal van de Dienst Internationale Politie-Informatie van 25 november 2008 en 15 december 2002 wordt melding gemaakt van informatie dat de verdachte een cocaïne transport aan het voorbereiden was en in dat kader met anderen besprekingen heeft gevoerd.

Het standpunt van de verdediging dat bij het onderzoeksteam bekend was dat de verdenking in het Errante onderzoek tegen de verdachte ongegrond was toen de zogenoemde BOB aanvragen werden gedaan in het onderzoek Fotino en dat deze informatie doelbewust achter gehouden is voor de rechter-commissaris, is niet met concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden onderbouwd en daarvan is ook overigens niet gebleken naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat Nederlandse opsporingsambtenaren in Spanje onderzoek hebben verricht voordat het onderzoek Fotino was gestart, overweegt het hof dat ook daarvoor geen aanwijzingen zijn te vinden in het dossier. Anders dan de verdediging kennelijk meent is er geen rechtsregel op grond waarvan in zijn algemeenheid van het Openbaar Ministerie kan worden geëist dat hij in het ene opsporingsonderzoek informatie verschaft uit alle andere opsporingsonderzoeken waarin de verdachte voorkomt of met zijn medeverdachten subject is van onderzoek. Dat is ook niet het geval als die opsporingsonderzoeken (ten dele) in de zelfde periode gaande zijn.

Door de verdediging zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat een dergelijke eis aan het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak wel gerechtvaardigd is.

De enkele omstandigheden dat ook anderen subject van strafrechtelijk onderzoek zijn geweest in zaaksdossier 10 en de verdachte kennelijk in de rol van slachtoffer voorkomt in het dossier Briard zijn daarvoor onvoldoende.

Wat de gestelde beschadiging van het ondervragingsrecht in het kader van de verdediging van de verdachte betreft, overweegt het hof het volgende.

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat sprake van een ernstige schending van de redelijke termijn in de opsporing en vervolging van de verdachte. De feiten die de verdachte zijn ten laste gelegd dateren uit de periode 2008 tot en met begin 2011 en het tijdsverloop kan ontegenzeggelijk van invloed zijn geweest op het geheugen van de getuigen die op verzoek van de verdediging zijn gehoord. Dat bovendien de traceerbaarheid van getuigen nadelig beïnvloed kan worden door het tijdsverloop staat ook naar het oordeel van het hof wel vast.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie van dat alles geen verwijt valt te maken. Concrete feiten en omstandigheden waaruit dat zou blijken dat door het Openbaar Ministerie in deze doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gehandeld zijn niet aangevoerd en zijn evenmin gebleken.

Dat zelfde geldt voor het door de verdediging gestelde ten aan zien van het niet tijdig vervolgen van medeverdachten door het Openbaar Ministerie. Concrete feiten en omstandigheden waaruit een en ander zou blijken zijn niet aangevoerd en dat het Openbaar Ministerie daartoe zou zijn gekomen om doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort te doen, is niet gebleken.

Evenmin is gebleken van een zodanig ernstige inbreuk op grondrechten van de verdachte, dan wel een zodanig structureel verzuim dat moet worden gekomen tot bewijsuitsluiting, ook niet als hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd wordt bezien in onderling verband en samenhang.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, worden de verweren verworpen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 primair,

4 primair, 5 en 7 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair,

5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Zaaksdossier 1

hij in de periode van 31 maart 2009 tot en met 1 april 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 255 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;


2.


Zaaksdossier 2

hij in de periode van 16 september 2009 tot en met 25 september 2009 te in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld is artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

een hoeveelheid) van (ongeveer) 84,32 kilogram hennep en 1,54 kilogram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

(telkens) opzettelijk

- met een of meer perso(o)n(en) contact heeft opgenomen en/of ontmoeting(en) heeft gehad met betrekking tot het vervoeren en uitvoeren van voornoemde hoeveelheid verdovende middelen en

- sms-berichten heeft verstuurd/verzonden en ontvangen (in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het vervoeren en uitvoeren van voornoemde hoeveelheid verdovende middelen en

- sms-berichten heeft verstuurd/verzonden en ontvangen met betrekking tot de prijs en/of hoeveelheid van de verdovende middelen en

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen heeft afgeleverd in een loods (gevestigd aan de [loods A] te Alphen) en

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen vacuüm heeft verpakt in twee (houten) kisten en die kisten heeft afgesloten met (metalen) spanbanden en

- voornoemde kisten heeft ingeladen in een bestelbus

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

Zaaksdossier 2

hij in de periode van 16 september 2009 tot en met 25 september 2009 te in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld is artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

ongeveer 2,15 kilogram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

(telkens) opzettelijk

- met een of meer perso(o)n(en) contact heeft opgenomen en/of ontmoeting(en) heeft gehad met betrekking tot het vervoeren en uitvoeren van voornoemde hoeveelheid amfetamine en

- sms-berichten heeft verstuurd/verzonden en ontvangen in versluierd taalgebruik met betrekking tot het vervoeren en uitvoeren van voornoemde hoeveelheid amfetamine en

- voornoemde hoeveelheid amfetamine heeft afgeleverd in een loods gevestigd aan de [loods A] te Alphen en

- voornoemde hoeveelheid amfetamine vacuüm heeft verpakt in twee houten kisten en die kisten heeft afgesloten met metalen spanbanden en

- voornoemde kisten heeft ingeladen in een bestelbus,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.


Zaaksdossier 3

hij in de periode van 10 november 2009 tot en met 11 november 2009 te in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld is artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 146 kilogram hennep en ongeveer 507 kilogram hasjiesj, zijnde hennep en hasjies een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- Op 10 november 2011 te Vijfhuizen een hoeveelheid van ongeveer 136 kilogram hennep en ongeveer 100 kilogram hasjiesj verpakt in twee kisten, ingeladen in een vrachtauto en

- vervolgens met die vrachtauto gereden in de richting van het buitenland, te weten Duitsland, over de Rijksweg A12 en

- Op 11 november 2011 te Vijfhuizen een hoeveelheid van ongeveer 10 kilogram hennep en 407 kilogram hasjiesj, verpakt in twee kisten ingeladen in een vrachtauto en

- vervolgens met die vrachtauto gereden in de richting van het buitenland, te weten Duitsland over de Rijksweg A12;

5.

Zaaksdossier 4

hij in de periode van 25 november 2008 tot en met 15 oktober 2011 in Nederland en Ecuador, heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit onder meer hem, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het meermalen buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren van hoeveelheden cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

7.

Zaaksdossier 11


hij in de periode van 24 april 2009 tot en met 17 mei 2011, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, geldbedragen, te weten in totaal

EUR 153.055,70, in relatie tot de verbouwing van een woning aan de [straat A] te Amsterdam

overgedragen, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het overdragen van bovengenoemde geldbedragen, wist, dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsuitsluiting van de telecommunicatie in zaak 1 tot en met 3

De verdediging heeft – overeenkomstig de door haar op

16 februari 2017 overgelegde en aan het procesdossier toe gevoegde pleitnota – betoogd dat de telecommunicatie die aan de verdachte wordt toegeschreven dient te worden uitgesloten van het bewijs. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de sms-berichten en telefoongesprekken heeft ontvangen/verstuurd/gevoerd, nu de desbetreffende telefoons niet onder hem in beslag zijn genomen en uit geen ander objectiveerbaar materiaal een relatie tussen het telefoonnummer en de verdachte kan worden vastgesteld. En ook is de stemherkenning van de telefoongesprekken niet naar de regelen van een betrouwbare deskundige herkenning te objectiveren in het dossier.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zaak 1: telefoonnummer [telefoonnummer 1] ([TT-a])

Op 16 maart 2009 is een IMSI-catcher ingezet teneinde het telefoonnummer van de verdachte te verkrijgen. Uit dat onderzoek is gebleken dat de verdachte mogelijk gebruik maakt van IMEI-nummer [IMEI 1]. Dit IMEI-nummer is vervolgens getapt (het hof begrijpt: de taps op [IMEI-a]).1

Het hof stelt op grond van de inhoud van deze telefoontaps en observaties van de verdachte vast, dat de verdachte de gebruiker van [IMEI-a] is geweest. Zo vindt op 18 maart 2009 te 21:55 uur een telefoongesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 1], waarin de verdachte tegen [betrokkene 1] zegt: “[bijnaam A], hij is hier op zaterdag zei hij tegen mij.”2 Gebleken is dat ‘[bijnaam A]’ de bijnaam is van [betrokkene 2].3 Op 23 maart 2009 vindt er sms-verkeer plaats tussen de verdachte (via [IMEI-a]) en NN050, waarin NN050 aan de verdachte sms’t dat hij hem kan zien en zij om half 4 afspreken in “hetzelfde hotel.”4 Bekend was dat [betrokkene 2] tijdens een eerder bezoek aan Nederland in het [hotel A] in Amsterdam had verbleven.5 Een observatieteam ziet vervolgens op 23 maart 2009 om 15:30 uur [betrokkene 2] in de lobby van het [hotel A] staan. Omstreeks 15:50 uur ontmoet de verdachte [betrokkene 2] in het [hotel A] en zitten zij tot 16:45 uur samen in de bar van het hotel.6 [betrokkene 2] is kennelijk NN050.

Uit nadere onderzoek naar de telecommunicatie van [IMEI-a] op 16 maart 2009 is gebleken dat [IMEI-a] (nummer [IMEI 1]) gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (het hof begrijpt: [TT-a]).7 Nu de nadien gevoerde telecommunicatie van [telefoonnummer 1] qua inhoud en gebruikers aansluiten bij die van [IMEI-a] – waarvan blijkt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen - gaat het hof ervan uit dat de verdachte ook toen de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is geweest.

Zaak 2: telefoonnummer [telefoonnummer 2] ([TT-b])

Op 9 juli 2009 is een IMSI-catcher ingezet teneinde het telefoonnummer van de verdachte te verkrijgen. Uit dat onderzoek is gebleken dat de verdachte mogelijk gebruik maakt van IMSI-nummer [IMSI 1]. Aan dit IMSI-nummer is gekoppeld het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (het hof begrijpt: [TT-b]).8

Het hof stelt op grond van de inhoud van de telefoontaps en observaties van de verdachte vast, dat de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is geweest. Zo blijkt uit sms-berichten dat de gebruiker van dit telefoonnummer op 22 juli 2009 net terug is van vakantie om op 23 juli 2009 voor een periode van drie weken weer op vakantie te gaan. Gebleken is dat de verdachte op 10 juli 2009 is vertrokken op een tiendaagse vakantie en op 23 juli 2009 wederom voor drie weken op vakantie is gegaan.9 Verder volgt uit sms-verkeer van 24 september 2009 tussen de verdachte en [medeverdachte 8] enerzijds en de verdachte en [medeverdachte 9] anderzijds, dat de daaropvolgende dag om 14:00 uur met elkaar hebben afgesproken op “zelfde plek.”10 Tijdens een observatie op 25 september 2009 is vervolgens waargenomen dat zij elkaar omstreeks 14:38 uur treffen drieën bij een tankstation alvorens zij zich gezamenlijk naar de loods aan de [loods A] te Alphen begeven.11

Zaak 3: telefoonnummer [telefoonnummer 3] ([TT-c])

Bij het inbouwen van OVC-apparatuur in de Mercedes van de verdachte is een telefoon met simkaart aangetroffen. Uit het IMEI- en simkaartnummer blijkt dat bij deze telefoon en simkaart het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (het hof begrijpt: [TT-c]) behoort.12 Het hof stelt op grond van de inhoud van de telefoontaps van dit telefoonnummer vast, dat de verdachte de gebruiker van dit telefoonnummer is geweest. Daartoe overweegt het hof dat de inhoud van de sms-berichten die op 23 oktober 2009 door de gebruiker van dit telefoonnummer zijn verstuurd, overeenkomt met de inhoud van een telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 3] van eerder die dag.13 Bij laatstgenoemde telefoongesprek maakt de verdachte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (het hof begrijpt: [TT-d]), van welk telefoonnummer het hof eveneens vaststelt dat dit in gebruik is geweest. De verdachte heeft immers vanaf dit nummer op 30 december 2008 een telefoongesprek gevoerd met International Card Services ter zake van een pincode van zijn Bijenkorfpas.14

Stemherkenning

Door de verdediging is in dit geval slechts in zijn algemeenheid gesteld dat die stemherkenningen niet naar de regelen van een betrouwbare deskundige herkenning zouden hebben plaatsgevonden. Welke regelen de verdediging in dit verband voor ogen staan, is het hof niet duidelijk geworden. Voor zover in het onderzoek gebruik is gemaakt van stemherkenning teneinde de verdachte te identificeren als de gebruiker van een telefoonnummer of IMEI-nummer overweegt het hof dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid of betrouwbaarheid van die stemherkenning.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding kunnen geven om wel aan die juistheid en betrouwbaarheid te twijfelen.

Conclusie

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en zal het resultaat dat is voortgekomen uit het onderzoek naar telecommunicatie bezigen voor het bewijs.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 7 ten laste gelegde

Het hof stelt voorop dat witwassen kan bewezen worden verklaard wanneer het niet anders kan zijn dan dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Om daartoe te kunnen concluderen dient allereerst op grond van wettige bewijsmiddelen een ernstig vermoeden van witwassen te worden aangenomen. Indien dit ernstig vermoeden wordt aangenomen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die herkomst moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken. Als de verdachte een zodanige verklaring geeft kan (om desondanks toch tot een veroordeling te komen) van het Openbaar Ministerie worden verlangd daarnaar vervolgens onderzoek te doen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof stelt hiertoe het volgende vast.

Uit wettige bewijsmiddelen in het onderliggende strafdossier (zaak 11) volgt het volgende.

Vast staat, dat de verdachte tussen april 2009 en mei 2011 in totaal € 153.055,70 contant heeft betaald ten behoeve van een verbouwing van een appartement aan de [straat A] in Amsterdam. De verdachte heeft dit ook erkend. Gelet op de hoogte van dit bedrag en de omvang van de (legale) inkomsten van de verdachte over die periode, is een ernstig vermoeden van witwassen gerechtvaardigd.

De verdachte heeft over de herkomst van het geld verklaard dat dat ten dele afkomstig is uit de omzet van de coffeeshop – naar zijn zeggen: ‘geldbedragen zijn uit de kassalade gehaald, maar ook weer teruggelegd’ – en dat het ten dele afkomstig is uit de opbrengst van handel in auto’s, grond en verhuur van een huis in Spanje. Om welke bedragen het zou zijn gegaan weet de verdachte niet meer. In hoger beroep heeft zijn raadsvrouw daaraan nog toegevoegd dat de verdachte ook inkomsten had uit de verhuur van een boot – een omstandigheid die nog niet eerder was aangevoerd en die ook niet nader is geadstrueerd dan wel geconcretiseerd.

Met de rechtbank is het hof van mening dat hetgeen wél – min of meer concreet - is aangevoerd voor het overgrote deel ziet op een periode ver vóór de verbouwing; dat hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd over een lening van € 50.000 in contanten niet (alsnog) aannemelijk is geworden; en dat voor zover er in bedoelde periode sprake zou zijn geweest van de verhuur van verdachtes huis in Spanje, dan wel transacties in grond of (bemiddeling) in auto’s, inkomsten daaruit niet concreet zijn geworden. Voor zover er wel – op enkele onderdelen - enige concrete aanknopingspunten voor nader onderzoek waren heeft het Openbaar Ministerie niettemin getracht een aantal beweringen van de verdachte nog te verifiëren. Dat heeft niet tot bruikbare resultaten geleid. Verdachtes stelling dat hij een auto voor € 75.000 aan [betrokkene 4] had verkocht is door [betrokkene 4] niet bevestigd; naspeuringen betreffende grondtransacties in Spanje leverden evenmin concrete resultaten op en voor de zoekslag naar de autohandel van de verdachte, die het Openbaar Ministerie nog heeft verricht, geldt dat daaruit niet naar voren is gekomen dat de verdachte uit de gestelde handel dan wel bemiddeling in de ten laste gelegde periode de beschikking kreeg over de benodigde contanten voor de verbouwing.

Op grond van het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat de verdachte niets naar voren heeft gebracht over de contante bedragen waarmee de verbouwing zou zijn gefinancierd dat voldoende concreet en min of meer verifieerbaar is gebleken.

Het hof stelt vast dat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep kan worden uitgesloten dat de contante gelden waarmee de verdachte de verbouwing heeft betaald een legale herkomst hadden en concludeert dat de enige aanvaardbare verklaring voor de herkomst van de bestede geldbedragen is dat die gelden afkomstig zijn van enig misdrijf. Derhalve zal bewezen worden verklaard dat de verdachte € 153.055,70 heeft witgewassen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte geen reguliere administratie van zijn inkomsten heeft gevoerd, maar dat thans – naar het hof begrijpt - in het kader van de ontnemingszaak de zaken op orde worden gebracht en in dat kader nog een fiscaal jurist zal worden gehoord. Mocht het hof komen tot een bewezenverklaring van het witwassen, dan is het verzoek deze zaak af te splitsen en te behandelen gelijktijdig aan de behandeling van de ontneming.

Het hof wijst dit verzoek af. De verdachte is een en andermaal in de gelegenheid geweest te verklaren over de herkomst van de contante geldbedragen hier aan de orde. Splitsing kan plaatsvinden indien geen verband bestaat tussen de feiten waarop de ten laste gelegde zaken zien of dat de voeging daarvan niet in het belang van het onderzoek is. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof geen sprake. Het in artikel 285 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde ziet in beginsel niet op de splitsing van feiten door dezelfde persoon begaan, en voor zover dat wel het geval zou kunnen zijn omdat ten aanzien van een feit nog nader onderzoek zou dienen te volgen, doet zich die situatie niet voor nu hetgeen de raadsvrouw aanvoert over nader onderzoek ziet op de nog te berechten ontnemingsvordering. In dit onderzoek, waarin de redelijke termijn reeds is geschonden, is het van belang de zaken thans gevoegd af te doen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele malen in georganiseerd verband en op professionele wijze schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van grote hoeveelheden hennep en hasj en twee kilo amfetamine. Aldus heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Bovendien zijn drugs schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 153.055,70. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast.

Tot slot heeft de verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het binnen en/of buiten het grondgebied brengen van grote hoeveelheden cocaïne. De georganiseerde handel in verdovende middelen dient met kracht te worden bestreden. Een dergelijke samenwerkingsverband bevordert criminaliteit en ondermijnt de rechtsorde.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden, nu de berechting in hoger beroep niet binnen twee jaar heeft plaatsgevonden na het instellen daarvan. Het hof zal deze termijnoverschrijding verdisconteren door in plaats van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 45, 47, 57, 62, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. A.M.P. Gaakeer en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2017.

mr. H.C. Wiersinga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal van aanvraag bevel onderzoek telecommunicatie spoedtap 16 maart 2009 d.d. 17 maart 2009 van de Korps landelijke politiediensten, PD [verdachte], map 9, p. 3067 e.v.

2 Een geschrift, zijnde een telefoontap [IMEI-a] d.d. 18 maart 2009 te 21:55 uur, zaak 1, p. 145.

3 Een proces-verbaal i.v.m. verdenking art. 27 Sv + identificatie d.d. 1 september 2010 van de Korps landelijke politiediensten, zaak 1, 31-40.

4 Een geschrift, zijnde een telefoontap [IMEI-a] d.d. 23 maart 2009 te 11:56 uur, 11:59 uur en 12:06 uur, zaak 1, p. 151 e.v.

5 Een proces-verbaal i.v.m. verdenking art. 27 Sv + identificatie d.d. 1 september 2010 van de Korps landelijke politiediensten, zaak 1, 31-40.

6 Een proces-verbaal observeren 23 maart 2009 d.d. 26 maart 2009 van de Korps landelijke politiediensten, zaak 1, p. 46-47.

7 Een proces-verbaal van aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie d.d. 19 maart 2009 van de Korps landelijke politiediensten, PD [verdachte], map 5, p. 1704-1706.

8 Een proces-verbaal van aanvraag bevel onderzoek telecommunicatie [telefoonnummer 2] ([TT-b]) d.d. 14 juli 2009 van de Korps landelijke politiediensten, PD [verdachte], map 6, p. 1980-1983.

9 Een proces-verbaal van aanvraag verlenging bevel telecommunicatie [telefoonnummer 2] ([TT-b]) d.d. 6 augustus 2009 van de Korps landelijke politiediensten, PD [verdachte], map 6, p. 1988-1990.

10 Een geschrift, zijnde een telefoontap [TT-b] d.d. 24 september 2009 te 08:58:05 uur, 08:58:35 uur, 08:59:07 uur, 08:59:51 uur, 09:00:50 uur, 09:10:21 uur en 09:12:07 uur, Zaak 2, ordner 1, p. 187-191.

11 Een proces-verbaal observeren van vrijdag 25 september 2009 van de Nationale Recherche, Zaak 2, ordner 1, p. 352-356.

12 Een relaas proces-verbaal zaak 03 d.d. 8 juni 2010 van de Korps landelijke politiediensten, zaak 3, ordner 1, p. 27.

13 Een proces-verbaal van aanvraag bevel onderzoek telecommunicatie [telefoonnummer 3] d.d. 30 oktober 2009 van de Korps landelijke politiediensten, PD [verdachte], map 7, p. 2279-2284.

14 Een proces-verbaal van aanvraag bevel onderzoek telecommunicatie [telefoonnummer 4] d.d. 6 januari 2009 van de Korps landelijke politiediensten, PD [verdachte], map 4, p. 972-975.