Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:445

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
200.198.398/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Immuniteit Europees Octrooi Bureau. Verwijzing naar HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:57.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.198.398/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/512962 / KG ZA 16-741

arrest in kort geding van 7 maart 2017

inzake

de vereniging Vakbondsunie van het Europees Octrooibureau (VEOB, afdeling Den Haag),

zetelend te Rijswijk,

SUEPO (Staff Union of the European Patent Office),

zetelend te Den Haag,

appellanten,

hierna te noemen: VEOB c.s. of elk afzonderlijk VEOB en SUEPO,

advocaat: mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

de Europese Octrooi Organisatie,

gevestigd te München (Duitsland), alsmede te Rijswijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: EOO,

advocaat: mr. G.R. den Dekker te Den Haag.

Het geding

1. Bij exploot van 29 augustus 2016 met één productie hebben VEOB c.s. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2016. In het appelexploot hebben zij twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Bij memorie van antwoord met producties heeft EOO de grieven bestreden. Vervolgens is pleidooi bepaald, dat op verzoek van partijen geen doorgang heeft gevonden. Ten slotte is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende feiten:

a. EOO is een internationale publiekrechtelijke rechtspersoon met vestigingen in verschillende Europese landen. EOO is in 1973 opgericht bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooi Verdrag, EOV), dat op 7 oktober 1977 voor Nederland in werking is getreden. De hoofdvestiging van EOO is in München. EOO heeft nevenvestigingen in Rijswijk, Wenen en Brussel. EOO is belast is met de uitvoering van het EOV.

VEOB is een vakbond voor werknemers die werkzaam zijn bij de EOO-vestiging in Rijswijk. Zij houdt zich bezig met het uitoefenen van haar recht op collectieve onderhandelingen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden bij het Europees Octrooi Bureau, de arbeids- en pensioenvoorwaarden en de uitkeringen aan (voormalige) werknemers, hun gezinnen en hun rechtsopvolgers.

SUEPO is de overkoepelende vakbond voor werknemers van EOO. Zij heeft afdelingen in Den Haag, München, Berlijn en Wenen.

EOO bestaat uit twee organen: de Administrative Council (AC) waarin de lidstaten zitting hebben en die verantwoordelijk is voor het beleid, en de European Patent Office (EPO), het uitvoerend orgaan met als eindverantwoordelijke de president.

Artikel 8 EOV luidt als volgt:

“The Protocol on Privileges and Immunities annexed to this Convention shall define the conditions under which the Organisation, the members of the Administrative Council, the employees of the European Patent Office, and such other persons specified in that Protocol as take part in the work of the Organisation, shall enjoy, in each Contracting State, the privileges and immunities necessary for the performance of their duties.”

Bij het EOV behoort het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie (hierna: het Protocol). In artikel 3 van het Protocol is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

“(1) Within the scope of its official activities the Organisation shall have immunity from jurisdiction and execution, except

(a ) to the extent that the Organisation shall have expressly waived such immunity in a particular case;

(b ) in the case of a civil action brought by a third party for damage resulting from an accident caused by a motor vehicle belonging to, or operated on behalf of, the Organisation, or in respect of a motor traffic offence involving such a vehicle;

(c) in respect of the enforcement of an arbitration award made under Article 23. (….)

(4) The official activities of the Organisation shall, for the purposes of this Protocol, be such as are strictly necessary for its administrative and technical operation, as set out in the Convention.”

De arbeidsvoorwaarden van het personeel van EOO zijn neergelegd in de “Service Regulations for Permanent Employees” (hierna: het Dienstreglement). Het Dienstreglement voorziet in een interne beroepsprocedure voor het beslechten van geschillen tussen (voormalige) personeelsleden van EOO en EOO. Een personeelslid kan tegen een jegens hem genomen besluit op grond van het Dienstreglement bezwaar maken bij de president van EOO. Tegen de beslissing van de president kan op grond van artikel 13 EOV beroep worden ingesteld bij the International Labour Organisation Administrative Tribunal (hierna: ILOAT).

Op 1 januari 2013 heeft EOO de volgende circulaires aangenomen: circulaire 341: “Policy on the prevention of harassment and the resolution of conflicts at the EOO” en circulaire 342: “Guidelines for investigations at the EOO”. De tweede circulaire introduceert de mogelijkheid van intern onderzoek naar vermeend wangedrag van werknemers van EOO.

i. VEOB c.s. hebben in een eerdere procedure EOO in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en onder meer gevorderd EOO te gebieden de schendingen op het recht op staken en het recht op collectief onderhandelen te beëindigen en VEOB c.s. te erkennen als sociale partners en hen toe te laten tot collectieve onderhandelingen betreffende het personeel van EOO.

Bij vonnis van 14 januari 2014 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag – met verwerping van het beroep van EOO op immuniteit van jurisdictie – de vorderingen van VEOB c.s. afgewezen. VEOB c.s. hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 17 februari 2015 van dit hof is EOO veroordeeld VEOB c.s. onbelemmerde toegang tot het e-mailsysteem van EOO te geven. Het hof heeft voorts EOO verboden artikel 30a lid 2 en lid 10 van het Dienstreglement, voor zover deze bepaling de president de bevoegdheid verleent een maximumduur van de staking te bepalen, toe te passen en EOO geboden VEOB c.s. toe te laten tot collectieve onderhandelingen. Dit arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

EOO heeft tegen het arrest van 17 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld. In zijn arrest van 20 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:57) heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof en het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van VEOB c.s.

EOO heeft na het arrest van dit hof van 17 februari 2015 verschillende onderzoeken gestart naar vermeend wangedrag door individuele bestuursleden van onder meer VEOB en SUEPO.

Tijdens de vergadering op 16 maart 2016 heeft de AC van EOO resolutie CA/26/16 aangenomen.

3. VEOB c.s. vorderden – zakelijk weergegeven – in eerste aanleg:

a) EOO op te dragen een externe onafhankelijke deskundige in te schakelen om de lopende en voorgenomen onderzoeken van de Investigative Unit en de lopende en voorgenomen tuchtrechtelijke procedures tegen de bestuursleden van VEOB c.s. te toetsen aan de eisen van een eerlijke en redelijke procesgang en erop toe te zien dat deze het vakbondswerk niet onnodig belemmeren;

b) EOO op te dragen mee te werken aan bemiddeling door een door de voorzieningenrechter aan te wijzen mediator in het conflict tussen EOO en VEOB c.s.;

c) EOO op te dragen om gedurende het proces van externe beoordeling van de onderzoeken van de Investigative Unit en tuchtrechtelijke procedures tegen de bestuurders van VEOB c.s. als bedoeld onder (a) dan wel gedurende het proces van bemiddeling in het conflict tussen EOO en VEOB c.s. als bedoeld onder (b) de onderzoeken en tuchtrechtelijke procedures gericht tegen de bestuurders van VEOB c.s. te staken;

een en ander conform de door de AC op 16 maart 2016 aangenomen resolutie;

d) EOO op te dragen toestemming van de AC te vragen alvorens een nieuw onderzoek van de Investigative Unit en/of tuchtrechtelijke procedure tegen een of meerdere bestuursleden van VEOB c.s. te entameren en alvorens een of meer lopende onderzoeken en/of tuchtrechtelijke procedures tegen de bestuursleden van VEOB c.s. voort te zetten;

e) EOO te gebieden om de bestuursleden van VEOB c.s. te ontheffen van hun geheimhoudingsplicht zoals opgenomen in artikel 4 van circulaire 342 van 30 november 2012 betreffende de tegen hen ingestelde onderzoeken en tuchtrechtelijke procedures;

f) EOO te veroordelen in de proceskosten.

4. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard van de vorderingen kennis te nemen.

5. VEOB c.s. vorderen in hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van hun in eerste aanleg geformuleerde vorderingen. De hierboven onder c. weergegeven vordering is in hoger beroep aldus aangepast dat wordt gevorderd dat EOO wordt opgedragen om gedurende het proces van externe beoordeling dan wel bemiddeling, en alvorens tot verdere beslissingen in voornoemde onderzoeken en procedures te komen, de AC op passende wijze te informeren en voorstellen te doen om het vertrouwen in een redelijk en eerlijk proces te vergroten. Voorts hebben VEOB c.s. aan hun vorderingen toegevoegd dat de voorlopige voorzieningen worden getroffen die het hof op basis van de resolutie van de AC van 16 maart 2016 passend acht.

6. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat individuele werknemers van EOO en hun vertegenwoordigers bij VEOB c.s. voor besluiten die in tuchtrechtelijke procedures zijn genomen, toegang tot de rechtsgang bij ILOAT hebben en dat voor die werknemers van EOO en hun vertegenwoordigers een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij ILOAT ter beschikking staat. VEOB c.s. voeren aan dat er voor de vakbonden geen alternatieve rechtsgang voorhanden is. De individuele werknemers kunnen zich bovendien niet beklagen over het interne onderzoek van de “Investigative Unit” en ook niet over de beslissing van de president om een tuchtprocedure te beginnen. Pas “aan het einde van de rit” kunnen zij opkomen tegen het eindbesluit van de president en tegen de sancties die eventueel zijn opgelegd. Grief 2 is gericht tegen de overwegingen 4.6 en 4.7, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat er omvangrijke processen in gang zijn gezet om het sociale klimaat en de werkomstandigheden binnen EOO grondig te onderzoeken en waar nodig te verbeteren. De grief is mede gericht tegen de conclusie dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft.

7. Het hof overweegt als volgt. In zijn arrest van 20 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:57) heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof van 17 februari 2015 vernietigd. Na enkele inleidende beschouwingen over de toekenning van immuniteit aan internationale organisaties en de proportionaliteit van die toekenning in relatie tot het recht op toegang tot de rechter heeft de Hoge Raad overwogen:

“5.8 Voor zover VEOB c.s. hun vorderingen in de onderhavige procedure hebben gebaseerd op het recht op collectieve actie, wordt het volgende overwogen. De leden van VEOB c.s. hebben de mogelijkheid om op te komen tegen de jegens hen getroffen maatregelen, en in dat kader ook tegen de daaraan ten grondslag liggende besluiten, in een interne procedure bij EOO, gevolgd door een rechtsgang bij ILOAT. Mede gelet op hetgeen hiervoor in 4.2, 4.3 en 5.5 is overwogen, moeten deze mogelijkheden, hoewel zij onderdoen voor die van het nationale recht, worden aangemerkt als een voldoende redelijk alternatief om het uit art. 11 lid 1 EVRM voortvloeiende recht op collectieve actie effectief te kunnen beschermen.

Van een rechtsmiddel dat alleen kan worden aangewend nadat de inbreuk heeft plaatsgevonden, kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet effectief is (vgl. EHRM 20 januari 2011, nr. 36036/04, Makedonski, rov. 56; EHRM 27 oktober 2016, nr. 55977/13, NDP/Duitsland, rov. 23). Het feit dat leden van VEOB c.s. alleen achteraf, dat wil zeggen nadat reeds maatregelen jegens hen zijn getroffen, kunnen opkomen tegen de door EOO vastgestelde bepalingen die VEOB c.s. in de onderhavige procedure ter discussie stellen, betekent dus nog niet dat het rechtsmiddel dat aan hen ter beschikking staat, geen voldoende effectief rechtsmiddel is in de zin van art. 13 EVRM.”

8. De door VEOB c.s in hoger beroep ingenomen stellingen zijn met dit oordeel in strijd. Hun stelling dat stelselmatig op oneigenlijke gronden interne onderzoeken en tuchtprocedures tegen bestuursleden worden geëntameerd in verband met hun vakbondswerk kan door de individuele leden in een procedure tegen eventuele tuchtmaatregelen bij het ILOAT aan de orde worden gesteld. Datzelfde geldt voor hun bezwaren tegen de wijze waarop de onderzoeken worden uitgevoerd en hun stelling dat de vakbonden door de betreffende onderzoeken en tuchtprocedures het werken onmogelijk wordt gemaakt. Het hof neemt bij dat oordeel in aanmerking dat de Hoge Raad oordeelde dat de individuele beroepsmogelijkheden van de leden van VEOB c.s. moeten worden aangemerkt als een voldoende redelijk alternatief om het uit artikel 11 EVRM voortvloeiende recht op collectieve actie effectief te kunnen beschermen. Ook de stelling van VEOB c.s. dat de beroepsgang bij het ILOAT niet effectief is omdat de individuele werknemers daar pas terecht kunnen nadat een sanctie is opgelegd, stuit af op het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien VEOB c.s. zelf (en ten overvloede, par. 10 memorie van grieven) stellen dat deze procedure niet gaat om de (on)rechtmatigheid van algemene regels, kunnen hun opmerkingen over de vraag of algemene regels bij het ILOAT aan de orde kunnen worden gesteld, onbesproken blijven, dit nog daargelaten dat ook die stellingen afstuiten op het oordeel van de Hoge Raad. Grief 1 faalt daarom en datzelfde geldt voor grief 2 voor zover deze is gericht tegen de conclusie van de voorzieningenrechter dat hij geen rechtsmacht heeft.

9. Grief 2 is verder gericht tegen de weergave door de voorzieningenrechter van maatregelen die inmiddels zijn genomen om het sociale klimaat en de werkomstandigheden bij EOO te verbeteren. Ook als de stellingen van VEOB c.s. in dit verband juist zijn, kan dat gelet op het hierboven weergegeven oordeel van de Hoge Raad niet tot een andere conclusie leiden. Ook grief 2 faalt daarom.

10. Het bewijsaanbod van VEOB c.s. voldoet niet aan de eisen die daaraan in hoger beroep moeten worden gesteld en zal reeds om die reden worden gepasseerd.

11. Het bovenstaande betekent dat het vonnis van de voorzieningenrechter moet worden bekrachtigd. VEOB c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2016;

  • -

    veroordeelt VEOB c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van EOO tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, M.A.F. Tan-de Sonnaville en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.