Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:437

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
200.164.373
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; beroep op schorsing dekking niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar; foute mededeling - schending zorgplicht - toerekenbare tekortkoming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1179
RAV 2017/58
NTHR 2017, afl. 3, p. 161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.164.373/01

Rolnummer rechtbank : C09/463056 / HAZA 14-405

arrest van 7 maart 2017

inzake

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

hierna te noemen: Nationale Nederlanden,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Den Haag,

tegen

[de vennootschap onder firma],

voorheen tevens handelende onder de naam [naam],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.J. Dolk te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 21 januari 2015 is Nationale Nederlanden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen gewezen vonnis van 10 december 2014. Bij memorie van grieven heeft Nationale Nederlanden vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet weersproken, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[geïntimeerde] exploiteert een optiekwinkel te [plaats] (verder: de winkel). Vennoten van [geïntimeerde] zijn de heer [naam] en zijn echtgenote.

2.2

[geïntimeerde] heeft met ingang van 22 januari 1973 via administratie- en assurantiekantoor [naam] (verder: [het administratiekantoor]) onder polisnummer […] een zogenaamde Perfect Combinatieverzekering voor zaken (verder: CZ-verzekering) afgesloten bij Nationale Nederlanden. De verzekering biedt dekking voor een som van € 113.500,-- op zaakschade en een som van € 81.700,-- op bedrijfsschade op het risicoadres van de winkel. De prolongatiepremie is ieder jaar op 22 januari door eiseres verschuldigd.

2.3

In de toepasselijke algemene poliswaarden is onder meer bepaald:

"Artikel 19 Betaling

Verzekeringnemer dient de premie, kosten en assurantiebelasting vooruit te

betalen binnen 30 dagen nadat zij verschuldigd worden.

De verzekering is niet van kracht voor gebeurtenissen, die plaatsvinden:

- nadat de hierboven vermelde termijn van 30 dagen is verstreken zonder

dat de premie, kosten en assurantiebelasting zijn betaald;

- indien verzekeringnemer weigert de premie, kosten en assurantiebelasting te voldoen.

Nadere ingebrekestelling door de maatschappij is daarbij niet nodig. Verzekeringnemer blijft verplicht de premie kosten en assurantiebelasting te voldoen. De verzekering wordt weer van kracht voor gebeurtenissen die plaatsvinden na de dag, waarop de premie, kosten en assurantiebelasting door de maatschappij zijn ontvangen."

2.4

[geïntimeerde] is daarnaast met Nationale Nederlanden andere verzekeringen aangegaan, waaronder een ziekengeldverzekering onder polisnummer […] (verder: de ziekengeldverzekering).

2.5

Op 8 februari 2012 heeft [het administratiekantoor] aan Nationale Nederlanden een e-mail gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

"Onderwerp polis […] t.n.v. [geïntimeerde]

(....)

De afrekening loonsom 2011 is door verzekerde ontvangen en zo ook het voorschot

2012, gebaseerd op een loonsom van E 70.321.

In de loop van 2011 is het personeelsbestand van werkgever gehalveerd, nu is er

nog maar 1 werknemer in dienst. De loonsom van deze werknemer zal over het

jaar 2012 E 46.000 bedragen. De afwijking t.o.v. het berekende voorschot, de

loonsom van E 70.321 bedraagt derhalve E 24.321, ruim 1/3 lager. Wij verzoeken

u dan ook namens verzekerde de voorschotpremie voor 2012 aan te passen

uitgaande van een loonsom van E 46.000.”

2.6

Bij brief van 21 februari 2012 heeft Nationale Nederlanden aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

"Onderwerp

Eerste herinnering premieachterstand

Comb./zakenverzekering

Geachte heer, mevrouw,

Uit onze administratie blijkt dat wij de premie voor bovenvermelde verzekering

sinds 22 januari 2012 niet hebben ontvangen. De verschuldigde premie bedraagt

€ 1.170,48. Wij attenderen u erop dat u nog 14 dagen de tijd hebt om de premie te

betalen. Daarom moet u de betaling zo spoedig mogelijk in orde maken.

Wanneer u na deze termijn nog niet betaald hebt, kunt u geen rechten meer aan de

verzekering ontlenen. Wanneer onze vordering niet op tijd is betaald, schorten wij

de dekking van de verzekering op. U kunt dan geen aanspraak meer maken op een

schadevergoeding, uitkering of andere rechten. (…)"

2.7

[geïntimeerde] heeft de desbetreffende premie niet voldaan.

2.8

Op 5 augustus 2012 is in het bedrijfspand van [geïntimeerde] ingebroken.

2.9

[het administratiekantoor] heeft deze inbraak bij e-mail van 4 oktober 2012 gemeld aan Nationale Nederlanden. Op 5 oktober 2012 heeft Nationale Nederlanden de ontvangst van de melding bevestigd.

2.10

Bij e-mail van 10 oktober 2012 scheef de schadebehandelaar van Nationale Nederlanden aan [het administratiekantoor]:

"Onderwerp: nieuwe schade dekking polisnummer: […] ten name van.

[geïntimeerde] schadenummer: […]

Geachte heer [naam],

Ik heb uw schademelding ontvangen. Uit de ingezonden informatie blijkt dat het om een gedekte gebeurtenis gaat. De schade wordt dan ook vergoed.

Om de schademelding verder te kunnen behandelen, ontvang ik graag:

inkoopnota's van de gesloten goederen.

(…) en offerte voor de herstelkosten.

(…)

Na ontvangst zorg ik voor een snelle afhandeling. De betalingsbevestiging van de

schadevergoeding ontvangt u nog. (...)"

2.11

Op dezelfde dag verzond Nationale Nederlanden een e-mail met de volgende aanvulling:

"Geachte heer [naam],

Op deze schade is een eigen risico a €454,-- van toepassing."

2.12

Bij e-mail van 26 november 2012 verzond Nationale Nederlanden onder verwijzing naar haar e-mails van 10 oktober 2011 een rappel aan [het administratiekantoor].

2.13

In de nacht van 5 op 6 december 2012 is opnieuw ingebroken in het bedrijfspand van

[geïntimeerde]. [het administratiekantoor] heeft de schade op 6 december 2012 aan Nationale Nederlanden gemeld.

2.14

Later op die dag heeft Nationale Nederlanden de heer [naam] (hierna: [eigenaar administratiekantoor]), de eigenaar van [het administratiekantoor], teruggebeld. In een telefoonnotitie van [naam] van Nationale Nederlanden van 6 december 2012 is vermeld:

"Verzekeringsadviseur [eigenaar administratiekantoor] gebeld en met hem gedeeld dat de premie al sinds 22 januari 2012 niet meer betaald is en er dus geen polisdekking meer is.

Expertises en onderzoeken derhalve onder voorbehoud van polisdekking!!!

[eigenaar administratiekantoor] wordt er stil van, begrijpt ons standpunt maar gaat dit in zijn eigen administratie nazoeken (hij doet ook de administratie van [geïntimeerde])."

2.15

Bij brief van 14 maart 2013 schreef Nationale Nederlanden aan [geïntimeerde]:

"Hierbij komen wij terug op uw verzoek om schadevergoeding voor de inbraakschades van 5 augustus en 6 december 2012 waarnaar wij een nader onderzoek hebben laten instellen.

Uit administratief onderzoek is gebleken dat de prolongatiepremie van 22 januari 2012 op het moment van beide schadegevallen nog niet was voldaan. (…)

Op 21 februari 2012 hebben wij u er per brief op gewezen dat de dekking zou vervallen indien de premie niet tijdig, binnen 14 dagen, betaald zou zijn. Per brief van 21 maart 2012 hebben wij u in kennis gesteld van het feit dat de dekking op deze verzekering was vervallen (…)

Aangezien wij de prolongatiepremie noch op 5 augustus 2012 noch op 6 december 2012 hebben ontvangen, biedt de verzekering geen dekking. Voor beide inbraakschades volgt geen schadevergoeding.

Gezien de onduidelijkheden rond beide schademeldingen hebben wij, onder strikt voorbehoud van dekking, alsnog een onderzoek ongesteld. Uit dit onderzoek zijn een aantal tegenstrijdigheden geconstateerd.

De inbraakschade van 5 augustus 2012 heeft u via uw administratiekantoor [het administratiekantoor] bij ons gemeld. U stelt, via uw tussenpersoon, diverse keren om een expert gevraagd te hebben. Omdat er geen expert verscheen heeft u van deze schade nimmer stukken ingestuurd.

Gebleken is dat deze schade eerst op 4 oktober 2012 is aangemeld door uw tussenpersoon. Op zowel 5 oktober 2012 als op 10 oktober 2012 hebben wij een email aan uw tussenpersoon gestuurd met het verzoek om stukken en/of informatie. Op 26 november 2012 hebben wij nog een rappel aan uw tussenpersoon gestuurd waarop geen enkele reactie gevolgd is.

Eerst tijdens het gesprek van 10 december 2012 stelt u kennisgenomen te hebben van het feit dat er voor beide schadegevallen wegens premieachterstand geen dekking bestaat. Zowel door u als uw vrouw wordt altijd zorgvuldig gehandeld maar noch u noch uw vrouw zou een van onze brieven hebben gezien of ontvangen. Opmerkelijk genoeg heeft uw administrateur/tussenpersoon wel een van onze brieven, te weten de brief van 21 februari, in uw administratie aangetroffen. Ook heeft u gesteld dat de verkoop van uw woning direct verband houdt met het niet vergoede van beide schadegevallen. Opmerkelijk genoeg stond de afspraak met de makelaar reeds gepland voor 10 december 2012 toen u dezelfde dag werd ingelicht over het ontbreken van polisdekking.

Uit de geconstateerde tegenstrijdigheden valt niet op te maken wat de waarheid is. De indruk die op basis van de tegenstrijdigheden ontstaat, is dat er gepoogd wordt om alsnog een schadevergoeding voor de inbraken te verkrijgen.

(…)"

2.16

Op 16 oktober 2013 zond de advocaat van [geïntimeerde] een e-mail aan Nationale Nederlanden met de volgende inhoud:

"(…) Cliënt betaalde de premie niet, omdat (…) U op dat moment nog een som van ongeveer Euro 4.000,- aan cliënte opeisbaar verschuldigd was. Cliënte heeft U – Nationale Nederlanden – daarover gebeld. Dat was nodig omdat u niet op fax en e‑mail reageerde. Toen is door cliënt ook gezegd, dat hij geen premies betaalde zolang de restitutie niet had plaatsgevonden.

Cliënt heeft slechts 1 herinnering ontvangen en heeft deze dus genegeerd. Verdere aanmaningen zijn door cliënte nimmer ontvangen.

Eerst in mei 2012 heeft u de premies verrekend en is cliënte er van uitgegaan dat daarmee alle premies voldaan waren.

(…)

Dat er sprake is van een vergissing uwerzijds (…) om de schade te vergoeden regardeert cliënt niet. Hij mocht erop vertrouwen dat de schade zou worden vergoed.

Dit heeft er ook toe geleid dat cliënt er geen seconde bij stil heeft kunnen staan dat er nog premie openstond. Had u de zgn vergissing niet gemaakt, dan had cliënt onverwijld een achterstallige premie voldaan. Die mogelijkheid is hem nu onthouden.

(…)"

2.17

Bij inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd door Nationale Nederlanden van de schade als gevolg van de beide inbraken, begroot op € 99.999,--, vermeerderd met rente en kosten.

2.18

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank een bedrag van € 73.071,-- (en een bedrag van € 13.250,-- voorwaardelijk) toegewezen ter zake van de inbraak in de nacht van 5 op 6 december 2012. De rechtbank overwoog daartoe dat de niet-betaling van de premie (of dit nu is te wijten aan een misverstand met betrekking tot de ziekengeldverzekering, of dat het gewoon is vergeten) voor risico van [geïntimeerde] komt. Dit betekent, aldus de rechtbank, dat voor het eerste schadevoorval van 5 augustus 2012 geen dekking bestaat. De mededeling van Nationale Nederlanden op 10 oktober 2012 dat het om een gedekte gebeurtenis ging, doet daaraan niet af. Ter zake van het tweede schadevoorval geldt echter, dat Nationale Nederlanden – die door de schademelding ter zake van het eerste schadegeval had moeten begrijpen dat [geïntimeerde] in de verkeerde veronderstelling verkeerde dat zij nog steeds verzekerd was – verweten kan worden dat zij [geïntimeerde] in die onjuiste veronderstelling heeft gelaten, zodat [geïntimeerde] niet alsnog tot premiebetaling is overgegaan en dekking bleef ontbreken. Mede gezien de lange duur van de relatie tussen partijen en de omvang van de verzekeringsportefeuille die [geïntimeerde] bij Nationale Nederlanden had ondergebracht, acht de rechtbank het onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Nationale Nederlanden zich ten aanzien van het tweede schadevoorval op de afwezigheid van dekking beroept.

3.1

In hoger beroep vordert Nationale Nederlanden – zakelijk weergegeven – de vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen Nationale Nederlanden ter voldoening van dit vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met rente.

3.2

De grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nationale Nederlanden uit de melding van de eerste schade had moeten begrijpen dat [geïntimeerde] in de veronderstelling verkeerde dat er dekking bestond (grief 1), dat Nationale Nederlanden met de e-mails van oktober en november 2012 de toerekenbare schijn heeft gewekt dat de dekking in orde was (grief 2), dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Nationale Nederlanden zich ten aanzien van de schade van 6 december op de afwezigheid van dekking beroept (grief 3) en tegen de vaststelling van de waarde van de autorefractometer (grief 4).

3.3

Het hof stelt vast dat geen (incidentele) grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering voor zover het de schade van de eerste inbraak betreft. Daarover strekt het hoger beroep zich dus niet uit.

3.4

Het hof zal de eerste drie grieven gezamenlijk behandelen. Deze stellen de vraag aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van Nationale Nederlanden op schorsing van de dekking ten aanzien van het tweede schadegeval in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

3.5

Vaststaat dat Nationale Nederlanden [geïntimeerde] bij brief van 21 februari 2012 heeft gewezen op het feit dat zij de verschuldigde premie voor de CZ-verzekering nog niet had ontvangen en dat wanneer de premie niet binnen 14 dagen zal zijn betaald, de dekking van de verzekering wordt opgeschort en dat dit betekent dat [geïntimeerde] dan geen aanspraak meer kan maken op een schadevergoeding of uitkering. Vaststaat eveneens dat [geïntimeerde] deze brief heeft ontvangen. Dit heeft [geïntimeerde] immers ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg bevestigd. Dat één herinnering is ontvangen volgt ook uit de e-mail van 16 oktober 2013 van de advocaat van [geïntimeerde] aan Nationale Nederlanden. Voor zover [geïntimeerde] met haar stelling in de memorie van antwoord, inhoudende "appellante blijft er ten onrechte van uit gaan, dat geïntimeerde wist van de premieachterstand en brieven van haar had ontvangen" – alsnog – betwist dat deze brief door haar ontvangen is, is die stelling onvoldoende onderbouwd, in het licht van de eerdere erkenningen ter zake. De omstandigheid dat [geïntimeerde] deze brief niet als sommatie ten aanzien van de premiebetaling voor de onderhavige verzekering heeft herkend, dient voor haar rekening te blijven. Dit geldt te meer nu in de aanhef van genoemde brief duidelijk is aangegeven dat het een "Eerste herinnering premieachterstand Comb./zakenverzekering" betreft en ook [het administratiekantoor] – naar volgt uit de verklaring van Keijzer dat hij de brief in de administratie heeft aangetroffen – genoemde brief onder ogen heeft gehad. Nationale Nederlanden stelt overigens ook – gelet op het bepaalde in artikel 19 polisvoorwaarden onverplicht – herinneringen te hebben gestuurd op 21 maart 2012, 19 april 2012 en 7 mei 2012. In deze brieven is eveneens melding gemaakt van de opschorting van de dekking. Dat geen van deze herinneringen, noch de factuur van 21 januari 2012, [geïntimeerde] zou hebben bereikt acht het hof – zonder nadere verklaring, die door [geïntimeerde] niet is gegeven – weinig overtuigend. Gelet op artikel 19 van de polisvoorwaarden is dit echter niet doorslaggevend. Met de brief van 21 februari 2012 is bovendien voldaan aan artikel 7:934 BW, hoewel dit voor [geïntimeerde] – die niet handelde als consument – geen dwingend recht is. Nationale Nederlanden was niet gehouden [het administratiekantoor] te benaderen over de ontstane premieachterstand. Dit betekent dat [geïntimeerde] wist althans geacht moet worden te hebben geweten dat vanaf 21 februari 2012, althans 8 maart 2012, geen dekking meer werd verleend onder de polis.

3.6

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg betoogd dat niets eraan in de weg had gestaan om de premie voor de CZ-verzekering met de door Nationale Nederlanden verschuldigde premierestitutie van de ziektegeldverzekering te verrekenen. Voor zover [geïntimeerde] daarmee wil aanvoeren dat deze verrekeningsmogelijkheid aan een beroep op schorsing van de dekking in de weg staat, geldt het volgende. Uit productie 15 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg (waarvan de juistheid door [geïntimeerde] niet is betwist) leidt het hof af dat Nationale Nederlanden begin 2012 de door [geïntimeerde] verschuldigde definitieve premie ziekengeldverzekering 2011 en de (voorschot)premie ziekengeldverzekering 2012 heeft berekend over een loonsom van € 70.321,--. [het administratiekantoor] heeft in zijn e-mail van 8 februari 2012 Nationale Nederlanden erop gewezen dat dat bedrag te hoog is. [geïntimeerde] kon dus begin 2012 in de veronderstelling leven dat hij per saldo geen geld aan Nationale Nederlanden verschuldigd was, maar dat Nationale Nederlanden juist aan hem premie moest restitueren. Hij heeft jegens Nationale Nederlanden echter geen beroep op verrekening gedaan, maar is kennelijk "gewoon" gestopt met betalen van premies aan Nationale Nederlanden. Hij heeft niet alleen de prolongatiepremie CZ-verzekering niet meer betaald, maar ook de (voorschot)premie ziekengeldverzekering, zo leidt het hof af uit productie 16 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg, waarvan de juistheid door [geïntimeerde] niet is weersproken. Nationale Nederlanden heeft steeds – zo blijkt eveneens uit productie 16 – de te veel betaalde premie ziekengeldverzekering verrekend met de (gecorrigeerde) achterstallige termijnpremies ziekengeldverzekering. Dat Nationale Nederlanden ooit spontaan een verrekening met premies van andere verzekeringen heeft toegepast dan wel dat [geïntimeerde] dit ooit heeft verzocht is gesteld, noch gebleken. Zo [geïntimeerde] er toch op heeft vertrouwd dat de prolongatiepremie voor de CZ-verzekering door Nationale Nederlanden zou worden verrekend met de te veel betaalde (voorschot)premie ziekengeldverzekering, dient dit onder genoemde omstandigheden voor haar risico te blijven. Overigens lijkt uit het gestelde in de memorie van antwoord onder 12 te volgen dat [geïntimeerde] niet in die veronderstelling leefde, maar de herinnering voor de premie van de CZ-verzekering heeft aangezien voor een herinnering van de premie voor de ziekengeldverzekering. De omstandigheid dat het hof zich de ergernis kan indenken van [geïntimeerde] over de haars inziens trage verwerking van de door/namens haar aan Nationale Nederlanden doorgegeven wijzigingen met betrekking tot de ziekengeldverzekering maakt het bovenstaande niet anders.

3.7

Nu premiebetaling de belangrijkste verplichting van een verzekerde jegens een verzekeraar is, kan niet licht worden geoordeeld dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat wanneer de premie niet is betaald en volgens de polisvoorwaarden de dekking is geschorst, een verzekeraar zich op het ontbreken van dekking beroept. De hiervoor geschetste omstandigheden, noch de lange duur van de relatie tussen partijen en de omvang van de verzekeringsportefeuille die [geïntimeerde] bij Nationale Nederlanden had zijn omstandigheden die, afzonderlijk of in samenhang, maken dat Nationale Nederlanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op de – uit de polisvoorwaarden volgende – opschorting van de dekking. Dat [geïntimeerde] niet bekend was met de juiste stand van zaken komt onder de gegeven omstandigheden voor haar risico. De onjuiste mededeling van Nationale Nederlanden na de schademelding in oktober 2012 legt onvoldoende gewicht in de schaal om daar ander over te oordelen. Dit betekent dat grief 3 slaagt.

3.8

In het kader van de devolutieve werking komt het hof daarmee toe aan de stelling van [geïntimeerde] dat Nationale-Nederlanden toerekenbaar tekort is geschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten [geïntimeerde] na de melding van de inbraak van 5 augustus 2012 op de premieachterstand te wijzen. Nationale Nederlanden heeft aldus [geïntimeerde] (inleidende dagvaarding pag. 8 ev.) haar zorgplicht geschonden, onder meer door [geïntimeerde] er na de melding van de inbraak van 5 augustus 2012 niet direct op te wijzen dat de schade niet wordt vergoed omdat de dekking onder de polis is opgeschort. Sterker nog, Nationale Nederlanden heeft door de onjuiste mededeling per e-mail van 10 oktober 2012 dat de schade wordt vergoed (zie rechtsoverweging 2.10) de schijn gewekt dat nog steeds van dekking sprake was. Indien Nationale Nederlanden direct na de schademelding in oktober 2012 [geïntimeerde] van de juiste stand van zaken op de hoogte had gebracht, dan had [geïntimeerde] – zo begrijpt het hof – alsnog voor dekking van het risico gezorgd door premiebetaling aan Nationale Nederlanden of desnoods door verzekering elders. Door de foute mededeling van Nationale Nederlanden is [geïntimeerde] deze mogelijkheid onthouden, als gevolg waarvan zij de door haar geclaimde schade ten aanzien van het tweede incident heeft geleden, aldus nog steeds [geïntimeerde].

3.9

Het hof overweegt als volgt.

Van een verzekeraar mag worden verwacht dat zij een verzekerde snel, duidelijk en correct informeert over zijn rechten en plichten na een schademelding. Dit geldt te meer, wanneer – zoals in dit geval – de dekking is geschorst en de verzekeraar er naar aanleiding van een schademelding op bedacht had moeten zijn dat de verzekerde zich dit niet realiseert. Nationale Nederlanden heeft dat nagelaten. De omstandigheid dat de Nationale Nederlanden [geïntimeerde] op een eerder tijdstip wel op correcte wijze op de hoogte heeft gebracht van de schorsing doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat [het administratiekantoor] [geïntimeerde] op de schorsing had kunnen wijzen, althans had kunnen verifiëren of [geïntimeerde] de premie had voldaan, maakt niet dat voor Nationale Nederlanden voornoemde zorgplicht niet meer geldt. Nationale Nederlanden heeft deze zorgplicht geschonden, toen zij op 10 oktober 2012 aan [geïntimeerde] de onjuiste mededeling deed dat de schade van de inbraak van 5 augustus 2012 met inachtneming van een eigen risico van € 454,-- zou worden vergoed. Dit betekent dat het hof van oordeel is dat Nationale Nederlanden aldus toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de verzekeringsovereenkomst voorvloeiende zorgplicht.

3.10

Nationale Nederlanden is aansprakelijk voor de uit deze tekortkoming voortvloeiende schade, waarvan de omvang – naar het hof begrijpt – volgens [geïntimeerde] moet worden gesteld op de misgelopen verzekeringsuitkering. Nationale Nederlanden heeft zich over de omvang van deze schade nog niet uitgelaten. Het hof zal Nationale Nederlanden daartoe alsnog in de gelegenheid stellen en de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte. [geïntimeerde] zal vervolgens de gelegenheid krijgen een antwoordakte te nemen.

3.11

Daar het hof reeds beschikt over een procesdossier tot en met de memorie van antwoord, kan bij het opnieuw vragen van arrest worden volstaan met de overlegging van de aanvullende stukken.

3.12

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rol van vier weken na heden voor het nemen van akte aan de zijde van Nationale Nederlanden met het doel zoals vermeld in rechtsoverweging 3.10 van dit arrest;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, J.M.T. van der Hoeven-Oud en D.A. Schreuder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.